The west, the best
THE WEST, THE BEST
Ik denk dat ik erin geslaagd ben alle dorpen van West-Vlaanderen gezien te hebben, eindelijk. Als dichter kan ik schrijven: ‘Ik ben dankbaar dat ik de dorpen heb gezien’. Meteen een alliteratie ofte stafrijm, herinnert u zich nog van uw schitterende lessen Nederlands uit de middeleeuwen van uw leven (met leerboeken zoals ‘Zuid en Noord’, ‘Taalmozaïek’ en ‘ABN-gids’). De dorpen (en steden) in West-Vlaanderen klinken vaak zelf als gedichten. Vele ervan eindigen op een doffe e. Ik kan als verzensmid niet onbewogen blijven bij namen als Stuivekenskerke, Pervijze, Slype, Leisele, Dadizele, Mannekensvere, Poperinge, Outrijve, Zwankendamme, Zwevezele, Wingene, ja: zelfs Hoeke en Heule en Zande en Moere. Voor het blote oog liggen sommige van die dorpen wel even buiten westen. Je moet die zelf ontsluiten, want ministers van Mobiliteit kunnen niet zo ver denken. Maar opgepast! Onderschat het niet! De heilige klank van Kanegem! Het wereldgevoel in Raversijde! De nering en tering in Adinkerke! De vaart der volken in de weiden rond Diksmuide! De laatste chocolade in Abele! De ligging van Lapscheure! De bossen rond Doomkerke! Iets geheimzinnigs in Schuiferskapelle! En ook in Elverdinge! Om van de wegomleggingen in Kruiseke en negentien andere gehuchten nog maar te zwijgen! Het diepst onder de indruk was ik in Stuivekenskerke, in het holst van een polderwinter. Onder het woeden van een heus tempeest (ziedende wind, zwangere wolken, geselende regen) reed ik langs historisch water dat IJzer heet, minutenlang, zonder ook maar een levende ziel of dode auto tegen te komen. Alleen een hoopje dappere West-toeristen koukleumig samengepropt op een boot passeerde ik. Plotseling gebood de pijlpunt van een wegwijzer me linksaf te slaan. Aldus geschiedde. En zie: daar doemde de navel van Stuivekenskerke voor mij op. Eerst liet ik een kasteelhoevehotel (hoevekasteelhotel? hotelhoevekasteel?) links liggen. Ik zal daar ooit terugkomen als ik beroemd ben. Daarna kwam ik op een twintigtal huizen uit, een katholiek gebedshuis en een drenkplaats, ook ‘café’ genoemd. Voor ik van mijn verbazing bekomen was, had ik in mijn pauwblauw vehikel Stuivekenskerke alweer achter me liggen. (Misschien verkiest u auto, voertuig of wagen?) Het was net alsof ik even door een filmdecor gereden was. Die middag passeerde ik ook de Dodengang. Het moet me van het hart dat ik het jammer vind dat het oud-Belgische museumgebouw er vervangen werd door een modern gedrocht. Er is al veel fraai ouds kapotgemaakt in dit land, o.a. een hoop Hortahuizen in Brussel, maar hier in het westen moeten ze ook niet onderdoen, kijk maar naar de foeilelijke bankgebouwen en sommige ongeïnspireerde woontorens voor appartemensen in onze centrumsteden. Verder is het in de tuin van deze kustprovincie best wel aangenaam vertoeven. Ik ben graag West-Vlaming, een niet-zittend beroep. We hebben heuvels, polders, rivieren en zee. Laat ze maar komen uit de binnen- en buitenlanden naar de kust en de slagvelden, met hun Niveadozen en hun halflange drollenvangersbroeken, het zijn allemaal inkomsten, en terug vanwaar ze kwamen moeten ze toch eens, ooit, allemaal, nietwaar. ‘Kust ze,’ mompelen we dan. Van harte grijnsgroetend vanuit deze lage streek, vanwege een westerling: de Schrijver van Miljarden Flarden, geheel de uwe.
JORIS DENOO

