geld
Hij kan zijn ellebogen goed roeren.
Hij heeft veel geld.
Zij is een oud vel.
Zij is een boosaardige vrouw.
Hij is op de penning.
Hij is erg zuinig.
Zij vliegen elkaar in de haren.
Zij gaan met elkaar vechten.
Geld is een sleutel die op alle sloten past.
Met geld krijg je alles voor elkaar.












