
Er zijn geen gedenkstenen te bezoeken:
Die van mama liet de stad opdoeken;
Papa is opgenomen in gras en regen en wind;
Bewust wilden wij geen zerk voor ons kind.
Moet ik aan de urne van de vader staan
Met wie ik niet door het leven wilde gaan?
Toch eer ik mijn doden en denk aan hen,
Breng hen tot leven door zelf te leven
En de verhalen die ik over hen ken
Aan hun kleinzoon, broer en zoon door te geven.
Lichtgevende fakkels als de dagen duister zijn,
Een harde bui tegen de ruiten zwiept,
En bij het vertellen word ik weer klein,
Groei op en trouw en scheid: het verleden opgediept.
In de auto zetelen nu ook de zielen
Van de mensen die eens met ons leefden.
Zij glimlachen om wat zij ooit beleefden,
Terwijl het water wegspat onder de wielen.
Ik praat over vroeger, hij luistert en vraagt
Tijdens een rit die warme innigheid draagt.