Appel raakte door ontroering het geheim van het leven


Karel Appel in 2004
Nu Nederland met Karel Appel (1920-2006) een wereldberoemd kunstenaar heeft verloren, denken een paar Amsterdamse oud-ambtenaren misschien nog eens beschaamd terug aan hoe ze hem ooit beschimpten. Via directeur Willem Sandberg van het Stedelijk Museum had Appel in 1949 de opdracht verworven voor een wandschildering in de kantine van het stadhuis. De geschokte ambtenaren, die beweerden dat ze voortaan geen hap meer door de keel zouden krijgen, kregen al snel voor elkaar dat zijn ‘Vragende kinderen’ werd afgedekt met een schot dat er jaren zou blijven zitten.
Zij waren lang niet de enigen die Appels vernieuwende Cobra-beeldtaal totaal niet begrepen. Sandberg gaf Appel, Corneille, Constant en andere leden van de groep vernieuwers uit Kopenhagen, Brussel en Amsterdam in 1949 weliswaar een grote expositie in zijn museum en kocht geregeld werken aan, dat kon het vertrek van de Nederlanders naar Parijs niet voorkomen. Bij het grote publiek verguisd, ontvluchtte ook Appel het benepen kunstklimaat in de Lage Landen om zich te laven aan de avant-garde in de Franse hoofdstad. Hoe hij daar vanaf 1950 in armoedige omstandigheden woonde en werkte, is bekend door de vele interviews die hij in de loop van tientallen jaren gaf.
De arme Amsterdamse kapperszoon bezocht vanaf 1942 een paar jaar de Rijksacademie van Beeldende Kunsten maar kon dat alleen bekostigen met een beurs van het door de Duitsers ingestelde departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Adriaan Venema en Jan Fred van Wijnen beschreven in Vrij Nederland (VN) van 3 november 1990 hoe Appel daarover geregeld correspondeerde met de nationaal-socialist Ed Gerdes, hoofd van de afdeling Bouwkunst, Beeldende Kunsten en Kunstnijverheid. ‘Maar Appel was absoluut geen nationaal-socialist’, benadrukten de auteurs al aan het begin van hun artikel. Een paar maanden reageerde Appel tegenover Vera Illès in Elseviers Weekblad: „Als ik rijke ouders had gehad, had ik geen beurs voor de academie hoeven aanvragen. Dan had Adriaan Venema mij niet zwart kunnen maken. Dat van die beurs is waar, voor de rest is alles gelogen. Hoe kan ik mij verweren? Ik heb in de oorlog mijn broer verborgen om hem uit Duitsland te houden en toen dat uitkwam, heb ik door het land gezworven. Niemand had iets over voor kunstenaars. Ik heb tot 1953 honger geleden, ik ben bij elkaar zo’n vijftien jaar van mijn leven ondervoed geweest.“
Vanaf zijn succesvolle Amerikaanse debuut in 1954 bij Martha Jackson in New York lag de armoede definitief achter hem en kon Appel zich reizend van atelier naar atelier zonder materiële zorgen ontplooien. Wie ook maar een fractie van zijn schilderijen, gouaches, tekeningen en sculpturen kent, weet dat hij zich in de loop van zijn lange carrière ver verwijderde van ‘de felle heldere kleuren, simpele vormen en stevige lijnen van de vriendelijke, onschuldige kindwezens en fantasiedieren’ die Willemijn Stokvis in haar standaardwerk over COBRA prijst. ‘Laat’ hoogtepunt van zijn voortdurende drang tot vernieuwing waren de dertien doeken van ruim twee bij twee meter waarop Appel in de zomer van 2000 in het Stedelijk Museum een feestelijke lofzang van licht en kleur op het Nederlandse landschap schilderde.
In 1955 deed Appel in Vrij Nederland tegenover Jan Vrijman zijn meest geciteerde uitspraak: „Ik rotzooi maar een beetje aan.“ Humoristisch bedoeld, maar koren op de molen van de sceptici. In Van de schoonheid en de troost vertelde Appel lang nadien nog eens bevlogen hoe zorgvuldig hij juist te werk ging bij het kiezen en mengen van zijn kleuren. Bovenal toonde hij zich een oprecht gevoelig man, die zijn emoties welbewust kanaliseerde en kwijt wilde raken in zijn werk. Wie zijn beklemmende getraliede echtpaar uit 1953 kent, geïnspireerd op een foto van de wegens spionage in de VS tot de doodstraf veroordeelde Rosenbergs die elkaar voor het laatst mogen kussen, zou er volgens Appels richtlijnen het zwijgen toe moeten doen, zó goed is het. Hij had er vast mee ingestemd dat ook dit schilderij als voorbeeld dient voor de vele werken waarop hij de kern van het leven wist te raken door te ontroeren.(De Gelderlander)



















