

Reageer op dit bericht
Reageer op dit bericht
weet je nog ...
weet je nog
't is heel lang geleden
die avond aan de rand van het bos
de handrem vast
de lichten uit
en de knoopjes van je bloesje
één voor één los
god, wat hebben we toen gevrijd
ik ben nog steeds mijn autosleutels kwijt ...
jeff

zou het kunnen
dat ik je kwijt
ben geraakt ergens aan de rand van de tijd
want net even buiten westen
ligt de dag uitgeteld in een hoek
met een rode handdoek
om de nek
de avond legt nu met een kille hand
een sluier over de huizen
de stad is ziek en kreunt
langs de gebukte gevels loopt bloed
en de straten liggen met serum
dit is het uur van de hyena
de huizen hebben meer daken dan ramen
en
nergens vind ik een plaats
waar ik mijn stilte warmen kan
of misschien toch in het wrakhout
van onze woorden
gesponnen uit de rafelmist
van loze en uitgespreide beloftes
we zien morgen wel
of schrijf ik vandaag met bebloede handen
het beknopt verslag
van mijn overlijden
zodat er toch iets van me blijft…
nog meer plukkers

vrienden van de druivenpluk

Allerheiligen

Acht jaar geleden, bij het overlijden van mijn vader, schreef ik voor hem, maar meer nog voor mij , deze afscheidstekst op zijn rouwprentje:langs de randen van de jaren
lieten we veel woorden liggen
de kwade
omdat we ze niet nodig hadden
de goede
omdat we het maar normaal vonden
dat we veel van elkaar hielden
vandaag hebben we al die woorden
hard nodig
de kwade om te roepen
dat we je niet willen missen
de goede om te fluisteren
hoe graag we je zien
vader
we weten dat je nog
veel over ons zult praten
ginder
ver voorbij de stilte
van de woorden
Zomaar een man ...
Elke dag wandelde hij door de straat: een man van rond de zestig met zijn handen diep in zijn broekzakken en de kraag van zijn jas rechtop. Steeds liep hij met zijn ogen naar de grond gericht als was hij op zoek naar iets. Zou hij ooit vinden wat hij zocht ? Zocht hij wel iets ?
Op een morgen - even verder speelden twee kleine jongens - zag hij iets glinsteren tussen de straatstenen. Hij wist niet wat het was, maar het voelde aangenaam en warm aan. Hij stak het in zijn broekzak en wandelde verder. Iets in hem zei dat hij HET geluk gevonden had.
Ganse dagen liep hij met zijn handen in zijn broekzakken en streelde en koesterde zijn geluk. Niemand mocht het zien of bestasten, want HET was alleen van hem.
Op een woensdagnamiddag voelde hij plots een snijdende pijn in zijn handen trok ze uit zijn broekzak. Hij schrok zich een ongeluk, toen hij zag dat zijn hand helemaal onder het bloed zat. Op hetzelfde ogenblik belde zijn beste vriend dat hij met zijn nieuwe wagen tegen een boom geknald was ...
Langzaam besefte hij dat het geluk soms heel scherpe kanten heeft. Ik moet het geluk terug op zijn plaats leggen, dacht hij, zodat iedereen het kan zien en kan oprapen.
Hij trok zijn jas aan en ging als herboren de straat op. De twee jongetjes speelden op de stoeprand met hun knikkers en zagen niet hoe hij achteloos het geluk in de kortbije struiken dropte.
"Speel je mee, opa ?" vroeg de oudste. "Ik wil wel eens zien of je evenveel geluk met de knikkers hebt als ik."
De man voelde een warme wind langs zijn lijf en glimlachend legde hij zijn pas gewassen hand op het hoofdje van de kleinste. Even verder hoorde hij "Walking back to happiness" uit een keukenradio klinken. "Ik kom zo terug", zei hij en hij liep dolgelukkig nog een straatje om met de handen diep in zijn broekzakken.
Helen Shapiro achterna ...
mijn jongste kleinzoon

Wat kon ik je schenken ? Ik had maar gaven
voor honger en dorst en ik had je zo vertederd lief.
Ik zei : ik geef je de lucht, omdat ze zo blauw is vandaag
en jij zo lief. Je was zo blij en zo mooi als je ogen…
Dit was de droom : ik had gezegd
de lucht is blauw vandaag, pluk mijn geluk.
En ’s avonds hing je het op als een hemel boven je bed.
Je zei : kom bij me, toe. Ik heb sterren voor je gekocht.
In je ogen zag ik wind en wolken.
De nacht droeg bloemen in je slaap.
Het was alsof ik langzaam bloedde op zacht gras.
mijn oudste kleinzoon : JEFF

met dank aan Gazel !
laat de klok niet luiden
nee laat de klok niet luiden
doof de vuren en bedek de spiegels
weer is de reis gedaan
nog voor de sloepen werden aangezet
ik had gehoopt mijn woorden
waren me als brood geweest
maar kijk toch mijn woorden
de grote koningen mijn woorden
verlieten hun troon verbrandden
achter zich de boten ik ben niet
ingescheept
weer valt de regen
eeuwig en geruisloos in mijn baai
91 jaar


Op 31 oktober wordt mijn schoonvader Louis Alen ... 91 jaar ! Bij deze wensen wij hem van harte proficiat ...
ook als de lente morgen komt
kwijn ik weg als een herfstbloem in de modder
zonder jou
ben ik een grote nachtroofvogel
die bloedend over de vlakte vliegt
met ogen als twee rode boeken
op elke bladzij alinea’s van verdriet
ik leef in feesten van angst en pijn
schrijf
celbrieven naar een jonge boerin
met blauwe ogen en bleke wangen
achter het ijzeren gordijn
(dat niet meer bestaat)
daarom is aspirine geen geneesmiddel
voor mijn guerillastrijd onder de boomgaarden
van mijn gebroken woorden
een spook op zolder
kwelt mij voor de avond valt
met cabaret en kolder
het dwaallicht van de rijstakkers
lijmt zich aan het niemandsland
met een geuzenvesper
in de eeltgebogen hand
het droomvuur verdort de vleugels
van icarus en de hondenwacht
van de waterkluis valt snikkend
in de adem van het zwijgen
als hamlet in de spiegel
vraag ik je
waarom ik nog steeds dweep met mussolini
en trektochten maak door de jungle van borneo
word ik gek ?
een berkenboom
een berkenboom staat tegen de maan
te glanzen en wordt huiverkil
de tijd drupt droevig van de takken
twee stappen verder is het stil
ik zeg
wees maar niet bang voor de slaap
ik blijf bij je
wees niet bang voor de nacht
want ik ben je nacht
wees niet bang voor het water
ik maakte het water
het water is goed
en het draagt je
het wordt weer als vroeger
ik voed je met mijn huid
ik kleed je met mijn bloed
binnen mijn heupen bouw ik je huis
vanzelfsprekend
heb ik je lief als mezelf
zijn we naakt voor elkaar
en kennen elkaars binnenkant
beiden zijn we veel te teer
om bevroren bloemen te verdragen
ontdooi ze met je bleekblauwe ogen
breek ze met je handen
tot een geruisloos vuur
want zonder jou
voel ik me weer uiteenvallen
en loop dan later achter de stukken te zoeken

het vuur knaagt...
het vuur knaagt aan de tijd
te laat om verder door te dringen
in de vergeten droom
de morgen klaart in de huid van de gevels
laat de tranen voor mijn ogen stollen
want er is niets meer te zeggen
geen enkel woord brengt nog
de zachte regen van de heuvels terug
de echo van je lach
parelt in de schaduw van de grotten
die we samen bouwden
het lijkt zo moeilijk nu de juiste klank te vinden
om de geur van je glanzend lichaam
te doven
je leeft steeds voort in mij
als rozendauw en schlagerplaten
als bloemengeur en nachtlawaai
maar kom
je weet toch
dat ik met je adem
de stukken van geluk
als morgensterren lijmen zal
want straks dragen de rozen linten in hun haar
in het verboden bed smaakten
je lippen rood.
rood en de wijn maakte mijn lippen week.
zo week en teder
hebben wij elkaar bemind.
en zo week en teder
hebben wij elkaar belogen.
mijn woorden
de grote koningen mijn woorden
die als zandsporen de jouwe kruisten
hebben zich met een viooltoon verzuchting
verbrand
aan de rilling van je lauwe borsten.
maar weet nog…
wilde bramenstruiken werden heilig
paradijsblauw waren de bomen
van het kwaad.
de zonde is zo’n bruiloft
Boterhamworst
Maar ik werd natuurlijk groter en op een dag zei de slagersvrouw: "Je moet zeker geen vleesje hebben, want je bent nu al een grote jongen."
Achter mij in de winkel begonnen twee vrouwen te lachen. Ik heb me nog nooit zo klein gevoeld als toen...

