POPERINGE
POPERINGE
Poperinge, voor het eerst vermeld in 844-864 als Pupurninga uilla, was voor een groot deel in het bezit van de Sint-Bertijnsabdij van Sint-Omaars. De abten van Sint-Bertijns bleven heren van Poperinge tot op het einde van het Ancien Régime. Hun domein had al een eigen lex in 1147. In datzelfde jaar verleende Diederik van de Elzas, graaf van Vlaanderen, aan de inwoners dezelfde waarborgen van vrede als de Veurnenaars genoten. Op het einde van de 13de eeuw werd Poperinge verdeeld in 3 parochies. De lakennijverheid bloeide er en Poperinge maakte deel uit van de Vlaamse Hanze van Londen. Toen de lakennijverheid in de 17de eeuw teniet ging, groeide Poperinge uit tot centrum van de hopteelt.
Er zijn geen heel oude zegels van de stad Poperingen bekend.
Poperinge deelde blijkbaar in de 2de helft van de 17de eeuw, haar wapen met dat van de Sint-Bertijnsabdij.
Samengevat kan men stellen : het veld van het Poperingse wapen was oorspronkelijk van sabel, maar werd in de 1ste helft van de 16de eeuw van keel en bleef zo; de rechterarm of (gehandschoende) hand stond oorspronkelijk los in het veld en was van zilver of van goud; de kromstaf (naar links of rechts gewend) was van goud; vanaf de 2de helft van de 17de eeuw werd het oude wapen gedeeld met dat van Sint-Bertijnsabdij.
Bij de toekenning van het Poperingse wapen in 1838, kreeg de stad weer haar 1ste wapen. Het veld van keel werd behouden. De gehandschoende hand werd een uit de linkerschildrand komende rechterarm, van goud, zoals de kromstaf. Het schild kreeg een kroon met 5 fleurons. In 1875 werd dit wapen lichtjes gewijzigd: de rechterhandwerd een open gehandschoende hand, de wijsvinger voorzien van een ring.
De kroon werd vervangen door een stedenkroon, meer passend voor een oude stad.
In keel een gehandschoende gestrekte hand, de wijsvinger versierd met een ring, komende uit de linkerzijde en houdende een staf van een abt, alles van goud. Het schild getopt met een stedekroon met 5 torens van goud (en getooid met het Frans oorlogskruis met palm)


