Dat
wat ik
met jou deel
maakt van verscheidenheid
een leefbaar geheel
soms splijt het hart,
is ver even in de einder
*
ik reik de hand
als mijn schaduw
toch weer is geland
Datwat ik
met jou deel
maakt van verscheidenheid
een leefbaar geheel
soms splijt het hart,
is ver even in de einder
*
ik reik de hand
als mijn schaduw
toch weer is geland
Gaanzij kijkt door het raam
en ziet haar ziel
spiegelend
in gebroken glas
waarop dromen wiegend
vervliegen
langs de lijn,
ongewild en alras
in een geblakerd aureool
dat heur haar kust
snaar voor snaar
gelijk een fluwelen gebaar,
de ontvouwende leegte sust
waar vind ik mijn lief
nog warm van lijf
die mijn hart verrukt
terwijl ik de einder verdrijf
uit dwingende gedachten
ik wil niet geraken
tot een zuigende zucht
van een droge vrucht
in droevig verwachten
Dat lucht op.ik ben er nog
jij ook
zie ik door mijn olijke kijkers
en toch
het voelt zo vreemd
echt gemeend
je bent een van die zeikers
een vreemde eend in de bijt
waarvoor niemand zich neervlijt
er bestaat geen nederigheid
voor mensen als jij
gevuld met rijstebrij
plompverloren klei
een pissebed ben jij,
'k heb een hekel aan jou
druiloor in de kou
slijmbal in korte mouw
je bent aan lager wal geraakt
zo, ik begin de week met
een schone lei
zeven naakte dagen voor mij
mijn zelfbeeld middels spuwend gal
verkleurd
heb mezelf lekker verscheurd
dat lucht op.
nu is axe aan de beurt.
en ben weer apk goedgekeurd
ik ben er nog
jij ook
zie ik door mijn olijke kijkers
en toch
het voelt zo vreemd
echt gemeend
je bent een van die zeikers
een vreemde eend in de bijt
waarvoor niemand zich neervlijt
er bestaat geen nederigheid
voor mensen als jij
gevuld met rijstebrij
plompverloren klei
een pissebed ben jij,
'k heb een hekel aan jou
druiloor in de kou
slijmbal in korte mouw
je bent aan lager wal geraakt
zo, ik begin de week met
een schone lei
zeven naakte dagen voor mij
mijn zelfbeeld middels spuwend gal
verkleurd
heb mezelf lekker verscheurd
dat lucht op.
nu is axe aan de beurt.
en ben weer apk goedgekeurd
Telkenstelkens als ik
een kleed afleg
zie ik na de woestijn
een herkenbare weg
als ik mijn schrift
ooit niet meer aanleng
zal er dan een beeld zijn
waar mijn ziel zich
weer opnieuw in grift
of zal het laatste
mij eeuwig naken
een nog verdere vulling
van mijn testament wraken
soms, kijk ik willoos
in het veranderlijke
en ervaar de sfeer
van het vergankelijke
in hedendaags zijn
zal ik opnieuw opstaan
in de ouderdom, maar
als immer in aanvang
kinderlijk klein
of is de lucht open
mijn dracht verlopen
en slijtage niet meer telt
natuurlijk is het zo
dat allengs mijn rug
naar dichterbij helt,
waar het aangezicht eeuwig
wordt verlicht,
mijn tijd verlopen is
en enkel de laatste liefde nog geldt
Liefdeliefde klinkt
als verleden tijd
ook is het wezen
in onbegrip,
aards uitgedijd
het echoot ooit
in holle frasen
over een droge lip
waar is de tijd
dat we eenvoudigweg
in ogen lazen
en men woorden mijdt
of enkel de hand reikt
en warmte schenkt
in wederkerigheid
*
"ik ben voor jou lief,
als een vlinder die
in alle tederheid
op struiken neerstrijkt"
Liebe
Liebe hört sich
altmodisch an
sie ist wesentlich
in Unverständlichkeit,
irdisch aufgebläht
wie ein Echo
in jeder Rhetorik
auf trockenen Lippen
wo ist die Zeit
daß wir einfach
in Augen lesen
und man Worte vermeidet
oder nur die Hand greift
und Wärme gibt
in Weckselseitigkeit
*
“Ich habe dich also lieb” :
wenn ein Schmetterling
mit all der Zärtlichkeit
auf Büschen sich niederläßt
winterín de winter,
die vaak grijs is gemutst
zoek ik de romantiek
van de witte koude
draag dat nog bij me
als jeugd en verte,
ik aan verlangen bouwde
al gaat dat werkelijk voorbij,
niet tegen te houden,
het vertelt nog van toekomst
dat moest ook wel
toenmalig vriezen,
ver onder nul,
als ik de schaatsten onderbond
dwong mij wel die richting kiezen
de tijd van de kolenkit
buiten vullen in de vries
op sloffen, nog geruit
de drogende was
rondom de warmtebron
de ketel met die
flutterige fluit
je wist niet beter
het was de zon
waar je een soort
van moed vond
nu draai ik aan een knop
met onzichtbare lont.
verlatensoms is mijn aarde
niet groter dan twee voeten
en mijn hoofd het heelal
anderen zijn de schimmen
die onaantastbaar wroeten;
innerlijke duivels die de schaduw
in mij willen beminnen,
en al doende licht doen dimmen
dan heb ik weer echt weet
hoe naakt ik staar naar dromen;
en dat ik enkel door te sterven
bij jou, de onzichtbare
andere mens kan komen
dat ik de dageraad
opnieuw zal kunnen erven
en ontspruitende hoop
weer in mij mag wonen
*
ik ruik dan opnieuw jouw geur
en proef de lippen van het zachte woord
aanschouw mijzelf in mijn eigen kleur:
de ziel welke mij toebehoort
Die Verlassenheit
manchmal ist meine Welt
nicht größer als zwei Füße
und mein Kopf das Universum
die anderen sind Phantome
die unantastbar wühlen:
innere Teufel die die Schatten
in mir lieben wollen
und so das Licht abblenden
dann weiß ich wieder genau
wie ich auf nackte Träume starre;
und ich nur durch das Sterben
zu dir, dem unsichtbaren
anderen Mensch kommen kann
daß ich die Morgenröte
wieder erben
und sprießende Hoffnung
auf’s neu bei mir wohne darf
*
ich rieche dann deinen Duft
und schmecke die Lippen
des weichen Wortes
sehe mich in meiner eigenen Farbe:
die Seele, die zu mir gehört
Anneals ik Anne
in de armen
krijg aangereikt
opdat ik haar even
met mijn hart kan verwarmen
schenkt zij mij haar blik
en ervaart slechts
aanwezigheid
zij kijkt naar mij
nog ontdekkend,
ik naar haar
in genegenheid
doch beiden
sprakeloos een
prille band opwekkend
Vertoevenals ik zo in de nacht vertoef
en even achterom wil zien
ervaar ik het licht en tegenlicht
de adem waar ik me van bedien
vloeit over helder zicht
maar ook de zwaarte
waarvoor een mens haast zwicht
ik zou zo graag willen,
ook door mijzelf te verstillen,
jou bevrijden van zwijgende
doch knagende last
wat het hart doet verkillen
en de zon doopt in smart
zie mijn glimlach
door de nevel heen
en mijn ziel u schouwen
het legt de band
als bij getrouwen
in een veilig land:
waarop men liefde
mag verbouwen
oh, ik mens
op houten botten
hoe moeilijk is het buigen
om vruchten te rapen,
zacht gemoed op te zuigen,
jouw sterven te beknotten
toch heb ik weet
vraag niet hoe het is
wat de hemel meet
het schijnt aan overgave gepaard
doelend op gemis
die ieder ooit baart
met jou pluk ik bloemen
aan het seizoen eigen
het zal de tijden aan elkander rijgen
waarna een morgen op zal doemen
en ik je mag dragen
om de stap naar de andere oever,
teder en in alle rust te wagen
dan, mijn lief
open de ogen
en luister naar het zachte
in het hart aanwezig
ruik dan de rode rozen
die weet hebben van wachten
VERWEILEN
wenn ich so in der Nacht verweile
und kurz umsehen möchte
empfinde ich das Licht
vor und hinter mir,
der Atem, der mich betreut
erlaubt eine klare Sicht
aber auch die Schwere
wovor ein Mensch fast weicht
ich möchte so gerne,
auch durch michselbst
verstummend, dich erlösen
von schweigender,
quälender Last
die das Herz erkaltet
und die Sonne in Schmerz
ich sehe mein Lächeln
durch den Nebel und
meine Seele ihnen erschauen
es legt die Bindung
wie bei Getreuern
in einem geschütztem Land
auf der man Liebe züchten darf
ach,
ich, Mensch aus Fleisch und Blut
schwierig ist das Beugen
Früchte auf zu heben,
sich mit sanftem Gemüt zu lutschen,
auf’s Sterben zu beschränken
doch weiss ich genau,
frage nicht wie es ist,
was der Himmel meint;
die Ergebung erweist
gepaart mit Verlust
der jedem zufällt
mit dir pflücke ich Blümen,
der Jahreszeit eigen,
es wird die Zeiten reihen
worauf ein Morgen aufdämmern wird
und ich dich tragen darf
damit ich den Schritt
nach anderem Uffer, zärtlich
und in aller Ruhe wage
dann, meine Liebe
öffne die Augen
und höre das Sanfte
im Herz getragen
rieche dann die roten Rosen
welche immer von Warten wissen
Horizonde glazen waardoor ik zie
spiegelen mijn ziel
in de avond soms aangeslagen
door het stof van de dag
er wordt soms veel aangedragen
waarvoor ik in gedachten kniel
ik ben dan klein
de ander vaak sterk of groot
kwetsbaar ben ik dan,
neen,
niet geheel uit het lood
ook zijn er dagen
dat ik zonder vragen
aan zoete druiven proef
talrijk in getal, zoals men dat duidt
nog in bloei en aan hemelse ranken
warmte dampt dan uit mijn huid
onzichtbaar voor de ander,
soms trilt het zelfs uit mijn flanken
veel wat er is, echter
ontkomt aan mijn ogen
of doven zelfs mijn oren
te groot zijn soms de regenbogen
te ver, die ik wil bekoren
de glazen waardoor ik zie
spiegelen het beeld
die ik ben,
en ja,
rijkelijk gevuld
met iemand die zichzelf duldt
Het naakte kledenaan je frêle lijf, rondom
zijn bladeren geplakt
zij hechten aan de huid
het is vel dat pakt
of van binnenuit
jouw geur die snuift
of de wind
zomaar van zelve
en woordeloos
in jouw richting wuift
om je borsten
te kleden met
gevallen groen
of een kleur aanbiedt
al verder dan rood
dat je lippen doet krullen
wachtend op een stille zoen
je hand, uitgestrekt
roepend
vragend
doorheen het geritsel
wagend
kom, kleedt mij
mijn uitdagend naakt
is voor elk vrij
daarna zal je langzaam
de bomen groeten
met tedere
winterkussen
en omhelzen
om ze liefhebbend traag
in hun komende
winterslaap te sussen
Memoirein een memoire
laat het leven je voorbij varen
langs aanlegplaatsen van weleer
soms ver in de verte terug
wil ik de weg van mijn geest verklaren
keer op keer zoekend naar de sfeer
en markante jaren
verborgen als het ware
of zijnde achter de rug
door de glazen van heden
wordt nog steeds veel gemeden
de ziel doorsneden
opgeroepen in diffuus licht
waar soms oude deuren zijn gedicht
voor het opgestapeld gewicht
ik zie om me heen
en telkens neem ik steeds beter waar
herken ik in jou
zonder dat ik nog in de verte staar
dat dan ook niemand is ontkomen
aan het onvolmaakte en de voldongen rouw
maar zeker ook bloemen heeft zien bloeien
in liefde,
in een glimlach of gebaar van die ander, jou
waarvan de warmte het liefst blijvend
naar ons innerlijk wil vloeien
in eeuwige kwetsbare verwachting
zo is de mens,
immer op zoek naar ware achting
Het is de wegals je even meeloopt
vertel ik over de weg
de meeste stenen zijn omgedoopt,
dat is wat ik zeg
nadat ik ze heb aangeraakt
zijn ze niet meer als voorheen
wat meer versleten, dieper naakt,
het karakter hebben ze nog wel gemeen
zo zal de kim, in de verte nabij,
geen echt wonder meer kennen
daarheen liggen ook aangetasten,
voorbij het moment van gewennen,
tillen wat lichter aan aardse lasten
mijn pad loopt vooruit
maar zoals je weet
is dat schijn
het buigt immers af
en volgt de lijn
die onbekend heet
ook vlakt het verder af,
zo wordt gezegd en weerstand
behoort dan steeds vaker
tot het binnenland
het is de weg
dat is wat ik zeg
Autumn bluesde blaren vallen over me heen
mijn geest dwaalt stuurloos rond
en op mijn rug de steen
met stervende woorden in de mond
de aarde zuigt aan ledematen
terwijl gedachten vertragen
mijn zomer vergeet,
voor even, haar baten
de hemel lijkt zich te verlagen
ik word aangespoord
zonder er om te vragen
en met geduld te dragen
wat mij verstoort
en tot mijn terugkerend
innerlijk najaar behoort
Mijn vadermijn vader ziet naar mij
voor het raam
in de ogen een mengeling
van verte en nabijheid
zie hem daar nog staan
voelbaar, nu diep in mij gewijd
de zwaarte was zijn lijf gewoon
de ziel bezwaard door de jaren
hoe verder af van het heden
is zijn gang te verklaren?
de tijd geeft haar verhaal
geef ik nu zijn stem als loon
zal hij nog zo denken
is dat wat het moet zijn
de verleden en geleden wenken
het leven in de schaduwschijn
om tenslotte het hart te drenken
in wat, ja wat is nu de echte wijn
zijn stilte is zacht
de woorden nog stiller
de uitstraling zijn kracht
het maakt mij allengs milder
steeds verder in de verdichte verte
wordt hij door mij geacht
Toenze raapt schelpen
in gedachten van toen
voelt de ronding
van een vochtige zoen
de tong proeft het zout
dat de wind haar schenkt
ook al is de stroming koud
het is warmte die nog wenkt
de liefde streelt
haar vingers
in wisselende gang
heen en weer
haast opwindend
keer op keer
Grijze zondagik zie u aan
weet wat u denkt
zeg het maar niet
voelt zich niemand gekrenkt
raden is leuk
is knoeien met een vergiet
ligt er iemand al in een deuk
nee, het is al even ernst
wat de klok slaat
een zondagsgeluid
waar iedereen praat
een windje laat
zich krap voelt in zijn huid
knap vervelend
als de stilte van
een nog maagdelijke bruid
ik kijk nog eens naar u
en gaap mijn slaap weg
ik weet wat u denkt
grijze zondag
is wat de heer ons schenkt
verder wil ik niet gaan
o ja, het is ook weer
die maandag die wenkt
Als het stormtals het stormt
doet de vloed haar werk
raken bakens in mij los
zo menselijk sterk,
teer als mos
als eb aan mij zuigt
en ik de boeien pak
ben ik niet meer overtuigd,
is mijn zelfvertrouwen zwak
vanaf de drassige oever
zie ik in de verte de horizon,
eens het beloofde land,
verward zie ik een schim
steeds minder aan mij verwant
als ik over liefde spreek
stokt de adem
in droevige stilte
van mijn mond
en kent de tong
enkel nog de kilte
Naaktruk de huid van jouw lijf
en toon je geheel nakend aan mij
opdat men gevoel kan zien
waar ik in jouw hart verblijf
durf je de geest te strippen
te ontdoen van denken, denken
en zoveel doodse wenken
je hebt natuurlijk angst
dat ik of wie dan ook
je ziel zal krenken
o. ik zie het al
de winter bedekt het zicht
warmte wordt buiten gesloten
je bent bloot en toch zo dicht
bekleed met haast verdorde loten
van de boom, die jij heet
die zich met andere stammen meet
en de ijle tak in jou
zonder voeding vergeet
o neen. laat maar
je bent in de dood gekropen
een oud gebaar
alsmaar
daar
onberoerd
in uiterlijk gebaar
waar haast gestorven lippen
niets meer hebben met hopen
blijf maar fijn
in de schreeuwende schaduw
het houdt je klein
het houdt je pijn klein
klein en schuw
doch immer schurend ruw
ik zie een mooi mens
diep van binnen
met slechts een wens
raak me niet
wil me niet beminnen
ik raak mezelf
alleen ik ben het
die schiet
bloot en zo dood
rust in stilte
de gekozen kilte
uitgestoten door de moederschoot
zo bloot, zo bloot en bloot, doods bloot
Schijnenmijn blik, is breder
dan de ogen
het overtreft het gezicht
lijkt uit mijn hele lijf te schijnen
het kent geen zwaartegewicht
het zou wel mogen
maar in mist verdwijnen
zo ook speelt mijn hand
een rol, die rolt zonder tekst
en beweegt mijn verschijning
in de vinger en de hand
neen, niet behekst
maar tevens boven zichtbaarheid
met amper een omlijning
van het begeesterd land
mijn blik is teder van aard
zie maar, raak toch met gevoel
er wordt aldoor genegenheid gebaard
de adem wordt opgespaard
menig hart weet wat ik bedoel