uitzien
uitzien
een man
van een
enkel woord
staart u aan
beschermt zich
achter stilte
wil niet
dat u
hem hoort
hij wacht
geduldig
op de morgen
wanneer weer
een stukje heden
in 't verleden
is verborgen
uitzieneen man
van een
enkel woord
staart u aan
beschermt zich
achter stilte
wil niet
dat u
hem hoort
hij wacht
geduldig
op de morgen
wanneer weer
een stukje heden
in 't verleden
is verborgen
Luchtde stilte, naakt
de stilte laakt
het haakt
losgeslagen gedachten
zij lijken uitgebraakt
mijn oren zijn dichtgemaakt
de wereld
is toegedaan
de tong verzaakt
en likt een verre maan
de wonden
ongebonden
een zin,
reeds ongeschreven in lucht opgegaan
gaat hene
naar deze of gene
met gesloten monden
waar enkel lippen ronden
de stilte, naakt
zij laakt
raakt
Hemelse bruidenik zag twee engelen
zich met hoofd en haar
in elkaar verstrengelen
onder een topje van de berg
ze waren ontdaan van kledij
maar zover ik kan zien
vonden ze dat niet erg
zo dij aan dij
Doorgangmijn moeder is niet meer
al even
ze heeft lang geleefd
broos van geest
dat is niet overdreven
geaard in schraal zand
en gelovige angst
met strenge kapiteins
mijn moeder is niet meer
al even
ze heeft mij gezoogd
gedroogd
wakker gelegen
bang voor woorden van buiten
en al lang voor het einde
zich in eenzaamheid
moeten bewegen
ook nog van oud naar jong
naar levende vergetelheid
mijn moeder is niet meer
dank zij haar mag ik rijk leven
Moederzij heeft binding met de herinnering
daar zij als vrouw is geboren
zij alleen draagt een kind naar het licht
een mens die bij ons mag horen
daardoor toont liefde een gezicht
doorheen de stuipen vóór de eerste dag
er start een verbond, toekomstgericht,
opgesteld door een haast natuurlijk gezag
geen ander geraakt zo gehecht
een leven kort of lang, ononderbroken
aan de weg van een kind, mens
die onvoorspelbaar is voorzegd
het is de moeder, onze moeder
de eerste vrouw van nabij
die eeuwig aanwezig wil blijven
in de stromingen van ieder getij
ook als ik, de volwassene zelf
zijn eigen gedicht wil schrijven
moeder laat nooit los
dat staat het gevoel niet toe
dat is pijnlijk en maakt soms moe
moeder is ook maar mens
kent de schaduw van het bestaan
en vaak getekend door het leven
maar heeft altijd een diepe wens
het onvoorwaardelijke door te geven
Verschietenhet wordt later
ik voel dat met mijn ogen
ik word later
verder weg van ritme
dat thans over mijn tijd is gebogen
meer en meer drijf ik mee
op voorbijgaand water
mijn tijd heeft minder haast
toch is het alsof ik
sneller ren naar later,
naar eindeloosheid word gezogen
het is al maar vaker groen
een groeiend kind
het kind dat allengs
volwassenheid bemint
ik word ingehaald
vaker in grijs vertaald
ook als het ware doorzichtig
praat als vanzelve omzichtig
haast tot zwijgen toe
het doel lijkt bepaald:
of raak ik in de toekomst verdwaald?
Blindelingsde afstand is nabij
doch in beton gegoten
een anti climax
heb ik de dodendrank
zelf ingegoten
of kijk ik mank
door ijzige emotie
wat was de liefde slank
of was het verbeelde negatie
de nacht was hel verlicht
het etmaal zonk weg
in de herhaling
de put gegraven
met modder gedicht
of was ik naief
mijn eigen dief,
mijn ziel opgelicht
met verboden gaven
Huiswerk 1963ik ben als
een slinger van het
uurwerk, onder het stof
staande naast de stolp
het tikt nog in mijn hoofd
al is het een eeuwigheid gelee
ik zie haar nog met
open mond de middag inluiden
mijn hand voelt het tafeltapijt
waaraan ik wegdroom in
mijn schoolse werk
mij ontgaat de zware maag ook niet
en denk ook nog eens aan alles
dat geen algebra heet
bij de herontdekking van de wereld
zo, tegen drie uur
volgt de herkenning zonder woorden
dan, na een eeuwig moment
beantwoord ik met,,zo,,,,,
en gaat zij thee zetten
met jan hagel of chocola
en ontelbare witte stipjes
de middag is gebroken
Thuisik ben onder aan de berg
thuisgekomen na jaren van
omzwerven in belichte duis
ternis, helder zie ik de blauwe
lucht, nog verder dan tranen
die verdampen aan wimpers;
de rietvelden van de ziel in
het gevoel vastgeprikt als
spelden die glinsteren in het
aangezicht van mijn volle maan
nog eenmaal demp ik het vocht
en tel in mijn hart de som van
dalen en stijgen van doeken
in het toneelspel van beelden
en ik mijn vingertop in 't zand
begraaf naast twee dove oren
In het voorjaarluister naar mijn dromen
als ik jou andermaal vertel
met een zachte stem
wat je toe mag komen
neen, ik verdraai het daglicht niet
ben ook geen schaduw
die woont in de nacht,
voel maar de bries van tederheid
die de nieuwe aarde verzacht
ik ben het, de lente
die je naar binnen brengt
en ook naar buiten geleidt
diep in jou bevindt zich
ruimte met rust
vandaar uit wordt de koude
in slaap gesust en raakt je hart
van het prille groen bewust
mijn strelende woorden
bereiken jouw geopende hand
en schenken je de fleurige bloesem
die mij toch steeds weer overmant
Zijn (1) Sein (1)soms is alleen
niemand om je heen
vaak echter een gevoel
ieder weet wat ik bedoel
vertoeven in een woestijn
onherkenbare slijtende pijn
of verlaten van praten
met vragende ogen
die niemand binnen laten
een woord dat niet wordt gehoord
waar doofheid soms bekoort
lege straten
holle vaten
dode maten
open gaten met een verleden
het is de herinnering beleven
van de schenkende moeder
soms ja, ook diep doordringend
in het onbewuste heden
of verlies, de adem bedwingend
Sein....(1)
manchmal ist man allein
niemand um dich herum
jedoch oft ein Gefühl
Jeder weiß, was ich meine
als wäre man in der Wüste
unkenntlicher tragender Schmerz
oder von Reden verlassen
mit fragenden Augen
die Niemanden nach Innen lassen
ein Wort, das nicht gehört wird
Taubheit, die manchmal zieht
leere Straßen
Hohlgefäße
tote Kameraden
offene Löcher mit einer Vergangenheit
erleben einer Erinnerung
der Leben spendenden Mutter
manchmal ja, auch tief eindringend
im unbewussten Heute
oder Verlust, der den Atem bändigt
Rondingsoms zie ik in je ogen
de schemerende einder
als grens van het heelal
waarachter woorden vallen
al mateloos matig in getal
traag verdampend in een
onzichtbare meander
en kennelijk onlogisch
slingerend rijgend;
de vlakke echo spiegelend
van wie dan ook of jij, de ander
op de schouw tikt de pendule
weer de herinnering uit jonge jaren
waar de ouderdom rustte
en ik toekomst deed vergaren
zo herhaalt zich
met de ziel in staar
op niet gespelde momenten
dat lente en winter
samenvallen in
een enkel tijdloos gebaar
Datwat ik
met jou deel
maakt van verscheidenheid
een leefbaar geheel
soms splijt het hart,
is ver even in de einder
*
ik reik de hand
als mijn schaduw
toch weer is geland
Gaanzij kijkt door het raam
en ziet haar ziel
spiegelend
in gebroken glas
waarop dromen wiegend
vervliegen
langs de lijn,
ongewild en alras
in een geblakerd aureool
dat heur haar kust
snaar voor snaar
gelijk een fluwelen gebaar,
de ontvouwende leegte sust
waar vind ik mijn lief
nog warm van lijf
die mijn hart verrukt
terwijl ik de einder verdrijf
uit dwingende gedachten
ik wil niet geraken
tot een zuigende zucht
van een droge vrucht
in droevig verwachten
Dat lucht op.ik ben er nog
jij ook
zie ik door mijn olijke kijkers
en toch
het voelt zo vreemd
echt gemeend
je bent een van die zeikers
een vreemde eend in de bijt
waarvoor niemand zich neervlijt
er bestaat geen nederigheid
voor mensen als jij
gevuld met rijstebrij
plompverloren klei
een pissebed ben jij,
'k heb een hekel aan jou
druiloor in de kou
slijmbal in korte mouw
je bent aan lager wal geraakt
zo, ik begin de week met
een schone lei
zeven naakte dagen voor mij
mijn zelfbeeld middels spuwend gal
verkleurd
heb mezelf lekker verscheurd
dat lucht op.
nu is axe aan de beurt.
en ben weer apk goedgekeurd
ik ben er nog
jij ook
zie ik door mijn olijke kijkers
en toch
het voelt zo vreemd
echt gemeend
je bent een van die zeikers
een vreemde eend in de bijt
waarvoor niemand zich neervlijt
er bestaat geen nederigheid
voor mensen als jij
gevuld met rijstebrij
plompverloren klei
een pissebed ben jij,
'k heb een hekel aan jou
druiloor in de kou
slijmbal in korte mouw
je bent aan lager wal geraakt
zo, ik begin de week met
een schone lei
zeven naakte dagen voor mij
mijn zelfbeeld middels spuwend gal
verkleurd
heb mezelf lekker verscheurd
dat lucht op.
nu is axe aan de beurt.
en ben weer apk goedgekeurd
Telkenstelkens als ik
een kleed afleg
zie ik na de woestijn
een herkenbare weg
als ik mijn schrift
ooit niet meer aanleng
zal er dan een beeld zijn
waar mijn ziel zich
weer opnieuw in grift
of zal het laatste
mij eeuwig naken
een nog verdere vulling
van mijn testament wraken
soms, kijk ik willoos
in het veranderlijke
en ervaar de sfeer
van het vergankelijke
in hedendaags zijn
zal ik opnieuw opstaan
in de ouderdom, maar
als immer in aanvang
kinderlijk klein
of is de lucht open
mijn dracht verlopen
en slijtage niet meer telt
natuurlijk is het zo
dat allengs mijn rug
naar dichterbij helt,
waar het aangezicht eeuwig
wordt verlicht,
mijn tijd verlopen is
en enkel de laatste liefde nog geldt
Liefdeliefde klinkt
als verleden tijd
ook is het wezen
in onbegrip,
aards uitgedijd
het echoot ooit
in holle frasen
over een droge lip
waar is de tijd
dat we eenvoudigweg
in ogen lazen
en men woorden mijdt
of enkel de hand reikt
en warmte schenkt
in wederkerigheid
*
"ik ben voor jou lief,
als een vlinder die
in alle tederheid
op struiken neerstrijkt"
Liebe
Liebe hört sich
altmodisch an
sie ist wesentlich
in Unverständlichkeit,
irdisch aufgebläht
wie ein Echo
in jeder Rhetorik
auf trockenen Lippen
wo ist die Zeit
daß wir einfach
in Augen lesen
und man Worte vermeidet
oder nur die Hand greift
und Wärme gibt
in Weckselseitigkeit
*
“Ich habe dich also lieb” :
wenn ein Schmetterling
mit all der Zärtlichkeit
auf Büschen sich niederläßt
winterín de winter,
die vaak grijs is gemutst
zoek ik de romantiek
van de witte koude
draag dat nog bij me
als jeugd en verte,
ik aan verlangen bouwde
al gaat dat werkelijk voorbij,
niet tegen te houden,
het vertelt nog van toekomst
dat moest ook wel
toenmalig vriezen,
ver onder nul,
als ik de schaatsten onderbond
dwong mij wel die richting kiezen
de tijd van de kolenkit
buiten vullen in de vries
op sloffen, nog geruit
de drogende was
rondom de warmtebron
de ketel met die
flutterige fluit
je wist niet beter
het was de zon
waar je een soort
van moed vond
nu draai ik aan een knop
met onzichtbare lont.
verlatensoms is mijn aarde
niet groter dan twee voeten
en mijn hoofd het heelal
anderen zijn de schimmen
die onaantastbaar wroeten;
innerlijke duivels die de schaduw
in mij willen beminnen,
en al doende licht doen dimmen
dan heb ik weer echt weet
hoe naakt ik staar naar dromen;
en dat ik enkel door te sterven
bij jou, de onzichtbare
andere mens kan komen
dat ik de dageraad
opnieuw zal kunnen erven
en ontspruitende hoop
weer in mij mag wonen
*
ik ruik dan opnieuw jouw geur
en proef de lippen van het zachte woord
aanschouw mijzelf in mijn eigen kleur:
de ziel welke mij toebehoort
Die Verlassenheit
manchmal ist meine Welt
nicht größer als zwei Füße
und mein Kopf das Universum
die anderen sind Phantome
die unantastbar wühlen:
innere Teufel die die Schatten
in mir lieben wollen
und so das Licht abblenden
dann weiß ich wieder genau
wie ich auf nackte Träume starre;
und ich nur durch das Sterben
zu dir, dem unsichtbaren
anderen Mensch kommen kann
daß ich die Morgenröte
wieder erben
und sprießende Hoffnung
auf’s neu bei mir wohne darf
*
ich rieche dann deinen Duft
und schmecke die Lippen
des weichen Wortes
sehe mich in meiner eigenen Farbe:
die Seele, die zu mir gehört
Anneals ik Anne
in de armen
krijg aangereikt
opdat ik haar even
met mijn hart kan verwarmen
schenkt zij mij haar blik
en ervaart slechts
aanwezigheid
zij kijkt naar mij
nog ontdekkend,
ik naar haar
in genegenheid
doch beiden
sprakeloos een
prille band opwekkend