Naar de inhoud

Renaat's standpunten

over de sociale en politieke actualiteit en gebeurtenissen
seniorennet.beseniorennet.be
Kom meer te weten op http://www.rvp.be

Archief

De illusie van een 'Verenigde Staten van Europa' en de contradictie met de 'Zelfstandige Staten van België'

Eendracht maakt macht

Meer dan ooit prediken vandaag de goeroes van de Europese eenmaking de noodzaak van een doorgedreven eengemaakte Europese Unie, zeg maar een 'Verenigde Staten van Europa', waar vrijwel alles wat vandaag niet tot de gemeentelijke bevoegdheden behoort, door één centrale Europese regering, parlement en administratie zou geregeld worden.

Het heet dat in een 'gemondialiseerde' wereld het noodzakelijk is om zowel op monetair als economisch gebied het beleid zo eenvormig mogelijk dient te zijn ten einde de concurrentie aan te kunnen met de huidige en opkomende economische reuzen zoals de VS, Japan, China, Brazilië en India. Zonder een financieel-,  sociaaleconomisch-, en bijgevolg ook politiek-eengemaakt Europa zou de 'oude wereld' gedoemd zijn om reeds in de tweede helft van deze eeuw af te glijden naar het niveau van het huidige Afrika. De politieke eendracht tussen de Europese volkeren zou hen de macht teruggeven om, zoals in de vorige eeuwen verschillende onder hen, een groot deel van deze wereld te beheersen.

Voor wie zijn geschiedenis kent is het echter vruchteloos zoeken naar een voorbeeld van een confederatie of statenbond, laat staan het samensmelten van verschillende landen met totaal van elkaar verschillende volken, met eeuwenlange zelfstandigheid, tot één enkel land, al dan niet in een confederaal susteem. Voor zover er op deze aardbol daar ooit pogingen toe zijn ondernomen, waren die nooit een lang leven beschoren. Vooral omdat de reden van vereniging niet zozeer het welzijn van de gehele bevolking voor ogen had, dan wel meestal gestoeld was op macht- en bezitswellust van een beperkte elite. Dat de samensmelting of gezamenlijke lotsbestemming zelden voldoende draagvlak onder de onderscheiden bevolkingen had of kon behouden, was een andere, niet minder belangrijke oorzaak tot een al dan niet vreedzame scheiding.


Ons land, dat eigenlijk kan beschouw worden als een mini-Europa met drie taalkundig-, en ook enigszins op bepaalde vlakken cultureel verschillende volken, bevond zich enige decennia terug in het stadium waarop men uiteindelijk met de Europese Politieke Unie wil komen: Een light versie van een federale staat waar behalve de culturele en taalwetgeving, aangevuld met andere minder belangrijke bevoegdheden, alle economische, sociale, maatschappelijke, nationale, en internationale politieke bevoegdheden in handen van de centrale regering is.

België, het anti-voorbeeld

De, zowel taalkundige-, culturele- sociologische als economische verschillen tussen de bevolkingsgroepen en de geografische landsdelen, noodzaakten de achtereenvolgende Belgische federale regeringen via, tot heden zes staatshervormingen, steeds meer centrale bevoegdheden over te hevelen naar de verschillende gewesten. En als bepaalde nationalisten hun zin krijgen , daarin in Vlaanderen gesteund door naar een meerderheid groeiende bevolking, is een quasionafhankelijkheid van de deelstaten niet meer zover af.

Bijgevolg stel ik vast dat in ons eigen land juist het omgekeerde gebeurt van wat zich in de EU afspeelt. Verbazend daarbij is dat zowel de voorstanders van de Belgische decentralisatie, als deze van de Europese centralisatie, de zelfde argumenten gebruiken om hun gelijk te ondersteunen.  Dat dit  bij mijn weten vrijwel door niemand in vraag wordt gesteld, brengt mij op zijn zachts gezegd, enigszins 'in de war'.

Want in België heet het, dat het economisch beleid naar de deelstaten moet, omdat die beter kunnen inspelen op de plaatselijke economische behoeften. Maar voor de EU moet die bevoegdheid echter van de lidstaten weggehaald worden  omdat men enkel op centraal vlak de noodzakelijke concurrentiehefbomen zou kunnen hanteren. http://www.bpol.be/afbeeldingen/ander/europaVerenigd.jpg

De Belgische staatshervormers vinden dat de arbeidswetgeving en -activering beter naar de gewesten gaan omdat volgens hen "zowel een werknemer als een werkloze in Antwerpen niet dezelfde noden, middelen, en mogelijkheden heeft of dient te hebben, als zijn collega in Trois-Ponts. Volgens de Europese Unie zou al datgene wat werknemerswetgeving betreft, eenvormig moeten worden, ten einde de concurrentiehandicap en arbeidsvoorwaardendiscriminatie tussen de verschillende lidstaten weg te werken.

Nog gekker is het met de landbouwbevoegdheid gesteld: Terwijl de voornaamste wetbepalingen ter zake reeds van kort na de eerste levensdagen van de EEG (voorganger van de EU) tot de centrale Europese wetgeving behoort, vond men het enige staatshervormingen terug toch nodig om de (intussen vrijwel inhoudsloze)  portfeulle van landbouw naar de deelstaten over te hevelen.

En zo kan men nog een tijdje doorgaan: terwijl men in Europa zogenaamd omwille van de efficiënte werking  van het economische, financiële en politieke beleid zo veel mogelijk wil centraliseren, OPDAT HET VOLK ER BETER ZOU VAN WORDEN, is men in België, om reden van diezelfde efficiënte werking, reeds veertig jaar onverdroten bezig om het centrale gezag van zoveel mogelijk bevoegdheden te ontdoen, OPDAT HET VOLK ER BETER ZOU VAN WORDEN.

Besluit.

Als het, in dit blijkbaar zo moeilijk bestuurbaar land één ding duidelijk maakt, dan is het wel dat men tegen de wil van de bevolking, geen eenvormig beleid kan voeren voor een samenleving die, wonend in verschillen geografische gebieden, een verschillende taal spreken, en maatschappelijk op meerdere vlakken anders denken, werken en leven.

Men wil van Europa een België van vóór 1980 maken, en van België een Europa van van voor diezelfde tijdsperiode. En omdat het ene als bewijs geldt dat het andere niet kan werken, en visa versa, zullen beiden misschien ooit in de geschiedenis aangehaald worden als voorbeeld van georganiseerde en georkestreerde idioterie. 

 

De herhaling van geschiedkundige blunders

De Europese Unie is een zoveelste herhaling van  geschiedkundige blunders. Ook hier is, onder het mom van de bescherming, en zelfs de verbetering van de welvaart der Europese volkeren, het een kleine elite van groot-kapitaalbezitters (de voormalige grootgrondbezitters) die omwille van de steeds sterker wordende concurrentie van hun Aziatische en Zuid-Amerikaanse evenknieën hun 'leengoeden' (landen) trachten te verenigen onder eenzelfde 'bevelvoerder' (regering).

De plaatselijke 'leenheren' (Presidenten of  Eerste Ministers) trachten zoals hen is opgedragen, de geleidelijke machtsoverdracht aan de bevolking te verkopen met de belofte dat een gemeenschappelijk gecentraliseerd Europees beleid 's lands en 's werelds problemen beter zal kunnen oplossen. Bovendien zijn, in tegenstelling tot bij unilaterale beslissingen, gemeenschappelijk genomen fouten gemakkelijk in andermans schoenen te schuiven, en ontloop je daardoor spelenderwijs je plaatselijke politieke verantwoordelijkheid, wat electoraal altijd meegenomen is.

Voor een Europese Unie met volledige bevoegdheid over de nationale inkomsten en uitgaven, en de sociaaleconomische wetgevingen, laat staan een Politieke Unie, is er in de overgrote meerderheid van de dertig lidstaten geen maatschappelijk draagvlak te vinden. Hoe meer besluiten  van regeringsleiders daar naar toe sturen, hoe groter de aversie tegenover hun doelstellingen wordt bij de bevolkingen in hun thuishavens.

Woorden wekken, voorbeelden strekken, maar ontbreken

Voorstanders komen steevast aandraven met de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland, als voorbeeld van 'confederaties' die blijk geven dat projecten als de EU wel degelijk werken en succesvol kunnen zijn.

 Maar, noch bij de VSA, noch bij Zwitserland, is er sprake van een 'confederatie', gezien hun deelstaten vooraf nooit onafhankelijke soevereine staten zijn geweest. Beiden zijn zij niets meer of minder dan bvb Duitsland en België : federale staten waar vanuit het oorspronkelijke centrale gezag, meerdere bevoegdheden aan de deelstaten zijn toebedeeld. Dus in feiten het omgekeerde van wat er met de EU en zijn lidstaten gebeurt.

Daarenboven hebben hun verscheidene bevolkingsgroepen geen eeuwenoude eigen nationalistische staatkundige en sociaaleconomische maatschappijvorm gekend. Een nationalisme dat, voor zover het in de naoorlogse tijd  tot 'sluimertoestand' was teruggebracht, tegenwoordig juist opnieuw blijkt aan te wakkeren door de roep naar dénationalisering.

Op de vraag, waarom datgene wat nog nooit gewerkt heeft, nu wel zou lukken, heb ik vooralsnog geen enkel onderbouwd antwoord gehoord of gelezen. Gemakshalve beperkt men zich doorgaans tot dooddoeners als daar zijn: "De omstandigheden, problemen en mogelijkheden zijn nu helemaal anders", of "Vergelijkingen lopen altijd mank"

Renaat van Poelvoorde

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Renaat om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Een terminaal economisch systeem in leven houden

De reghttp://2.bp.blogspot.com/_Nyai9st4W3U/S5bDNnN34RI/AAAAAAAAA1E/vDZ9bIl_0M8/s400/cijfers2.JPGering is er naar Belgische traditie weer eens in geslaagd om een begrotingsakkoord te produceren waar niemand tevreden over is. Dat kan trouwens niet anders, want een compromis tussen totaal tegengestelde visies houdt nu eenmaal in dat, wat voor de ene te weinig is, voor de andere te veel is. Daarenboven is het resultaat meestal zodanig, dat men de gezamenlijk beoogde doelstelling niet of nauwelijks bereikt.

In dit geval zijn de twee beoogde doelstellingen:

1. Het begrotingstekort binnen het door Europa gewenste maximum te houden, en

2. De economische groei aanzwengelen door de loonkost voor de bedrijven te verminderen.

In het eerste is men wonderwel geslaagd, al zal bij de volgende begrotingscontroles waarschijnlijk blijken dat men de effecten van bepaalde maatregelen, op de inkomsten: overschat, en op de uitgaven: heeft onderschat, waardoor dan weer bijkomende maatregelen noodzakelijk zullen zijn.

Wat de loonlastvermindering betreft, zijn de cijfers en berekeningen, en dus ook de voorziene affecten, al naar gelang van wie ze komen en wie ze berekent, zodanig verschillend, dat het resultaat bij de ene hoofdzakelijk op hoop, en bij de andere grotendeels op vrees blijkt gestoeld te zijn. En voor diegenen die het zelfs enigszins positief willen benaderen, lijkt het toch allemaal ‘To little, to late’ te zijn.

Maar goed, de cijfers zijn wat ze zijn, of het nu meer-inkomsten, of bezuinigingen betreft. Enerzijds dienen de inkomsten door iemand betaald te worden, en anderzijds zorgen bezuinigingen voor minder inkomsten voor bepaalde mensen. In beide gevallen resulteert dat voor meer uitgeven en/of minder inkomsten voor de burger, met als gevolg: minder koopkracht, minder consumptie, minder economische groei, meer werkloosheid, meer overheidsuitgaven, minder overheidsinkomsten…enz.
De vicieuze cirkel waar de Europese economie sinds 2008 is in terechtgekomen, en maar niet blijkt uit te komen.

Tot heden houdt de meerderheid van de financiële en economische experpten echter voet bij stuk en blijven zij zweren bij ‘schuldafbouwing’, arbeidsflexibelisatie, en winstmaximalisatie voor investeerders. Dat zou volgens hen uiteindelijk moeten uitmonden in meer arbeid, meer productie, meer omzet, enz,

Bij gebrek aan desbetreffende hoge-scholing, ontbreekt het mij aan de nodige bevoegdheid om daar over te oordelen. Ik kan enkel vast stellen dat een niet onaardig deel van de economen meent dat dit een totaal voorbijgestreefd negentiende-eeuwse denkwijze is, en ons economisch systeem zich in feiten in een terminale fase bevindt. En sinds 2008 blijkt tot op de dag van vandaag de praktijk hen vooralsnog in het gelijk te stellen.

Cruciale vraag is en blijft steeds, of de ‘inspanning’ die van de bevolking wordt gevraagd ‘eerlijk’ verdeeld wordt. Zelfs zogenaamde socialistische partijen, zoals de Vlaamse Sp.a, en in mindere mate ook de Waalse PS, gaan er van uit dat bij een rechtvaardige verdeling van de lasten ‘iedereen’ zijn steentje moet bijdragen. En al behoedt men zich voor dat woordelijk uit te spreken, men bedoeld daarmee ‘van arm tot rijk’.

Al maakt de regering zich sterk dat zij bij deze begroting de laagste inkomens gespaard heeft, toch kan men niet voorbij aan het feit dat de 'aanpassing' aan de indexkorf een aanmerkelijke vertraging van de indexstijging teweeg brengt, waardoor dus in feiten de koopkracht  in mindere mate gecompenseerd wordt. En aangezien dat v erhoudingsgewijst de lagere inkomens meer treft dan de hogere...

Dat in een sociale ‘welvaartsmaatschappij’, het eerder beschamend is, dat men de minderbedeelden, dus diegenen die om en bij de ‘armoedegrens’ leven, eveneens voor een deel mee laat betalen aan het dempen van de schulden, waar zij geen enkele baat bij gehad hebben, laat staan mede-oorzaak van waren, doet er blijkbaar niet toe. Dat juist deze groep verhoudingsgewijs het meest inlevert bij maatregelen zoals indexaanpassingshervormingen en bezuinigingen op overheidsdienstverleningen en gezondheidszorgen, geeft aan dat de sociaal-democratische partijen mijlenver zijn afgeweken van hun oorspronkelijke reden van bestaan.

Deze regering maakt zich sterk dat zij met haar begroting- en relancemaatregelen er in geslaagd is de werkende Belg te sparen. En voor een deel is dat misschien zo. Voor de laagste lonen heeft zij zelfs haar ‘gerommel’ en ‘afvlakhttp://www.s-p-a.be/media/thumbs/uploads/pictures/prijzen_jpg_245x400_upscale_q85.jpgking’ van de indexkoppeling gecompenseerd door een lichte belastingverlaging. Al heeft men om de kostprijs daarvan niet te hoog laten oplopen, gemakshalve daarbij de uitkeringtrekkers (pensioenen en werkloosheidsuitkeringen) ‘wijselijk’ vergeten.

Op wie, en met welk effect de besparingen in de gezondheidszorg zullen terechtkomen, is vooralsnog niet duidelijk. Het valt te vrezen dat deze gewoontegetrouw niet inkomensafhankelijk zullen zijn, en dus weerom verhoudingsgewijs zwaarder zullen uitvallen voor de onfortuinlijksten onzer samenleving.

Het huidig indexkoppelingsysteem, welke in zijn oorsprong diende om periodiek de inkomens uit arbeid en sociale vergoedingen aan te passen aan de stijging van de levensduurte (inflatie), is in de loop der tijd stelselmatig hervormd. Meestal was het een aanpassing van de indexkorf aan het ‘gemiddeld’ koopgedrag van het ‘gemiddeld’ Belgisch gezin.

Daardoor is het aantal producten zodanig uitgebreid geworden en de individuele ‘weging’ ervan zodanig relatief klein, dat deze, vooral bij de lagere inkomens, op verre na het werkelijk uitgavenpatroon meer benadert.
Zo maakt voeding en drank amper 19,2%, en Huisvesting+elektriciteit, verwarming en water, amper 15.6%, dus samen 34.8% van de indexkorf uit, terwijl bij de lage inkomens dat meestal 50-60% van hun uitgaven vertegenwoordigen

INDEXKORF 2010
1. Voedingsmiddelen en dranken: 19.23 %
2. Tabak: 1,49 %
3. Kleding en schoeisel: 6,23 %
4. Huisvesting, water, elektriciteit, gas en andere brandstoffen: 15,69 %
5. Stoffering, huishoudelijke apparaten en dagelijks onderhoud woning: 7,28 %
6. Gezondheidsuitgaven 4,24 %
7. Vervoer: 15,61 %
8. Communicatie: 3,66 %
9. Recreatie en cultuur: 12,35 %
10. Onderwijs: 0,57 %
11. Hotels, cafés en restaurants: 7,26 %
12. Diverse goederen en diensten: 7,19 %

Door de feitelijkheid dat de stijging van voeding en woonkosten meestal sneller stijgen dan de meeste andere producten en diensten, en deze een de vrijwel grootste hap uit het gezinsbudget van de lage inkomens uitmaken, en deze voor wat hen betreft ondervertegenwoordigd zijn in de indexkorf, beantwoorden de loon- en uitkeringsaanpassingen, vooral voor de laagste inkomens, geenszins aan de stijging van de levensduurte, waardoor deze een relatieve welvaartsdaling ondergaan..
Anderzijds is elke indexaanpassing voor de betere en hoge inkomens een grotere aanpassing dan de stijging van de prijzen en dus niet het behoud, maar een vermeerdering van koopkracht, dus een welvaartstijging.

Het huidig indexsysteem beantwoord niet (meer) aan zijn doelstelling: de stijging van de levensduurte VOOR IEDEREEN te compenseren. Terwijl dat, zeker voor de laagste inkomens, geenszins het geval is, fungeert het voor de beter betaalden als ‘welvaartverhoger’.
Bovendien werkt het contraherverdelend, maakt de inkomensverschillen steeds groter, en vergroot zodoende de kloof tussen rijk en arm.

Vraag is, hoe lang het nog duurt vooraleer er voldoende draagvlak ontstaat voor de bewustwording en erkenning dat ons geroemd sociaal systeem, gestoeld op het solidaire http://www.ageres.be/images/_large/AD_geld.jpgverzekeringsprincipe, waarbij de bereidheid om ‘premiebetaling’ volgens draagkracht voortvloeit uit het mee deelachting zijn aan de verdeling van de vruchten er van, voorbijgestreefd is. Om het vandaag, en in de nabije toekomst, ‘voor iedereen’-principe betaalbaar te houden kan men blijkbaar niet anders dan het stelselmatig afbouwen.

Ik neem aan dat wij met zijn allen nog steeds akkoord zijn dat, afgezien van onze inspanning om de onmenselijke honger en ellende, elders op deze aardkloot, te bestrijden, wij ook in onze, voorlopig nog welvarende samenleving, bereid zijn om een deel van onze overbodige weelde over te maken aan de kansarmen en minderbedeelden onder ons.
Om dat blijvend waar te kunnen maken zullen wij echter moeten ophouden om, ook diegenen die het niet nodig hebben, laten deel te hebben aan de voordelen van ons sociaal zekerheidsysteem.
 

Zo dienen wij ons af te vragen of mensen, die wegens hun bezit en inkomen het niet nodig hebben, überhaupt nog kindergeld moeten krijgen.

En of een werkloosheidsuitkering werkelijk nodig is als de partner een meer dan behoorlijk inkomen heeft?

En waarom zouden wij de terugbetaling van ziektekosten niet inkomensafhankelijk maken?

http://img.vandaag.be/tmp/450/350/r/articles/201201041152-1_prijzen-voedingswaren-de-hoogte-in-.jpgEn waarom de inkomenskoppeling van werknemers en uitkeringtrekkers aan de prijsstijgingen, i.p.v. procentueel, niet compenseren met een bedrag dat afgestemd is op de werkelijke stijging van het uitgavebudget van een modaal inkomen?

Waarom moeten subsidieringen van verbouwingen, en andere gesubsidieerde investeringen aan woningen in dezelfde mate gebeuren bij mensen met een relatief hoog inkomen en behoorlijk vermogen?

Juist omdat wij het gemeenschapsgeld, bestemd voor wie hulp en steun nodig heeft, kwistig uitdelen, ook aan diegenen die probleemloos zonder die hulp en steun kunnen, falen wij in onze basisdoelstelling om de minderbedeelden uit de armoede- en probleemzone te houden, en gaan wij in tijden van noodgedwongen besparingen zelfs de minimale steun aan hen inkrimpen.

En ja, indien het geld ‘gehaald zou worden waar het is’, en ja, indien de 10 procent welke 90 procent van alle vermogens bezit, hun gerechtvaardigde bijdrage aan de gemeenschap zouden afstaan, zou er inderdaad geen sprake zijn van crisissen en bezuinigingen. Maar gezien geld macht is, staan wij als 90 procent machteloos om hen daar toe kunnen te bewegen.

Hoe dan ook, rekening houdend dat deze regering noodzakelijkerwijs moet regeren met centrumlinkse en centrumrechtse partijen, wier belangengroepen tegengesteld aan elkaar zijn,  heeft zij alles gedaan wat in haar mogelijkheden ligt, met het best mogelijke resultaat...

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Renaat om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Gemeenschapschuld en de globale individuele rijkdom

 http://www.vlaamsbelang.org/fotos/20090730geld.jpgOns land heeft een ‘overheidschuld’, dat is de schuld  die wij als gemeenschap hebben  tegenover binnenlandse en buitenlandse particulieren, banken en andere financiële maatschappijen, van om en bij de 335 miljard euro. Aangezien wij op dit ogenblik met zijn allen samen, particulieren en bedrijven, 343 miljard euro verdienen, bedraagt ‘onze’ huidige schuld zowat 97.6% van ons totale gemeenschappelijk inkomen.

Dat dit niet bepaald een angstwekkend probleem hoeft te zijn, wordt aangetoond door de vergelijking te maken met een doorsnee financiële gezinsboekhouding: Menig middenklassegezin met bvb een netto  jaarinkomen van ongeveer  50.000 euro heeft een schuldenlast van om en bij de 200.000 euro, of meer (hypotheeklening). Dat is  400% van hun jaarinkomen. 

Maar in veel gevallen hebben dergelijke gezinnen ook  aardig wat spaargeld, aandelen en obligaties, en/of hebben zij dat in de vorm van (te verwachten) erfenissen in het vooruitzicht. Dikwijls bedraagt daardoor het totale financieel vermogen van het gezin meer dan de effectieve schuld, en is er dus eigenlijk niets aan de hand.

Zo ook is dat eigenlijk het geval voor de Belgische gemeenschap,  waar het totale individuele spaar- aandelen- en obligatievermogen (706 miljard) meer dan het dubbele van de gezamenlijke schuld (335 miljard) bedraagt. Strikt genomen is er dus als samenleving per saldo geen echte schuld, maar daarentegen een spaaroverschot van 371 miljard. M.a.w. Theoretisch zou men dus de totale staatschuld (de schuld van ons allen als gemeenschap) in één ruk kunnen afbetalen, en daardoor  zonder enige verdere bezuiniging een begrotingoverschot van 4% kunnen boeken, ware het niet dathttp://www.editiepajot.com/big_pictures/0013/6797/Editiepajot_Denderleeuw_Gezinsbond_Welle_foto_Jacky_Delcour.JPG?1336805178 wij, de kapitalistische liberale ideologie getrouw, van oordeel zijn geen enkel deel te hebben aan de schuld van 'de staat'.

Als wij, zoals het goede burgers zou passen, België als één groot gezin zouden beschouwen, waar wij elk weliswaar ons eigen inkomen hebben, al dan niet ‘buitenhuis’ verdiend (loon) of via ‘zakgeld’(uitkering) uit de ‘gezinspot’ verkregen, zouden wij, rekening houdend met onze individuele en gemeenschappelijke  bezittingen, inkomens, en schulden, een  rijk en welvarend gezin zijn.

Maar gemakshalve vergeten wij, als individuele eigenaars van ons deel in de 706 miljard, dat wij dat kapitaal grotendeels dank zij de uitgaven en investeringen van de gemeenschap (staat) hebben kunnen verdienen of bekomen. Juist zoals de schulden die wij als gemeenschap (de staat) hebben opgestapeld, grotendeels te wijten zijn aan voornoemde uitgaven en investeringen.

In tegenstelling tot wat men ons wil laten geloven, is de eurocrisis niet zozeer een probleem van een te hoog overheidstekort of te grote staatschuld, dan wel de vrees van de schuldeisers (speculanten= de ‘financiële markten’ genoemd) dat die schulden niet zouden kunnen terugbetaald worden. Daarom ook dat België, (wegens zijn beperkt begrotingstekort en hoog gezamenlijk individueel financieel vermogen, ondanks zijn hoge staatschuld en zijn weigering om de index af te schaffen en daardoor veel meer en sneller te besparen, toch een groot vertrouwen van de financiële markten blijft genieten.

 

In ons 'staatshuishouden' spenderen wij op dit ogenblik bijna 20% van onze staatsinkomsten aan  onze gepensioneerden, en 17% als toelagen voor werklozen, loopbaanonderbreking, en kinderbijslag. Daarenboven gebruiken wij nog eens om en bij de  15% van ons gezamenlijk inkomen om bij te passen voor ieders gezondheidszorg. De sociale zekerheid alleen slokt dus al meer dan 50% van ons gezamenlijk individueel inkomen op.  

Vraag is, of de bijna 5% (8 miljard) aan allerleihttp://2.bp.blogspot.com/_OewcunD9tDY/TN7y-i2hC7I/AAAAAAAAAHE/R31qcWuxw7E/s1600/subsidie.gif subsidieringen aan bedrijven, particulieren en verenigingen, de 3% (6 miljard)aan overheidsinvesteringen, en de 8% (13 miljard) aan allerlei aankopen van goederen zo verantwoord en transparant zijn als het zou moeten, en de bijna 27% (44 miljard aan ambtenarenloon (administratie, onderwijs politie en leger) al dan niet wat overdreven zijn voor dit klein landje.

Al met al kan men stellen dat, behalve  de 8% (13 miljard) die wij jaarlijks aan renten voor onze gemeenschappelijke schuld dienen te betalen, vrijwel alle belastingen en bijdragen die wij aan de gemeenschap afstaan, rechtstreek of onrechtstreeks naar ons terugvloeien, hetzij individueel, hetzij via rechtstreekse of onrechtstreekse dienstverlening en openbare nutsvoorzieningen.

Dat, al naar gelang de persoonlijke situatie, de ene al dan niet, meer of minder dan de andere,  daarvan geniet, en gebruik, dan wel misbruik van maakt, zal een blijvende bron van wrevel, nijd en jaloezie blijven.

Zowel de financiële als de sociale fraude tiert welig in dit door hebzucht beheerste kapitalistisch systeem; En dit in àlle lagen van de bevolking, waar grotendeels  iedereen, al naar gelang de mogelijkheden waarover men beschikt, zijn ‘graantje’ tracht mee te pikken. Maar die mogelijkheden, die evenredig groot zijn al naargelang de hoogte waar men zich op de sociale ladder bevindt, rechtvaardigen eveneens het omgekeerd evenredig onrechtvaardigheidsgevoel.

Wij, als Belgische (of voor de ‘De Weversen’, nog meer als Vlaamse) gemeenschap zijn dus wel degelijk welstellend met ons batig globaal (som van alle individuele financiële vermogens) financieel  vermogenssaldo van 371 miljard euro. Spijtig genoeg is het grootste deel van de totale 706 miljard in handen van 10% rijke Belgen, terwijl 15% van hun landgenoten daar geen eurocent van bezit. Met een vermogensbelasting van  1% zou men de volledige rente van onze schuld kunnen voldoen, en aldus een uniek begrotingsoverschot van 4% kunnen boeken.

Dat de oplossing voor de crisis niet ligt  in het drastischhttp://www.pvdashop.be/media/catalog/product/cache/1/image/9df78eab33525d08d6e5fb8d27136e95/f/i/file_936.jpg besparen, verminderen van de koopkracht en dus het stilleggen van de economische groei, wordt in Griekenland, Portugal, Spanje en Italië bewezen. Behalve dat steeds meer economen daar van overtuigd raken, is het feit dat de Europese vazallen van het grootkapitaal daar niet willen van horen, wellicht de beste aanwijzing dat daarentegen het (meer) belasten van de kapitaalkrachtigen, dat wel is.

 Al was het maar om de ethische grond, dat zij hun vermogen grotendeels hebben kunnen opbouwen door de belastingen van de loontrekkenden en de aangroei van de gemeenschapschuld  .

Renaat van Poelvoorde

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Renaat om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Gemeenschapschuld en de globale individuele

http://www.vlaamsbelang.org/fotos/20090730geld.jpg

Ons land heeft een ‘overheidschuld’, dat is de schuld die wij als gemeenschap hebben tegenover binnenlandse en buitenlandse particulieren, banken en andere financiële maatschappijen, van om en bij de 335 miljard euro. Aangezien wij op dit ogenblik met zijn allen samen, particulieren en bedrijven, 343 miljard euro verdienen, bedraagt ‘onze’ huidige schuld zowat 97.6% van ons totale gemeenschappelijk inkomen.

Dat dit niet bepaald een angstwekkend probleem hoeft te zijn, wordt aangetoond door de vergelijking te maken met een doorsnee financiële gezinsboekhouding: Menig middenklassegezin met bvb een netto jaarinkomen van ongeveer 50.000 euro heeft een schuldenlast van om en bij de 200.000 euro, of meer (hypotheeklening). Dat is 400% van hun jaarinkomen.

Maar in veel gevallen hebben dergelijke gezinnen ook aardig wat spaargeld, aandelen en obligaties, en/of hebben zij dat in de vorm van (te verwachten) erfenissen in het vooruitzicht. Dikwijls bedraagt daardoor het totale financieel vermogen van het gezin meer dan de effectieve schuld, en is er dus eigenlijk niets aan de hand.

Zo ook is dat eigenlijk het geval voor de Belgische gemeenschap, waar het totale individuele spaar- aandelen- en obligatievermogen (706 miljard) meer dan het dubbele van de gezamenlijke schuld (335 miljard) bedraagt. Strikt genomen is er dus als samenleving per saldo geen echte schuld, maar daarentegen een spaaroverschot van 371 miljard. M.a.w. Theoretisch zou men dus de totale staatschuld (de schuld van ons allen als gemeenschap) in één ruk kunnen afbetalen, en daardoor zonder enige verdere bezuiniging een begrotingoverschot van 4% kunnen boeken, ware het niet dat wij, de kapitalistische liberale ideologie getrouw, van oordeel zijn geen enkel deel te hebben aan de schuld van 'de staat'.

Als wij, zoals het goede burgers zou passen, België als één groot gezin zouden beschouwen, waar wij elk weliswaar ons eigen inkomen hebben, al dan niet ‘buitenhuis’ verdiend (loon) of via ‘zakgeld’(uitkering) uit de ‘gezinspot’ verkregen, zouden wij, rekening houdend met onze individuele en gemeenschappelijke bezittingen, inkomens, en schulden, een rijk en welvarend gezin zijn.

Maar gemakshalve vergeten wij, als individuele eigenaars van ons deel in de 706 miljard, dat wij dat kapitaal grotendeels dank zij de uitgaven en investeringen van de gemeenschap (staat) hebben kunnen verdienen of bekomen. Juist zoals de schulden die wij als gemeenschap (de staat) hebben opgestapeld, grotendeels te wijten zijn aan voornoemde uitgaven en investeringen.

In tegenstelling tot wat men ons wil laten geloven, is de eurocrisis niet zozeer een probleem van een te hoog overheidstekort of te grote staatschuld, dan wel de vrees van de schuldeisers (speculanten= de ‘financiële markten’ genoemd) dat die schulden niet zouden kunnen terugbetaald worden. Daarom ook dat België, (wegens zijn beperkt begrotingstekort en hoog gezamenlijk individueel financieel vermogen, ondanks zijn hoge staatschuld en zijn weigering om de index af te schaffen en daardoor veel meer en sneller te besparen, toch een groot vertrouwen van de financiële markten blijft genieten.

In ons 'staatshuishouden' spenderen wij op dit ogenblik bijna 20% van onze staatsinkomsten aan onze gepensioneerden, en 17% als toelagen voor werklozen, loopbaanonderbreking, en kinderbijslag. Daarenboven gebruiken wij nog eens om en bij de 15% van ons gezamenlijk inkomen om bij te passen voor ieders gezondheidszorg. De sociale zekerheid alleen slokt dus al meer dan 50% van ons gezamenlijk individueel inkomen op.

Vraag is, of de bijna 5% (8 miljard) aan allerlei subsidieringen aan bedrijven, particulieren en verenigingen, de 3% (6 miljard)aan overheidsinvesteringen, en de 8% (13 miljard) aan allerlei aankopen van goederen zo verantwoord en transparant zijn als het zou moeten, en de bijna 27% (44 miljard aan ambtenarenloon (administratie, onderwijs politie en leger) al dan niet wat overdreven zijn voor dit klein landje.

Al met al kan men stellen dat, behalve de 8% (13 miljard) die wij jaarlijks aan renten voor onze gemeenschappelijke schuld dienen te betalen, vrijwel alle belastingen en bijdragen die wij aan de gemeenschap afstaan, rechtstreek of onrechtstreeks naar ons terugvloeien, hetzij individueel, hetzij via rechtstreekse of onrechtstreekse dienstverlening en openbare nutsvoorzieningen.

Dat, al naar gelang de persoonlijke situatie, de ene al dan niet, meer of minder dan de andere, daarvan geniet, en gebruik, dan wel misbruik van maakt, zal een blijvende bron van wrevel, nijd en jaloezie blijven.

Zowel de financiële als de sociale fraude tiert welig in dit door hebzucht beheerste kapitalistisch systeem; En dit in àlle lagen van de bevolking, waar grotendeels iedereen, al naar gelang de mogelijkheden waarover men beschikt, zijn ‘graantje’ tracht mee te pikken. Maar die mogelijkheden, die evenredig groot zijn al naargelang de hoogte waar men zich op de sociale ladder bevindt, rechtvaardigen eveneens het omgekeerd evenredig onrechtvaardigheidsgevoel.

Wij, als Belgische (of voor de ‘De Weversen’, nog meer als Vlaamse) gemeenschap zijn dus wel degelijk welstellend met ons batig globaal (som van alle individuele financiële vermogens) financieel vermogenssaldo van 371 miljard euro. Spijtig genoeg is het grootste deel van de totale 706 miljard in handen van 10% rijke Belgen, terwijl 15% van hun landgenoten daar geen eurocent van bezit. Met een vermogensbelasting van 1% zou men de volledige rente van onze schuld kunnen voldoen, en aldus een uniek begrotingsoverschot van 4% kunnen boeken.

Dat de oplossing voor de crisis niet ligt in het drastisch besparen, verminderen van de koopkracht en dus het stilleggen van de economische groei, wordt in Griekenland, Portugal, Spanje en Italië bewezen. Behalve dat steeds meer economen daar van overtuigd raken, is het feit dat de Europese vazallen van het grootkapitaal daar niet willen van horen, wellicht de beste aanwijzing dat daarentegen het (meer) belasten van de kapitaalkrachtigen, dat wel is.

Al was het maar om de ethische grond, dat zij hun vermogen grotendeels hebben kunnen opbouwen door de belastingen van de loontrekkenden en de aangroei van de gemeenschapschuld .


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Renaat om 10:49 Reageer op dit bericht Stuur door

De gedachtenloosheid van de traditionele politieke partijen

Er was een tijd dat 'het volk' zich bij verkiezingen kon uitspreken. Over wat, was toen ook al niet zo eenduidig, maar uit de verkiezingsuitslag kon men toch enigszins opmaken hoe de machtsverhoudingen tussen links, rechts, en het centrum was.
Socialisten waren in die tijd nog 'links', of beter gezegd, links van het centrum. In tegenstelling tot de communisten bestreden zij niet (meer) het kapitalistische op zich, maar streefden binnen het systeem naar een rechtvaardige sociale bescherming voor minder bedeelden en voldoende welvaart voor arbeiders en bedienden.

In het centrum, huisde de Christelijke volkspartij, met een centrumlinkse vleugel, (Christelijke arbeidersbeweging) en een centrumrechtse vleugel (Christelijke boeren, -middenstand, -vrije beroepen en -patroons)

En rechts van dat centrum zorgde een liberale partij voor de belangenbehartiging van Industriëlen, niet Christelijke middenstanders, -vrije beroepen, -renteniers,- herenboeren en de zichzelf hoger schattende deel van bedienden.

Van twee verschillende (taal-) culturen en politieke zeden was toentertijd nog geen sprake, al waren Waalse socialisten toch ietwat 'linkser' en heviger dan hun Vlaamse broeders, de Waalse Christendemocraten toch meestal van 'betere comaf' dan gun Vlaamse geestesgenoten, en bewoonden Waalse liberalen in grotere getale meer 'Chateau-achtige' optrekjes dan hun Vlaamse logebroeders.

Socialisten verdedigden de belangen der armen, werklozen, arbeiders en lagere bedienden. Liberalen bedienden de kapitaalkrachtigen die de arbeiders en bedienden tewerkstelden, alsook deze die 'het volk' voorzagen van brood, vlees, kleding, en allerlei diensten. En De 'centrumpartij' trachtte, haar Bijbelse principes getrouw, er voor te zorgen dat 'de keizer kreeg wat de keizer toekwam', en er tegelijkertijd voldoende kruimels van zijn rijkgevulde tafel vielen om zijn onderhorigen net voldoende energie te bezorgen opdat zij zijn tafel tijdig zouden aanvullen, en liefst nog wat zou uitbreiden.

Alles was dus vrij duidelijk en geordend geregeld, tot niet alleen de 'verworpenen der aarde', maar ook 'de Vlaming' ontwaakte, en ook hij zijn ontvoogding op ging opeisen. Nog erger werd het, als diezelfde Vlaming zijn 'heir' zag wankelen door de aanzwellende intocht van nazaten van de Moren, muzelmannen en de Hunnen. Tussendoor was het menigeen opgevallen dat niet alleen onze fauna maar eveneens onze flora stilaan verdween en zowel onze natuurlijke als onnatuurlijke uitwasemingen wel eens onze adem zouden kunnen doen stokken.

Als gevolg daarvan creëerden in de loop van de tweede helft van de twintigste eeuw meerdere verschillende belangengroepen hen eigen politieke vertegenwoordiging. Dus kreeg elke taalgroep zijn linkse- rechtse- en centrumpartij, ontstonden taalgebonden (rechtse) nationalistische, en (linkse) milieupartijen. Door de constant groeiende middenklasse zagen zowel socialisten als liberalen zich ondertussen genoodzaakt om zich steeds dichter bij het centrum te nestelen, en transformeerden noodgedwongen tot centrumlinkse, en centrumrechtse partijen, wat dan logischerwijs het ontstaan van verschillende min of meer radicale linkse en rechtse splinterpartijen als gevolg had..

Zowel Vlaamse als Waalse Belgen zitten vandaag opgescheept met een politiek landschap dat, behalve bij de min of meer extreme partijtjes (welke vooralsnog de kiesdrempel niet halen), met uitzondering van het Vlaams Belang, FDF, en de groene partijen, de begrippen 'links' en 'rechts' niet echt meer naar hun oorspronkelijke waarde weet te schatten.

Vrijwel alle partijen, groenen en N-VA incluis, beweren bij hoog en bij laag dat zijn voor ALLE lagen (standen) van de bevolking opkomen. Een bewering die gezien de grote tegenstellingen van belangen der verschillende maatschappelijke klassen op zijn zachts gezegd eerder volksverlakkend is te noemen.

Want, zowel socialisten als liberalen belijden hoogstens nog binnenkamers hun oorspronkelijk gedachtegoed. En bij de klassieke centrumpartij zijn de 'christelijke waarden' voor zover ze dat al niet waren, bijzonder vaag geworden. Hun respectievelijke partijprogramma's zijn in hun oppervlakkige hoofdlijnen dan ook voor vrijwel iedereen aanvaardbaar.; Vooral omdat wegens hun inhoudelijk zodanige nuanceerbaarheid, dat zij de toets van een zesde studiejaar-opstel moeilijk zouden doorstaan.

Zoals in het Duitsland van na de eerste wereldoorlog, door de futloosheid en electorale 'shopping' van klassiek links en rechts, de demagogie voluit alle kansen kreeg, met het gekende gevolg, zo ook profiteren volksverlakkers zoals Bart De Wever en zelfs Wilfried Peters, van de teloorgang van het 'luister naar mijn woorden maar kijk niet naar mijn daden'-gedoe' van het salonsocialisme en het sociaalliberalisme.

De 'inbedding' van het socialisme in het kapitalistisch systeem, heeft meegeholpen door de vrees voor van het dreigende Oostblokcommunisme,naar het einde toe van de vorige eeuw, in West-Europa en deels in Noord-Amerika, voor het grootste deel van de bevolking een zekere mate van welvaart gebracht. Vandaag is die inbedding, door toedoen van de aanhoudende financiële en economische crisis, totaal krachteloos geworden en kan men niet omheen de vaststelling dat dit sociaaleconomisch systeem geen verdere toekomst meer heeft.

Of het omgekeerde experiment, welke China aan het uitproberen is: het kapitalisme inbedden in een socialistisch systeem, daar een alternatief voor is, moet nog blijken. De vaststelling dat dit evenmin een antwoord geeft op milieu- grondstoffen- en de financieel systeem problematiek, laat staan dat het een oplossing biedt aan het wereldwijd stilgezwegen overbevolkingprobleem, stemt het weinig hoopvol.

Zowel het Christelijke, liberale, humanistische, kapitalistische, als het socialistische of ecologische gedachtengoed, is hol en inhoudsloos als het zich beperkt tot begrippen die zij gemeenschappelijk delen en het enkel de (onuitgesproken) interpretatie is welke inhoudelijk het onderscheidt uitmaakt.


Maar hoe dan ook, voor welk sociaaleconomisch systeem een politieke partij ook moge gaan, een herbronning en vooral begrijpbare, niet mis te verstane verduidelijking van het betreffende gedachtegoed is een noodzaak opdat wij ten minste zouden weten waarvoor wij kiezen...


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Renaat om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Karl Marx in de eenentwintigste eeuw

Marxisme, Leninisme, Communisme, Socialisme...over hun oorsprong, leer, doelstelling, ontwikkeling en uitwerking zijn uitvoerige werken geschreven, en aardig wat uiteenlopende theorieën verkondigd.

Nochtans zijn de beginselen van het marxisme, het enige daadwerkelijke socialisme, heel eenvoudig. Zij werden o.a. voor iedereen begrijpbaar samengevat in het "Charter van Quaregnon", aangenomen op15 juli 1894 tijdens het buitengewoon congres van de 'Belgische Werkliedenpartij'.

Daarin werd gesteld dat Alle rijkdommen en hun voortbrengselen, zowel in het verleden als in het heden, ontstaan en voortgebracht, ofwel natuurlijke bestanddelen ofwel de vruchten zijn van hand- of hoofdarbeid van de geslachten, en beschouwd dienden te worden als het gemeenschappelijk erfgoed van het mensdom.

Verder leest men er in dat Individuele personen of groeperingen van personen enkel rechtmatig over enig erfgoed konden beschikken, voor zover dat het maatschappelijk nut diende en het doel had om zoveel mogelijk vrijheid en welzijn voor de gemeenschap te verschaffen.

Volgens het Charter hield de eerder vermelde doelstelling de verdwijning van het kapitalistisch stelsel in, alsook de hervorming van de bestaande maatschappij welke, in tegenstelling tot het kapitalisme niet uitsluitend ten voordele van een één of meer bepaalde groepen, landen, of volkeren zijn, maar van de gehele mensheid.

Om de doelstelling: het vrij en kosteloos gebruik van alle voortbrengselen van natuur en arbeid, te verwezenlijken, werd de vorming van een collectivistisch stelsel noodzakelijk geacht.

In wezen bevatten de vorige alinea's de hoofdlijnen van wat de Marx en Engels voor ogen hadden. Een basistheorie waar menig hedendaags, zelfs linkse proletariër even van terugschrikt. Want laten wij eerlijk zijn, de naoorlogse generaties zijn zodanig geïndoctrineerd van het bezits- en streversideaal dat men enkel als wereldvreemde simplistische utopist nog enige hoop kan hebben op een eenentwintigeeuwse aanvaarding van deze theorie.

De sociaaldemocratie, de gedegenereerde, de in de tijd steeds 'zieker' geworden nakomeling van het door Marx geïnspireerde socialisme, blijft, tegen beter weten in, vasthouden en geloven in een sociaal bijgestuurd kapitalisme. Een systeem dat, vooral in Noordwest Europa, na de tweede wereldoorlog, tot halfweg de jaren zeventig van vorige eeuw, mede door de geloofwaardige 'bedreiging' van het communistische Oostblok, de 'arbeidersstand' tot een zekere mate van welvaart kon verheffen.

Sinds het 'wegvallen' van die dreiging, tegelijkertijd ook aanzien als een overwinning van het kapitalistisch systeem, is de kracht van de sociale bijsturing stelselmatig verminderd, en is zowel de macht als de verrijking van de economische en financiële elite zodanig explosief toegenomen dat het systeem zelf uit zijn voegen barst.

Bij elke, steeds frequenter voorkomende economische depressie, blijkt steeds opnieuw dat niet de meest welstellenden, maar juist de mindergegoeden en lagere middenklasse het gelag moeten betalen, dat alles onder het lijdzaam toezien, en zelfs met medewerking van de ondertussen tot links-liberalen verworden sociaaldemocraten.

Zoals op het einde van de negentiende eeuw de 'verworpenen der aarde' tot ontwaken werden opgeroepen, zo zouden nu, meer dan een eeuw later, de 'bedrogenen van het kapitalistische sociaal liberalisme' moeten opstaan en zich verenigen. Niet om zoals hun voorgangers in 1894 vruchteloos hebben getracht, de kapitalistische draak te bestrijden, want daarvoor is het te sterk, maar om het te isoleren en via coöperatieve onderlinge samenwerking zijn overvloed aan voedingsbronnen in te perken.

Zoals massale en technisch perfect uitgeruste, maar lompe legerovermachten niets vermogen tegen de guerrillatechnieken van eenvoudig bewapende, maar bijzonder beweeglijke milities, kan misschien ook de almacht van het kapitaal en de massale aanbidding van het gouden kalf, verzwakt worden als een steeds groter aanzwellend deel van de burgers het alternatief van de coöperatieve economie daar tegenover stellen.

Enkel wie niets of weinig heeft, en daardoor uitzicht kan hebben op voldoende, is bereid daarvoor te strijden, omdat hij weinig of niets daarbij te verliezen heeft. Wie reeds meer dan voldoende heeft schaart zich voorlopig in min of meerder mate bij diegenen die te bestrijden zijn, vooral omdat zij zich door hun 'leenheren' laten voorhouden dat zij recht en uitzicht hebben op nóg meer.

Vooral om die reden ziet het er dus naar uit dat ook het eenentwintigeeuwse Marxisme, zoals zijn negentiende-eeuwse voorganger, enkel kan ontkiemen als een meerderheid van het 'volk' zich ervan bewust is geworden dat het behoort tot de 'bedrogenen'.

In afwachting van de noodzakelijke ommekeer kan de guerrillastrijd van de' coöperatisten' voor de huidige minderheid misschien voor enig soelaas zorgen...

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Renaat om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

De machteloosheid van het soevereine volk

'Europa' is vandaag de dag een ver van vertrouwenwekkend begrip. Steeds meer lidstaten van deze eens zo verwachtingsvolle unie zakken weg in een recessie. Een toestand die door de Duitse vrouwelijke wolf in schaapskleren gehulde bondskanselier Merkel, en de Franse slangenbewerende president opgedrongen besparingen, alleen maar verergerd wordt.

Economen waaronder Stiglitz en Krugman, niet de minste dus, verwittigen dat zulke besparingen geenszins effectief tot de schuldaflossing van een land leiden, maar dat steeds meer besparen uiteindelijk tot steeds meer lenen leidt met het faillissement als eindresultaat.

Misschien moeten wij ons eens afvragen of het wel zo'n goed idee was om steeds meer nationale politieke macht over te dragen naar het Europese niveau, en daardoor de Europese burgers steeds minder zeggenschap te geven over hun toekomst.

Onze gelatenheid waarmee wij naar de steeds dramatischer toestand van de gewone Griek kijken, en ons apathisch reageren op de dictatoriale greep van de zogenaamde 'financiële markten' op de Europese politieke macht, toont aan hoe slecht het is gesteld met de 'soevereine macht' van de burgers, grondwettelijk verleend aan de volken van de onderscheiden lidstaten.

Hoe democratisch is een Europa als belangrijke beslissingen afgedwongen worden door ratingbureaus, beursspeculanten, en de grootste bank van de VSA (Goldman Sachs)? Hoe 'democratisch' is een Europees parlement met politieke fracties, elk bestaande uit 27 verschillende, zogenaamde 'gelijkgezinde' politieke partijen die inhoudelijk enkel hun eigen nationaal partijbelang dienen? Hoe 'volksvertegenwoordigend' zijn de 736 parlementsleden die dagelijks door meer dan 3000 lobbyisten uit de financiële en economische wereld onder druk worden gezet om deze of gene wetsbepaling in te dienen, dan wel tegen te houden?

Met het recent goedgekeurde 'sixpack' worden de lidstaten verplicht zich te schikken naar de zuiver kapitalistische ideologie. Deze stelt dat enkel de regels van van de vrije markt mogen en moeten gelden, zowel op financieel- ,economisch-, als op politiek gebied, waardoor elk politiek debat daarbij bij voorbaat waardeloos is.

Dergelijke regelgevingen leiden geenszins tot een betere democratie, of meer economische groei, maar bevoordelen vooral diegenen die, zelfs bij een economische recessie, daar wel bij varen: een kleine financiële elite. Het fameuze"ene procent".

De bezuinigingsgolven in Griekenland, Portugal, Spanje, en Italië zijn de uitwerking van deze opgelegde ideologie: Een permanente overdracht van wie weinig heeft (lage loonwerkers, werklozen, gepensioneerden...), aan wie al het meeste heeft (rijke reders, industriëlen en bankiers bijvoorbeeld, blijven buiten schot). Het omgekeerde van sociale herverdeling, dus.

In de voornoemde landen, feitelijk zo goed als onder curatele gesteld van kapitalistisch Europa, zijn de burgers vrijwel alle democratische zeggenschap kwijt. Meer nog: Men doet helemaal geen moeite meer om te verhullen wie de touwtjes van de Europese politiek in handen heeft': In Griekenland en Italië zijn de huidige, door Europa opgedrongen eerste ministers... ex-werknemers van 's wereld grootste investeringsbank: Goldman Sachs.

Bij gebrek aan enig protest dienaangaande gaan de nationale politici niet vrijuit. Zij zijn dus medeplichtig aan het verkwanselen van de soevereine macht van het volk.

Ondertussen doen die zelfde politic hun best om hun 'kiespubliek' van het tegendeel te overtuigen. Niet door argumentatie, maar door in te spelen op de individualistische, hebzuchtige aard van de mens. De aloude 'verdeel en heers'-middelen zijn meer dan ooit in trek en bewijzen hun doelmatigheid. Door de ongelijke verdeling van macht, geld, bezit en arbeid, waardoor de ongelijkwaardigheid wordt in stand gehouden, stimuleert men een niet aflatende strijd tussen de sterken en de zwakken, de werk-hebbenden en de werklozen, de gezonden en de zieken, de jongeren en de ouderen.

En terwijl, als gevolg van die onderlinge individuele- en groepstrijd, de massa zich afzet tegen de voor hen onoverzichtelijke politieke klasse, sluist deze, onder druk van de financiële en economische wereldelite, steeds meer nationale macht naar de Europese en financiële wereldinstellingen (IMF) welke door de voornoemde elite beheerst wordt.

Door centralisering van de macht over landen met totaal uit elkaar lopende politieke- sociaal- en economische culturen heeft men de democratie zodanig uitgehold dat zij grotendeels onder invloed is gekomen van het kapitalistisch despotisme.

De geschiedenis leert dat centralisatie van macht op termijn dictatoriale neigingen genereert en uiteindelijk geen democratie tolereert. Het valt te vrezen dat de 'Europese droom' daar geen uitzondering zal worden.

Ontwaakt...ingedommelden van Europa...

Renaat van Poelvoorde

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Renaat om 11:31 Reageer op dit bericht Stuur door

Het hypocriet, discriminerend, en groepsindividualistisch 'nationaal medeleven'

Deze week komt, met het ter aarde bestellen van de slachtoffers van het busongeval in Zwitserland,(hopelijk) een einde aan het door de media schandalige commercieel uitgebuit ramptoerisme. Wat het dagenlang volledig in beslag nemen van alle radio- en TV nieuws- actualiteit- duiding- gesprek- en discussieprogramma's, laat staan de, uitgezonderd voetbalpagina's, vrijwel heel de krantenpagina's vullende fotoreportages te maken hebben met 'medeleven', is voor zowel mijn verstandelijke als emotionele beperkte intelligentie moeilijk vatbaar. 

Op het avondnieuws van vorige dinsdag werd bericht over Bangladesh waar als gevolg van een aanvaring een veerboot was gezonken, waardoor 110, zowel volwassenen als kinderen verdronken. Meer dan een vluchtige vermelding, zowel in TV- als radiojournaals, en een verloren berichtje op kantenbinnenpagina's, vonden de nieuwsredacteurs, gezien de afstand, nationaliteit, en sociale status van de slachtoffers, dat blijkbaar niet waard. Door het feit dat even later het bericht van het Zwitserse busongeval binnenliep, en rampen met 'eigen volk' uiteraard heel wat meer luisteraars, kijkers, en lezers interesseren, werden trouwens alle andere  persagentschaptelexen tot 'minder belangrijk' gedegradeerd en naar de prullenmand verwezen.

In opdracht van "de vierde macht" (de media) moest en zou het individuele groot verdriet van de nabestaanden collectief gedeeld worden. Alle binnenlandse en buitenlandse problemen en gebeurtenissen, van om het even welk sociaal belang, dienden, althans voor de eerstvolgende dagen, als totaal irrelevant en onbelangrijk, of als 'niet gebeurd' te worden beschouwd.. Elke nieuwsuitzending, elk actualiteit- duiding- discussie- en praatprogramma, moest en zou de ramptoeristisch verlekkerde Vlaamse kijker tot vervelens toe overdonderen met dezelfde beelden, filmpjes, berichten van 'reporters ter plaatse', interviews en commentaren met, van en over ouders, familie, leeraars, schooldirecteurs, psychologen, psychiaters, dokters, hulpverleners, autocarbestuurders, verkeerspecialisten, politiediensten,  burgemeesters en ministers. Zowel het federaal als het Vlaams parlement moest haar werkzaamheden opschorten, en zelfs de uitzending van het snertprogramma 'De Voice van Vlaanderen' diende te worden verschoven naar het einde van de week, omdat men veronderstelde dat het 'nieuwsitem' tegen die tijd wel enigszins zou 'uitgemolken' zijn, en het collectief verdriet terug wel wat entertainment verdiende.

Uiteraard is het erg, heel erg, je kind, ouders, broer of zuster te verliezen. Uiteraard is het schokkend, als vrienden, en zelfs gewoon bekenden je plotseling ontvallen. Iedereen van mijn leeftijdscategorie is op één of ander manier daaromtrent 'ervaringsdeskundige en weet dat men het echte verdriet om het verlies van een geliefde enkel kan verwerken in zichzelf, en zo nodig gevonden, gesteund door zelf gekozenen uit zijn omgeving. Interesse, en  het eerder viraal' medeleven van anderen is daarbij, zo niet storend, dan toch volstrekt overbodig.

Bovendien zie ik niet in of de getroffenen er beter of slechter aan toe zijn als, behalve zijzelf, ook nog anderen op hetzelfde ogenblik hetzelfde meemaken, laat staan dat hun mate van verlies en verdriet evenredig zou stijgen al naar gelang het aantal getroffenen.

Tot slot nog even volgende bedenking meegeven:  Het feit dat elke dag een paar duizend kilometer van ons verwijderd, gemiddeld 35.000 ouders hun kind door hongerdood zien sterven, en dàt ons geen moer beroert, toont aan hoe (voor velen onbewust) hypocriet en discriminerend en groepsindividualistisch onze 'nationale condoleantie' wel is...

 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Renaat om 00:00 Reageer op dit bericht Stuur door

Hoe concurrentie zowel rijkdom als armpoede genereert

'Concurrentie' is een min of meer modern woord voor de in oorsprong 'drang om te overleven'. Reeds in de oertijden waren samenlevingseenheden (gezinnen, stammen) steeds met elkaar in strijd om het behoud of verovering van 'vruchtbare gronden' met bijhorende, als voedsel fungerende, fauna en flora .

Hoe groter het bevolkingsaantal binnen de samenlevingsvormen werd, hoe meer daarin levende sub-samenlevingsvorman ontstonden die onderling in concurrentie gingen. De 'pikorde' binnen die samenlevingen werd grotendeels bepaald door de individuele en/of groeps- fysieke sterkte .

Naargelang in de loop van de geschiedenis de samenlevingsvormen evolueerden naar gestructureerde maatschappijen, geregeld door al dan niet democratisch tot stand gekomen wetten en regels, werd de fysieke kracht verdrongen door de verworven sociale status binnen de samenleving, hetzij door afkomst, bezit, en aanzien, hetzij door een combinatie daarvan.

De eeuwenoude klassenmaatschappij, waar in oorsprong de edelen zich verrijkten via het werk van lijfeigenen of slaven, welke zij ter compensatie in leven hielden, evolueerde vanaf de 18de eeuw tot de basisvorm van het kapitalisme van, door en voor de al dan niet uit de adel stammende fabriekseigenaars en herenboeren, 'gezoogd' door een onderbetaalde, grotendeels in armoede levende arbeidersklasse en landbouwpachters.

Vanaf het einde van de 19de eeuw tot in de tweede helft van de 20ste eeuw zorgde de arbeidersstrijd, na de tweede wereldoorlog vooral in West-Europa daarbij gesteund door de angst voor het communisme, voor de creatie van 'welvaartstaten' , in het ene land al meer dan in het andere, met een min of meer doeltreffende sociale zekerheid welke de "uit de boot-vallenden" tegen al te grote armoede moesten beschermen.

Waar de de socialistische experimenten in Oost Europa en Azië, in oorsprong het door K.Marx uitgewerkte gelijkwaardigheidbeginsel trachtte na te streven, paste in West-Europa het aloude adellijk kapitalisme zich noodzakelijkerwijs aan aan een 'loon naar werken' -systeem.


In feiten is, de sociaaldemocratie en de sociaal gestuurde economie een compromis tussen het kapitalisme en het zuiver socialisme. Tot kort na de tweede wereldoorlog werd de maatschappij gevormd door -een 'leidende' klasse van 'rijken, -een 'middenstand' van zelfstandige en vrije beroepen, en notabelen die enig aanzien genoten en zich al wat extra's konden veroorloven, -een arbeidersklasse die ondanks zes, twaalf uur durende werkdagen, in relatieve armoede leefden, en ten slotte -de werkelijke armenklasse.

Dat aloude sociale klassensysteem bestaat vandaag ook in Europa en Noord-Amerika nog steeds, al is het dan in licht gewijzigde vorm . Behalve de leidende klasse van rijken, en de (weliswaar niet meer hongerlijdende) armen, is er een grote middenklasse met nogal sterk uiteenlopende inkomens en belangen ontstaan, waartoe zich niet enkel de oorspronkelijke middenstanders en hogere kaders, maar ook het grootste deel van de 'werknemersklasse' zich toe rekent.

Vraag blijft hoe het komt dat, ondanks een relatief goed sociaal systeem in de meeste West-Europese landen, deze elk toch gemiddeld tussen de 10-15% onder de armoedegrens levende burgers tellen, en in de rest van de wereld, vooral in Afrika en zuid Amerika, ondanks alle Uno- en NGO-acties, men de armoede en ellende, grotendeels ontstaan na de kolonisatieperiode, al die tijd niet noemenswaardig heeft weten terug te dringen.

Voor zover hen die vraag wordt gesteld, blijven de verantwoordelijke politieke natie- en wereldleiders meestal het antwoord schuldig. In plaats van daar een gemotiveerd antwoord op te geven, beperken zij zich hoogstens tot vrijblijvende verontschuldigingen, aangevuld met het gebruikelijk aanwijzen van de bijbehorende 'zondebokken'

Mijn inzien begrijpelijk, gezien men steevast blijft uitgaan van het kapitalistisch vrije-marktmodel, met zijn prestatie- en concurrentiestrijd en de fetisj van de ongebreidelde productie- consumptie- en winstgroei.

De zo geroemde "vrije-markt" is is niets meer of minder dan een beschaafde(?) kopie van het oeroude jungleprincipe: Wie het sterkt of het slimst is, of een combinatie van beide, rijft zo niet de gehele, dan toch het grootste stuk van de buit binnen. De fysisch- of verstandelijk zwakkeren, het kleinste of zelfs helemaal niets.

Maar in tegenstelling met de junglewet, waar de 'overwinnaar' het teveel aan buit meestal achterlaat, waardoor de 'overwonnenen' dikwijls toch nog een deel van 'de koek' kregen, vereist het vrije- marktprincipe en de 'winstmaximalisatie' dat ook het directe overtollig gewin door de winnaar wordt ingepalmd, waardoor de 'chronisch overwonnenen' een onherroepelijke dood (faillissement) tegemoet zien.

Hoe dan ook heeft de sociaal democratie, vooral in het naoorlogse West-Europa, mede door de druk van het dreigende communisme, daar enige correctie weten in aan te brengen. Via allerlei sociale bijdragen en belastingen werden de winnaars (met wisselend succes) al dan niet uit eigenbelang gedwongen een klein deel van hun overtollige 'buit' af te staan aan de gemeenschap, welke die pleegt aan te wenden voor gemeenschappelijke voorzieningen en ondersteuning van de zwakke 'overwonnenen'.

Reeds eeuwen voorziet deze aarde, mede geholpen door de vindingrijkheid van de mens, voorlopig nog over voldoende grondstoffen, opbrengsten en middelen om wereldwijd ALLE mensen een menswaardig bestaan met stijgende welvaart en welzijn te verstrekken.

De hebzucht van 'de sterksten', daarin lijdzaam gevolgd door hun 'onderhorigen' hebben er echter steeds voor gezorgd dat een kleine groep van de wereldbevolking het overgrote deel van alle grondstoffen en hun opbrengsten in handen hebben. Daar waar nodig voor het handhaven van het kapitalistisch systeem, is er een middengroep van 'gemiddeld sterken' gecreëerd met een relatieve welstand, welke deskundig gemanipuleerd wordt om de machtspositie van de financieel-economische elite te consolideren.

Ondertussen blijft wereldwijd het groot deel van de mensheid, welke, al naargelang de gemiddelde welvaart van het land onveranderlijk in armoede leven. (spijts alle inspanningen en goede voornemens van Uno-organisaties)

Maar, zolang men het zowel het individuele- als groepsprestatie- en concurrentiebeginsel niet afzweert, zal rijkdom armoede genereren en omgekeerd armoede de rijkdom blijven 'zogen'. Zolang men waarde van iemand, afhankelijk maakt van zijn afkomst, maatschappelijke positie, functie, en/of diploma, en men de waardering van de geleverde prestatie daar afhankelijk van maakt, is spreken over rechtvaardigheid, niets meer dan hypocriete volksverlakkerij.

Niet het onnatuurlijke 'gelijkheidsbeginsel', waar men wegens zijn onbereikbaarheid het gemakshalve maar al te vaak over heeft, maar de "gelijkwaardigheid" van alle mensen en beroepen, zou het eikpunt moeten zijn waar zowel natie- als wereldleiders hun beleid moeten op afstemmen.

Maar gezien 'gelijkwaardigheid' de waarde en maatschappelijke status van macht, bezit, vermogen, en kennis, sterk relativeert, is het niet echt verwonderlijk, dat dit begrip zelden of niet voorkomt in wetten en regels,... en het zelfs bij de 'gewone man in de straat' vrijwel onbekend is.


Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Renaat om 12:54 1 reactie Reageer op dit bericht Stuur door

Het Aalsters 'volksfeest'

Carnaval, het 'feest' waarvan het gros van de Aalsterse 'carnavalisten' onwetend zijn over de oorsprong, laat staan de doelstelling ervan, is weer eens voorbij. De massale vervuiling, afval, en stank, het gevolg van drie dagen en nachten, dansen, zingen, drinken, vrijen en one-night- of -day-standjes is zo goed mogelijk opgeruimd, al moet het eerst nog eens goed regenen alvorens de bier- en urinereuk volledig verdwenen zal zijn.

Dat dit volksfeest in zijn moderne versie zodanig gecommercialiseerd is, waarbij centrumherbergen , omgetoverd tot fantasieloze bierstallen, aan onrechtmatig verhoogde drankprijzen een niet bestaande service aanbieden, de grootste winterfoor vrijwel onbetaalbaar wordt voor de minderbedeelden, schijnt, uitgezonderd enkele 'wereldvreemde' zeurpieten zoals schrijver dezes, niemand te deren.

Zoals nog meer evenementen en periodes van het jaar, zoals de vakantie- en Nieuwjaarsperiode, waarbij de mate van deelneming aan het 'sociale' gebeuren hoe dan ook afhankelijk is van de individuele koopkracht, is ook carnaval gaan behoren tot het consumptiepakket, grotendeels bepalend voor ons gemeenschappelijk leven.

Meer dan ooit is Keizer Nero's 'brood en spelen' actueel. Ondertussen hebben de moderne pseudo-Nero's al één en ander 'in brand' gestoken, terwijl het gepeupel...ondertussen met gesloten ogen en oren voortspeelt...

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door Renaat om 10:37 Reageer op dit bericht Stuur door

Meer van Renaat's standpunten

↑ Terug naar de berichten