dingen

Hij houd de hand op zijn zak.
Hij is een vrek.
Zij heeft last van het glazen plafond.
Zij kan geen carrière maken omdat zij een vrouw is.
Zij was poesmooi.
Zij had haar mooiste kleren aan.
Hij is in de wed.
Hij doet er erg veel moeite voor.
Onze Lieve Heer straft niet op heter daad.
God ziet alles dus ook de slechte dingen die je doet.



















