Welkom op 9
Het volledig overzicht van mijn gedichten etc vindt u op Gedichten.1
https://blog.seniorennet.be/julius_dreyfsandt_zu_schlamm
Ook hier heet ik u welkom en veel genoegen
Julius Dreyfsandt zu Schlamm
Welkom op 9Het volledig overzicht van mijn gedichten etc vindt u op Gedichten.1
https://blog.seniorennet.be/julius_dreyfsandt_zu_schlamm
Ook hier heet ik u welkom en veel genoegen
Julius Dreyfsandt zu Schlamm
februari
ik kijk door mijn raam
dubbelglas in een vierhoek
daarachter een kwart van steen
en buren met een eigen boek
de rest is grijs als de winter
met kale takken als decor
mijn blik is flinterdun vernauwd
een vangnet waar ik me niet aan stoor
met een haast afgebakend gevoel
dat traagheid boekt en het heden vertrouwt
Alleen
vandaag was ik alleen
neen, niet alleen,
maar met mijn gedachten
ik was op weg
naar beelden in het verwachten
dichtbij een einder
die ook best nog veraf kan zijn,
dat is aan de machten
ik volgde de hoop in haar facetten
zij voedt de aderen
kan de geest verdraaien
de toekomst achteruitzetten
met de wind meewaaien
de adem pletten
maar mij ook doen uitzwaaien
is zij een weg vol verlangen
met passie, die stenen breekt
maar o wee, als het licht verbleekt
en het donker roept om
breekbare lofgezangen
die klinken als uitstervende noten
melancholiek echoënd in de bergen
is de dan geschapen leegte
de opmaak naar een overwinning
waar overgave niet meer bestaat
middels uitputtende bezinning
waarop, mag ik hopen?
Ochtendstond
mijn slaap was kort vannacht
warrig waren de gedachten
die bleven schimmig
in onbekende verte hangen
ze zijn dan moeilijk te duiden,
of er nu engelen zongen
dan wel sissende giftige slangen
zich in het bewustzijn dwongen
zeker is dat een zware klok
het zesde uur verslaat
en terwijl een zebravink ontwaakt
neigt de hemel naar ontluikend blauw;
weer wordt een ochtendstond,
Godzijdank, met opkomend licht
door de beslagen ruit aangemaakt
Oud en Nieuw
langzaam sloop
het een in het ander
en dan plots
zijn dertien dorpen
familie van elkander
een trouwpartij
in het groot;
van wie krijg ik
een warme hand
wie staat op als
de kouwe kant
je kunt ook zeggen
om middernacht
werd de teerling geworpen,
had ik zo gedacht
de naam was reeds bekend
en doorheen het eerste ochtendgloren
zal langzaam het karakter groeien
uit respect voor verscheidenheid
en de zo gewenste solidariteit
kan er een voorspoedige
gemeenschapszin voortvloeien
... Over het ontstaan per 1-1-2017 van de gemeente Meierijstad uit 13 dorpen in de Meierij van Den Bosch. ...
het jaar verlaten
schrijf dit in de nacht
luister naar klanken voor de ziel
doorgaans warm en voor 't harte zacht
denk aan wat het jaar heeft gebracht
waarop ik nu voor de herinnering kniel
het doek schuift meer toe
lijf en geest zijn vaker moe
maar de schepper in mijzelf
dwingt mij te ruiken, te kijken,
te luisteren en te proeven
het visionaire kind in mij
weet nog niet van wijken, doch
zonder zucht naar enig overtroeven
wel is mijn weg terug naar huis
om mij heen groeien, soms traag,
soms ook onverwacht snel
bomen naar de eindige top
ook zij gezegd; de waarheid vertelt
dat ik steeds meer alleen mijn schouders draag
en de rug meebuigt in een verder gaande wind
maar voorwaar, ik zeg u, mijn gerijpte ranken
met rode en groene druiven komen steeds dichterbij
het is de zuiverheid en glans die ik in mijn geliefde cognac
vaker en vol tederheid, proef en gespiegeld terugvind
veel zal komend jaar, deo volente, nog verder veredelen;
immers de vergankelijkheid geeft ook kleur aan iedere tak
het verschiet
ik verlies de blik in je ogen
ze dwalen ook verder af
niet dat ze naar de einder worden gezogen
ze hellen eerder over naar de nacht
helder daglicht schijnt bedrogen
de warmte van de zon trekt verder
de herfst is thans uitzonderlijk stil
gevoel ebt weg, is minder zacht
en het strand verdubbelt het zand
de zee droogt langzaam uit
meeuwen verstommen
hangen boven grijs geluid
het is, zoals het bestaan vergaat
ik verdwijn in lege gedachten
het scheppende taant
in luisteren zonder verwachten
Donkere dagen
is er de melancholie
van overvloed
als gevoelens zijn uitgeput
door veelheid in nuance
lijkt de ziel beboet
door aangereikte kansen,
van woorden die nu rusten
in de geest of in mijn hart,
vaak met gesloten ogen
roep ik in de leegte
van een woestijn
van vergane glorie
of word ik binnenkort
door de natuur
dan wel mijn gemoed
naar het Licht gezogen
..........
je bent nu nader tot Hem,
zo plots,
na meer dan een eeuw mens
je keek aldoor
in de ogen van de ander
immers in de naam die jezelf koos
lag je doel verankerd;
daadkracht besloten in jouw wens
geen brug te ver,
zelden een doodlopende weg,
je was klein van stuk,
doch een groots gelovig visionair
overtuigd van de waarde
achter iedere weerbarstige heg
ik vergeet nimmer het moment
al gelegen in je verre ouderdom
dat op een buitenterras in Schagen,
voor mij, door jou
de aarde huwde met de levende zon.
hier
neem mijn hand,
wees niet bevreesd
als ik trek
door levende velden
met voelende bossen,
rondom
vaak is een mens
teveel bedeesd
zich als delende,
roepend te melden
Epische poëzie "Julius "
als men de tijd omdraait
sta ik aan het begin van mijn leven
vanochtend na het ontwaken
werd ik uit mijn nest gedreven
gelijk al openbaarde zich het licht
ik bezat de gave vooruit te kijken
vrijwel direct ontstond er een gedicht
daarin groeide de toekomst in allerijl
ik schreef en schrijf nog steeds,
't begint op een epische roman te lijken
de personages kan ik goed beschrijven
immers ik draag ze in mijn ziende blik
de held in het verhaal dat ben ik zelf
en zie mij stoeien in allerlei kluchten
soms schreeuwend in een donker gewelf
alwaar ik bijna ten onderga of stik
dan lig ik weer in een hemelbed te zuchten
waar ik even maar stevig aan mijn knuffel lik
in het laatste hoofdstuk staan twee mensen klaar
er is werk aan de winkel zegt een man,
vader is zijn naam
ja, het is de bedoeling
dat ik een jonge spruiteling baar
zei de vrouw, mijn moeder
nog verder in de tijd wordt het donker
het is alsof ik door een aangeslagen raam
bezweet naar buiten staar
en zie plots de schepper als mijn hoeder
Verder weg
is de terugweg ingezet
als veel,
verder weg komt te staan
heb ik onderweg wel goed opgelet
of droomde ik,
door alsmaar voort te gaan
beschrijf ik het tanend heden
waar tafels en stoelen bevriezen
en van mijn kamer
hoeken worden afgesneden;
heb ik het dan over loslaten
of over verliezen
het kan ook zijn
dat mijn bewegende buitenring
allengs stopt in mijn brein
en ik enkel nog verhaal
van wat is in dit moment
en was en immer meer
over een verleden zing
zeker is dat mijn pad versmalt
en de komende tijd samenbalt
maar hoop dat achter mijn gedachten
vermeerderd inzicht ligt te wachten
Tijdloos
op mijn gezicht
wordt het oude jaar gekerfd
tekenen lijnen groeven
en groeien dijken rond ogen,
moet de huid zich naar de
zwaartekracht voegen
op mijn gelaat
staat het lied van de tijd
dat mijn geleefd leven toont,
ik heb de melodie
vaak met letters beloond
maar ontegenzeglijk dieper,
door mij,
in harmonische klanken verspreid
zij worden door mijn tijdloze ziel,
als van zelve,
klinkklaar naar buiten geleid
een vriend
als ik verschijn
open jij, voor even,
een poort
en roept mijn naam
klampt mij aan
zoals het enkel
bij stille vriendschap hoort
ik ervaar dan
een gouden moment,
zeldzaam van toon
dat je daarna wegrent
en verhuist naar jezelf
daar ben ik aan gewend
immers ieder leeft
onder zijn eigen gewelf
om je te begrijpen
vertellen je ogen genoeg
ik herken je in je bestaan
diep voelbaar in mijn hart
ik weet dat jij er altijd
ergens voor mij zal zijn;
weet dat ik aldoor
met jou ben begaan
Voortgang
mijn moeder is niet meer
dat is al even
ze heeft lang geleefd
was broos van geest,
doch in overleven bedreven
geaard in schraal zand
met gelovige angst
onder een streng regiem
mijn moeder is niet meer
al even
ze heeft mij gezoogd
gedroogd,
wakker gelegen
was bang voor woorden van buiten
al lang voor het einde
heeft zij zich voor dode ruiten
in eenzaamheid
uitzichtloos moeten bewegen;
van oud naar jong
naar levende vergetelheid
mijn moeder is niet meer;
een deel van haar is mijn leven
... verbeterd oud gedicht ...
Rondom Loevestein
het is nog vroeg
in Munnikenland
als de nacht eindigt
en een zwarte stern
ginds aan de oever landt
ik schuifel naar een plek,
nog droog, en gelegen
nabij de waterkant
en neem plaats in het gras
ik zie de dag traag dagen;
het licht kan en wil geen
schaduw meer verdragen
op deze woordeloze plek
schept het gloren haar vreugde
in een miraculeuze vertoning
en aast een purperreiger,
als altijd bewegingsloos,
op een spartelende beloning
... Kasteel in Bommelerwaard ...
in gedachtenis, Wim Brands
toch doet het telkens zeer
als een dichter de nacht opzoekt
om de ochtend te mijden,
heb zijn ogen
niet zien lijden
hij had wel iets dat mij raakte
en heb vaak zijn rug zien buigen
ook diepte in zijn woorden gehoord
die zijn lippen teder maakten
was het een mokerslag van de duivel
op een wellicht niet verwacht moment;
de muur is dan oneindig breed en hoog
of is de liefde plots opgedroogd
en het licht onhoudbaar weggerend,
ik weet niet wat zo zwaar woog
Soms
soms vraag ik me af
door wie ik echt word gekend
zo ik mezelf al begrijp
immers wat is mij bewust bekend
als ik word geraakt
binnen de cirkel van het bestaan
ben ik dan mijn eigen draagbaar
van gemist verstaan
in het nu
of in het verleden
in de verwachting,
zit ik in een draaimolen
als ik dit moment verklaar
ik zie die ander aan
het kan de zucht zijn naar een beminde
door een onzichtbare draad
het kan het gemis zijn aan warmte
vaak uitmondend in verraad
als blijkt dat ik niet weer eens
mezelf kan vinden
en de pijn niet kan verbinden
doorgaans weekt de nacht
en schuif ik bij het eerste licht
de trap weer in elkaar
in dat geval maak ik naar mijzelf
een herstellend gebaar
als echter spijlen ontbreken
vraag ik me af
door wie word ik echt gekend
wie is voor mij
in een andere schaduw weggerend
en ik aan het "zijn" mijn vragen verschaf
de antwoorden liggen vaak
in de tijd verborgen
het is ondoenlijk haar te versnellen
intussen is het eigen besef wel gegroeid
gelijk aan ondergrondse wortels
die je niet ziet maar mij toch iets
over eigen eb en vloed vertellen
ook de zon kan je zomaar kleuren
en onvoorwaardelijke liefde
in je doen opwellen
door wie word ik echt gekend
Onderweg
niet dat ik haar zoek
of juist wel
het zal de lente zijn
die mij beroert
of verlang ik naar mijn huis
waar de duif koert
ik zie hem vaak in de ochtend
op het hekje
waar nu, zo neem ik waar,
iets gevlekt
in een prille struik loert
verlang ik naar jou
of juist niet
verzamel ik enkel stenen
om te stapelen
en sta ik op mijn tenen
om over de einder heen te zien
waar de vervulling wacht
die een mens aldoor wil lenen
en leed van lege kamers verzacht
ik zie uit het raam
en voel de avond
de daken bedekken
met uitgestrekte grijze vlekken
ja, hier is mijn kamer
waar ik altijd voor even toef
omdat ik reis
-dat is mijn doel-
is het ook hier dat ik toch haar voel
ach, het zal de lente zijn
die mij beroert
en mij telkens
van jou naar jou vervoert
Heimwee
over de jaren heen
groeit in mij
een verlangen
naar huis
niet dat mijn gevoel in
oude dromen blijft hangen
mijn hart gaat naar daar
waar ik nimmer ben geweest
plekken die mij
van verre raken,
het is mijn ziel, zo denk ik
die nog dieper zoekt
naar wat reeds in mij is
of toch wel
naar verwachtingen
die op mijn weg te vroeg
zijn opgedoekt
ik kan wel iets zeggen
hoe het daar is;
ik zal opgenomen zijn
in velden bij zonsondergang,
en verblijven in de stilte,
in de rust van de oude dag
het onaantastbare
roept mij dan al wenkend
en, dat weet ik zeker,
met een beminnelijke lach