land

Hij is een vakman van de koude grond.
Hij is een prutser.
Hij hangt de gebraden haan uit.
Hij is een opschepper.
Een land van melk en honing.
Een land met een overvloed aan dingen.
Ze kaatsen elkaar de ballen toe.
Elkaar helpen.
Het is water en vuur.
Zij zijn precies het tegenovergestelde en kunnen het helemaal niet met elkaar vinden.








