Begrafenis van Mevrouw T (57)
Door de smalle, gewonden, stijgende laan
waadden we langzaam achter haar aan.
Van het zwijgen deden de kelen pijn,
van het trachten zo stil als zij te zijn.
Acht sombere zwarte vreemdelingen
deden toen stijf de laatste dingen...
Het graf was zo klein, een zwarte wig grond
in het fonkelend groen als een smalle wond.
De zon scheen innig rondom op 't gras
omdat zij een goede moeder was.
Haast blij, want alles blonk en geurde,
haast dood als ik dacht, wat er gebeurde...
Toen, na wat zacht en haaprend praten,
hebben we haar alleen gelaten.
(Maria Vasalis)

