Donderslag
hij ging midden in de nacht
nog ver van ’t ochtendgloren
sloot de deur haast beminnelijk zacht
doch enkel om de echo niet te horen
stapte opnieuw het heelal tegemoet
waar chaos geen weet heeft van rede
en zoet met zuur wordt beboet;
een tijde was weer verleden
althans ontwaakt leek het zicht
op ontluisterende stappen
was het naar buiten gericht,
een innerlijk ontsnappen
enkel voor de plotse bliksem gezwicht
soms trekt een schaduw twee paarden
teugelloos in het gemoed
woorden verliezen hun waarden,
verdwalen dan in een ontembare vloed

