Eet God vet?
EET GOD VET?
‘Mag ik vijf van die kippenboutjes op een pen alstublieft.’ ‘Is het om mee te nemen?’ ‘Nee, ik eet die hier op. En ook nog een cola graag.’ ‘Zijt u geïnteresseerd in theologie, meneer?’ ‘Pardon?’ Ik had de frietbaas niet goed verstaan door al dat gesis van vet. ‘Theologie, of u geïnteresseerd zijt.’ ‘Eigenlijk niet,’ antwoordde ik verbaasd en hongerig. ‘Dat is mijn compartiment niet. Ik heb honger.’ Potverhippeltjes, zo’n prachtige frietkathedraal met zo’n onderdeurtje erin. Ik bekeek hem scherper. Hij was niet kleiner dan een pygmee. Hij duwde op de knoppen van een van de drie magnetrons die voor hem uit torenden en mikte er ergens de kippenboutjes in. Het leven op aarde was duidelijk al flink geautomatiseerd. ‘Voila, uw cola. Wat vindt u daarvan: iedere professor theologie belijdt toch zijn eigen geloof? Hoe kunnen ze dan in ’s hemelsnaam subjectief … eh, objectief oordelen?’ ‘Potverdorie,’ dacht ik. Het kwam uit de grond van mijn hart. En ik sprak: ‘Ik zou dat niet weten, verdorie.’ ‘Ik ga binnenkort een cursus theologie volgen,’ vervolgde de man. Ik sleurde verwoed aan het treklipje van mijn koele cola en zette de pul aan mijn mond. Mijn borst en mijn tenen stroomden vol met iets ijzigs. ‘Ah ja?’ ‘Ja, niet voor de poes, hoor. Soms komt er hier een jonge kerel friet kopen. Die gaat er in oktober ook aan beginnen, maar hij weet niet wat hij doet.’ ‘O nee?’ ‘Nee, te jong. Ik ben er vijfenveertig. Ik kan met leven en dood omgaan.’ ‘Tja, ik ben er eenenvijftig, en ik rammel van de honger.’ Mompelend voegde ik eraan toe: ‘Ik wist niet dat heiligen ook frieten eten.’ ‘Hoeveel mensen op deze wereld zouden er echt gelukkig zijn?’ vroeg de kerel me nu uitdrukkelijk. ‘Servet?’ ‘Ja, merci, dat ik het begot niet zou weten.’ Ping! Ping! Mijn kippenonderdelen waren klaar. Ik ruilde wat geld voor wat vlees. ‘Voila, meneer, smakelijk. Merci.’ Ik zette mijn tanden in het pluimvee en schudde de vleespen even heen en weer, zoals een krokodil met haar buit doet. ‘Alle godsdiensten zijn eigenlijk een en dezelfde,’ zei de frietbaas, ‘het huis van Maria bijvoorbeeld bevindt zich in Turkije. Weinigen weten dat.’ Ik knikte, at en dronk. ‘Er zou minder oorlog zijn mochten ze dat weten.’ Ik werkte vreugdeloos de boutjes naar binnen en stuurde er een hink-stap-slok cola achter aan. Ook dat was weer volbracht: het voeden, het drenken van het lijf. Gelukkig bedreef niet iedereen theologie, anders zouden er geen frietketen meer zijn. Dus zei ik dankbaar: ‘Zo.’ Voldaan mikte ik de pul, het servet, de pen en het kartonnen bord in de vuilnisbak. Een mens maakt altijd meer afval dan hij aangekocht heeft. ‘Theologie?’ vroeg ik, me omdraaiend. Een opwelling van begrip, na voedertijd. De man was onzichtbaar geworden. Een mirakel. ‘Goeienavond,’ zei ik tegen niemand. Een walm van frietvet en heiligheid woei met me mee in de stille avond.
JORIS DENOO

