2008

2008
mijn nieuwjaarsbriefwij wensen je voor 2008 …
veel sprankelende bubbels
veel leuke babbels op een terras in de zon
de wind in de rug
als je naar huis fietst
een optreden van Tina Turner
een afgelast optreden van Frans Bauer
een pannenkoek met suiker
dichtbij de open haard
lachende kindjes op je schoot
vlinders in je buik als je dat exemplaar tegenkomt
waarop je al die tijd hebt gewacht
meer weekends dan weken
de dag dat je dokter je niet meer herkent
een vrije parkeerplaats kortbij de dinsdagmarkt
plakband en schaar kunnen vinden als je ze nodig hebt
drie aces na elkaar
het geluid van een zomerse regenbui op je tent
terwijl je met twee in je slaapzak ligt
de herinvoering van de oude spelling
verse koffie en pistolets op zondagmorgen
de laatste aflevering van “mooi en meedogenloos”
veel appeltjes voor de dorst
iemand die op je rug krabt
als je er zelf net niet bij kan
een strandwandeling met een tegenwind van 9 beaufort
terwijl een stralend witte meeuw
de letters van LIEFDE in de lucht schrijft…
onze beste wensen

poëzieEen mooi vers heeft de geur van een parfumeriewinkel, goede poëzie heeft de geur van een bloementuin...
een vrouwHoe gelukkig een vrouw ook getrouwd mag zijn, het doet haar altijd plezier te ontdekken dat er een aardige man is , die wilde dat ze het niet was...
in de tuin van haar lichaamman op de fiets
of is het een manke jager
rijdt in spiegelschrift langs de gevels
zo kijk ik door het raam
de zon pronkerig met satijnen ondergoed
schudt meeuwen over het land
dit huis is vol gensters
hier kan ik mijn stilte warmen
en spreken de gordijnen vloeiend Frans
chambre pour voyageurs
ik leef tussen de rozen
en nauwelijks te onderscheiden klanken
de uren ruiken naar meloen
plots zij
een meisje met hoge borst en hoed
smokkelt in haar heupen de zomer
mee tot diep in december
de straatstenen en ik kijken haar na
en dan valt de regen rond haar glanzend lichaam
in stukken
geruisloos
papa, kom je eten

poëziepoëzie
is een wansmakelijk aantrekkelijke vrouw
die hinnikend op en veel te hoog paard
door de wolken zeilt
zo mooi dat je er een knieval zou voor doen
wachtend op het fatale schot
in de nek
poëzie zuigt je leeg
en bindt de handen aan je voeten vast
de pijn van wit papier
ondraaglijk maar zichtbaar
verblindt de schaduw van je woorden
opgehangen aan de dunne draagdraad
van de tijd
poëzie
is God
en dat zou ik best zelf kunnen zijn
maar ik weet niet
of ik besta…
morgen misschien


weet je nog ...weet je nog
't is heel lang geleden
die avond aan de rand van het bos
de handrem vast
de lichten uit
en de knoopjes van je bloesje
één voor één los
god, wat hebben we toen gevrijd
ik ben nog steeds mijn autosleutels kwijt ...
jeff


zou het kunnen
dat ik je kwijt
ben geraakt ergens aan de rand van de tijd
want net even buiten westen
ligt de dag uitgeteld in een hoek
met een rode handdoek
om de nek
de avond legt nu met een kille hand
een sluier over de huizen
de stad is ziek en kreunt
langs de gebukte gevels loopt bloed
en de straten liggen met serum
dit is het uur van de hyena
de huizen hebben meer daken dan ramen
en
nergens vind ik een plaats
waar ik mijn stilte warmen kan
of misschien toch in het wrakhout
van onze woorden
gesponnen uit de rafelmist
van loze en uitgespreide beloftes
we zien morgen wel
of schrijf ik vandaag met bebloede handen
het beknopt verslag
van mijn overlijden
zodat er toch iets van me blijft…
nog meer plukkers
vrienden van de druivenpluk
Allerheiligen
Acht jaar geleden, bij het overlijden van mijn vader, schreef ik voor hem, maar meer nog voor mij , deze afscheidstekst op zijn rouwprentje:langs de randen van de jaren
lieten we veel woorden liggen
de kwade
omdat we ze niet nodig hadden
de goede
omdat we het maar normaal vonden
dat we veel van elkaar hielden
vandaag hebben we al die woorden
hard nodig
de kwade om te roepen
dat we je niet willen missen
de goede om te fluisteren
hoe graag we je zien
vader
we weten dat je nog
veel over ons zult praten
ginder
ver voorbij de stilte
van de woorden
Zomaar een man ...Elke dag wandelde hij door de straat: een man van rond de zestig met zijn handen diep in zijn broekzakken en de kraag van zijn jas rechtop. Steeds liep hij met zijn ogen naar de grond gericht als was hij op zoek naar iets. Zou hij ooit vinden wat hij zocht ? Zocht hij wel iets ?
Op een morgen - even verder speelden twee kleine jongens - zag hij iets glinsteren tussen de straatstenen. Hij wist niet wat het was, maar het voelde aangenaam en warm aan. Hij stak het in zijn broekzak en wandelde verder. Iets in hem zei dat hij HET geluk gevonden had.
Ganse dagen liep hij met zijn handen in zijn broekzakken en streelde en koesterde zijn geluk. Niemand mocht het zien of bestasten, want HET was alleen van hem.
Op een woensdagnamiddag voelde hij plots een snijdende pijn in zijn handen trok ze uit zijn broekzak. Hij schrok zich een ongeluk, toen hij zag dat zijn hand helemaal onder het bloed zat. Op hetzelfde ogenblik belde zijn beste vriend dat hij met zijn nieuwe wagen tegen een boom geknald was ...
Langzaam besefte hij dat het geluk soms heel scherpe kanten heeft. Ik moet het geluk terug op zijn plaats leggen, dacht hij, zodat iedereen het kan zien en kan oprapen.
Hij trok zijn jas aan en ging als herboren de straat op. De twee jongetjes speelden op de stoeprand met hun knikkers en zagen niet hoe hij achteloos het geluk in de kortbije struiken dropte.
"Speel je mee, opa ?" vroeg de oudste. "Ik wil wel eens zien of je evenveel geluk met de knikkers hebt als ik."
De man voelde een warme wind langs zijn lijf en glimlachend legde hij zijn pas gewassen hand op het hoofdje van de kleinste. Even verder hoorde hij "Walking back to happiness" uit een keukenradio klinken. "Ik kom zo terug", zei hij en hij liep dolgelukkig nog een straatje om met de handen diep in zijn broekzakken.
Helen Shapiro achterna ...
mijn jongste kleinzoon

Wat kon ik je schenken ? Ik had maar gaven
voor honger en dorst en ik had je zo vertederd lief.
Ik zei : ik geef je de lucht, omdat ze zo blauw is vandaag
en jij zo lief. Je was zo blij en zo mooi als je ogen…
Dit was de droom : ik had gezegd
de lucht is blauw vandaag, pluk mijn geluk.
En ’s avonds hing je het op als een hemel boven je bed.
Je zei : kom bij me, toe. Ik heb sterren voor je gekocht.
In je ogen zag ik wind en wolken.
De nacht droeg bloemen in je slaap.
Het was alsof ik langzaam bloedde op zacht gras.
mijn oudste kleinzoon : JEFF
met dank aan Gazel !