hier
neem mijn hand,
wees niet bevreesd
als ik trek
door levende velden
met voelende bossen,
rondom
vaak is een mens
teveel bedeesd
zich als delende,
roepend te melden
hier
neem mijn hand,
wees niet bevreesd
als ik trek
door levende velden
met voelende bossen,
rondom
vaak is een mens
teveel bedeesd
zich als delende,
roepend te melden
Epische poëzie "Julius "
als men de tijd omdraait
sta ik aan het begin van mijn leven
vanochtend na het ontwaken
werd ik uit mijn nest gedreven
gelijk al openbaarde zich het licht
ik bezat de gave vooruit te kijken
vrijwel direct ontstond er een gedicht
daarin groeide de toekomst in allerijl
ik schreef en schrijf nog steeds,
't begint op een epische roman te lijken
de personages kan ik goed beschrijven
immers ik draag ze in mijn ziende blik
de held in het verhaal dat ben ik zelf
en zie mij stoeien in allerlei kluchten
soms schreeuwend in een donker gewelf
alwaar ik bijna ten onderga of stik
dan lig ik weer in een hemelbed te zuchten
waar ik even maar stevig aan mijn knuffel lik
in het laatste hoofdstuk staan twee mensen klaar
er is werk aan de winkel zegt een man,
vader is zijn naam
ja, het is de bedoeling
dat ik een jonge spruiteling baar
zei de vrouw, mijn moeder
nog verder in de tijd wordt het donker
het is alsof ik door een aangeslagen raam
bezweet naar buiten staar
en zie plots de schepper als mijn hoeder
Verder weg
is de terugweg ingezet
als veel,
verder weg komt te staan
heb ik onderweg wel goed opgelet
of droomde ik,
door alsmaar voort te gaan
beschrijf ik het tanend heden
waar tafels en stoelen bevriezen
en van mijn kamer
hoeken worden afgesneden;
heb ik het dan over loslaten
of over verliezen
het kan ook zijn
dat mijn bewegende buitenring
allengs stopt in mijn brein
en ik enkel nog verhaal
van wat is in dit moment
en was en immer meer
over een verleden zing
zeker is dat mijn pad versmalt
en de komende tijd samenbalt
maar hoop dat achter mijn gedachten
vermeerderd inzicht ligt te wachten
Tijdloos
op mijn gezicht
wordt het oude jaar gekerfd
tekenen lijnen groeven
en groeien dijken rond ogen,
moet de huid zich naar de
zwaartekracht voegen
op mijn gelaat
staat het lied van de tijd
dat mijn geleefd leven toont,
ik heb de melodie
vaak met letters beloond
maar ontegenzeglijk dieper,
door mij,
in harmonische klanken verspreid
zij worden door mijn tijdloze ziel,
als van zelve,
klinkklaar naar buiten geleid
een vriend
als ik verschijn
open jij, voor even,
een poort
en roept mijn naam
klampt mij aan
zoals het enkel
bij stille vriendschap hoort
ik ervaar dan
een gouden moment,
zeldzaam van toon
dat je daarna wegrent
en verhuist naar jezelf
daar ben ik aan gewend
immers ieder leeft
onder zijn eigen gewelf
om je te begrijpen
vertellen je ogen genoeg
ik herken je in je bestaan
diep voelbaar in mijn hart
ik weet dat jij er altijd
ergens voor mij zal zijn;
weet dat ik aldoor
met jou ben begaan
Voortgang
mijn moeder is niet meer
dat is al even
ze heeft lang geleefd
was broos van geest,
doch in overleven bedreven
geaard in schraal zand
met gelovige angst
onder een streng regiem
mijn moeder is niet meer
al even
ze heeft mij gezoogd
gedroogd,
wakker gelegen
was bang voor woorden van buiten
al lang voor het einde
heeft zij zich voor dode ruiten
in eenzaamheid
uitzichtloos moeten bewegen;
van oud naar jong
naar levende vergetelheid
mijn moeder is niet meer;
een deel van haar is mijn leven
... verbeterd oud gedicht ...
Rondom Loevestein
het is nog vroeg
in Munnikenland
als de nacht eindigt
en een zwarte stern
ginds aan de oever landt
ik schuifel naar een plek,
nog droog, en gelegen
nabij de waterkant
en neem plaats in het gras
ik zie de dag traag dagen;
het licht kan en wil geen
schaduw meer verdragen
op deze woordeloze plek
schept het gloren haar vreugde
in een miraculeuze vertoning
en aast een purperreiger,
als altijd bewegingsloos,
op een spartelende beloning
... Kasteel in Bommelerwaard ...
in gedachtenis, Wim Brands
toch doet het telkens zeer
als een dichter de nacht opzoekt
om de ochtend te mijden,
heb zijn ogen
niet zien lijden
hij had wel iets dat mij raakte
en heb vaak zijn rug zien buigen
ook diepte in zijn woorden gehoord
die zijn lippen teder maakten
was het een mokerslag van de duivel
op een wellicht niet verwacht moment;
de muur is dan oneindig breed en hoog
of is de liefde plots opgedroogd
en het licht onhoudbaar weggerend,
ik weet niet wat zo zwaar woog
Soms
soms vraag ik me af
door wie ik echt word gekend
zo ik mezelf al begrijp
immers wat is mij bewust bekend
als ik word geraakt
binnen de cirkel van het bestaan
ben ik dan mijn eigen draagbaar
van gemist verstaan
in het nu
of in het verleden
in de verwachting,
zit ik in een draaimolen
als ik dit moment verklaar
ik zie die ander aan
het kan de zucht zijn naar een beminde
door een onzichtbare draad
het kan het gemis zijn aan warmte
vaak uitmondend in verraad
als blijkt dat ik niet weer eens
mezelf kan vinden
en de pijn niet kan verbinden
doorgaans weekt de nacht
en schuif ik bij het eerste licht
de trap weer in elkaar
in dat geval maak ik naar mijzelf
een herstellend gebaar
als echter spijlen ontbreken
vraag ik me af
door wie word ik echt gekend
wie is voor mij
in een andere schaduw weggerend
en ik aan het "zijn" mijn vragen verschaf
de antwoorden liggen vaak
in de tijd verborgen
het is ondoenlijk haar te versnellen
intussen is het eigen besef wel gegroeid
gelijk aan ondergrondse wortels
die je niet ziet maar mij toch iets
over eigen eb en vloed vertellen
ook de zon kan je zomaar kleuren
en onvoorwaardelijke liefde
in je doen opwellen
door wie word ik echt gekend
Onderweg
niet dat ik haar zoek
of juist wel
het zal de lente zijn
die mij beroert
of verlang ik naar mijn huis
waar de duif koert
ik zie hem vaak in de ochtend
op het hekje
waar nu, zo neem ik waar,
iets gevlekt
in een prille struik loert
verlang ik naar jou
of juist niet
verzamel ik enkel stenen
om te stapelen
en sta ik op mijn tenen
om over de einder heen te zien
waar de vervulling wacht
die een mens aldoor wil lenen
en leed van lege kamers verzacht
ik zie uit het raam
en voel de avond
de daken bedekken
met uitgestrekte grijze vlekken
ja, hier is mijn kamer
waar ik altijd voor even toef
omdat ik reis
-dat is mijn doel-
is het ook hier dat ik toch haar voel
ach, het zal de lente zijn
die mij beroert
en mij telkens
van jou naar jou vervoert
Heimwee
over de jaren heen
groeit in mij
een verlangen
naar huis
niet dat mijn gevoel in
oude dromen blijft hangen
mijn hart gaat naar daar
waar ik nimmer ben geweest
plekken die mij
van verre raken,
het is mijn ziel, zo denk ik
die nog dieper zoekt
naar wat reeds in mij is
of toch wel
naar verwachtingen
die op mijn weg te vroeg
zijn opgedoekt
ik kan wel iets zeggen
hoe het daar is;
ik zal opgenomen zijn
in velden bij zonsondergang,
en verblijven in de stilte,
in de rust van de oude dag
het onaantastbare
roept mij dan al wenkend
en, dat weet ik zeker,
met een beminnelijke lach
De oude dag
zo laat nog in de avond
zeker, deze dag nadert zijn einde
prevelt al doende mijn stem
het gebed van wat was,
over vandaag,
dus haast het oude zijnde
ik ben nu en hier
in gedachten verzonken
doch ook zowaar reeds zwevend
op weg naar boven
al raak ik door de jaren
wel vaker verstrikt
in verder kijken,
soms gelijk aan staren
ik word dan door het gemoed
ongevraagd beproefd:
het wil in mij wat vuur doven
ik geraak dan verblind,
én kan onderwijl
niet in mijzelf geloven
Anne
morgen kom jij
zo vroeg al
in mijn huidige dagen
je armpjes zijn dan
wijd geopend
alsof jij mij zegt
zal ik jou dragen
dat doen je ogen ook
van nature, zo onbevangen
wie is nu bij wie te gast
of delen wij elkaar
voel je misschien
ook mijn verlangen
wie kan dan later
echt zeggen
heb ik op jou
of jij op mij gepast
Vluchtig
ik was vergeten
hoe groot je ogen waren
of hoe speels zij konden zijn
zag dat weer even
't wist opnieuw
mijn hartstocht te verklaren
was vergeten
hoe mooi je was
en mijn wereld
wist te bespelen
met de lachende flirt
die ik op je lippen las
en jouw woorden
mijn hart streelden
terwijl ik mij verbeeldde
dat jij enkel mij toebehoorde
*
ik onderging het weer
en verdwaalde,
zomaar,
net als die ene
eerste keer
Op weg naar de zin
de draagkracht van lijf en geest
kan het scheppend vermogen
allengs minder doen belonen
ik heb lang de rek kunnen gedogen
maar ontmoet thans de grens
waar het verstand moet tonen
dat mijn adem stilaan achterblijft
dat een nieuwe uitdaging
van haar vervulling wegdrijft
en ik gedwongen word
tot mijn aardse vertraging
ik zal ruimte moeten zoeken
in de kern van het bestaan;
de diepgang van de eenvoud,
immers die is, zo denk ik, met
eeuwige schoonheid begaan
Foto in de pas
niet zomaar keer ik
mijn gezicht naar je toe
en ditmaal zonder glas
je ziet het gewicht
onder mijn ogen
weliswaar gezakt
maar ik ben
geenszins levensmoe
ik betrap mezelf
op een lichte lach
althans zo neem ik het waar
het maakt, denk ik,
van naderend licht gewag
zij zegt, ik wil ook
uw oren zien,
de wet schrijft dit voor
het ijs is gebroken
mijn fantasie doet zijn werk
en werpt mijn sjaal in de hoek ;
mijn pose is zodoende
zondermeer sterk
Ta solitudedagen dragen traag
over lege nachten heen
donker verslindt het licht
'k hoor stil geween
achter handen,
ze bedekken je gezicht
juist als dagen gaan lengen
en men verhaalt van hoop
zie ik je in jouw stilte zuchten
gevoelens laten zich mengen
kennen geen reinigende doop
het zijn die dagen
die traag dragen
en ik je hand wil omsluiten
ook om een morgen te vragen
met doorzichtige ruiten
waarin je ogen het wagen
rozen te ontwaren
en je oren luisteren naar
vogels die nog altijd fluiten
dromen
ja, ik zie u wel denken
in welke wereld vertoeft
hij, die turende grijze
zal hij naar gisteren wenken
of nu al naar de dag van morgen
in een golf van melancholie;
in koude of warmte geborgen
ik zie vlammen die vervliegen
uit brandend hout
dat haast tot as is teruggekeerd
en kijk in de haard naar mijn jeugd
waar ik met het woud
was vertrouwd en zinnen zocht
uit woorden die takken
mij hadden geleerd
uitmondend in klanken
van toenemende vreugd
ik zie nog kronkelende wortels
van de blauwe eik, daar,
met donzig mos toegedekt
ja, daar verblijf ik nu
totdat ik, zo mogelijk,
door een witte engel
uit het sluimeren word gewekt
ga ik diep
hoe voelt gij
vraagt iemand mij,
zomaar
"en plein public"
geef ik iets prijs
als ik in mijn diepste glij
en kond doe van roerselen
die ergens klinken als muziek
met tussen de balken
mijn eigen wisselende wijs
gister ging ik nog onbestemd
over wegen van verwachting
thans weer over paden
waar mijn zin wordt afgeremd
en hoop wordt uitgeladen
zo gaat het op en neer
van momenten vol tevredenheid
naar een tijde van pijnlijke
doch menselijke in verlegenheid
dat alles in wisselwerking
met de parate rede
en indrukken die schaven
of warmte printen op de huid
u ziet al
ik schrijf niet zomaar, het is geluk
dat ik ervaar
ook niet, het is heden nacht
hoe ik mij voel
ach, ik zeg het maar';
redelijk kwetsbaar, zacht
terwijl mijn lippen tegelijk
weet hebben van
woorden met een
gemeenzame stuwkracht
zie mij
ik zag voor het eerst diepte
in de verte van haar blik
ontmoette haar
even was er een kier
kijk mij hier
leek zij te zeggen
een open gebaar
met zuchtende slik
pas nu dringt het tot mij door,
hier keek een kind
even uit de wind
weg van een dwingend koor;
was zij wel ooit bemind
tot het moment, hiervoor
hoe zij dat ervoer
kan ik niet weten
alleen ik ving de glinstering
in een verlengd ogenblik
dat mag een tel van geluk heten;
een schijfje steen in mindering