Speurneuzen
SPEURNEUZEN
Morse, Dalziel, Frost: de mannen die me anderhalf uur lang horizontaal in mijn vintage oud-Engelse sofa kunnen houden. Britse huiver op huiskamerformaat. Gelukkig hebben we dat nog, in tijden waar de kijkbuis vooral treurbuis is geworden. Deze chief-inspectors lossen in de fictieve tijd van ongeveer negentig minuten ’s mensen wandaden op. Misdaden en misdrijven. Gerechtigheid geschiedt omstreeks kwart voor elf, maar zelf komen ze er vaak geblutst en gebuild uit. Het zijn alledrie knorrige, very English, drank- of eetzuchtige detectives bij wie blijkbaar ook geen enkele vrouw van het andere geslacht het ziet zitten. Daar zit dus wat in. Met doetjes, watjes en brave zielen bouw je nu eenmaal geen thriller. De misdaad is de beste leerschool om de menselijke ziel te leren kennen. Deze ziel bevindt zich in de linkeroorlel, dat schiereilandje kippenvel vlak boven de linkerschouder. (Noot: sommige mensen hebben geen oorlellen. Anderen perforeren ze of smukken ze op met allerlei prikkelends of hangends. De meeste mensen hebben lelijke oren. Twee, in de meeste gevallen). Maar terug naar Oxford, Cornwall, Denton. Er is ook nog detective Barnaby, televisioneel al heel lang actief. Die oogt menselijker en vriendelijker dan de vroegere tv-detectives. Saaier dus. Vrouwtje, hondje, dochter. Zijn enige nadeel blijkt erin te bestaan dat hij telkens weer op huiselijke momenten zijn vrouw en dochter en glas wijn in de steek moet laten. Hij glimlacht vaak (de andere drie grimlachen), hij vergezelt vrouw en dochter bij sociaal gedoe, hij praat normaal. Alleen zijn jonge kompaan, soms een eikel, krijgt af en toe een sneer, maar die trapt dan ook voortdurend open deuren in. Nou, met mijn vier chief-inspectors heb ik al ontspannende avonden beleefd. De rest mogen ze hebben. En houden. Gelukkig is er geen kijk- en luistergeld meer. Ik betaalde niet graag voor al die randdebiele vertoningen op teevee. Ik herinner me mijn afschuw toen die smoelentrekker Marcel Vanthilt rond Nieuwjaar weer met zijn wenkbrauwend aangelaat op het scherm verscheen en overspannen glunderend als een breedsmoelkikker aankondigde: ‘Hier zijn we weer’. Of de zelfverklaarde historische slimmerik Marc Reynebeau die her en der ten tonele werd gevoerd als tegenwicht voor … nou, hij kreeg dus ooit en eindelijk zijn praatshowtje, waar niemand nog weet van heeft. Maar ik dwaal weer af, driftkikker die ik ben. Ik had het over detectives en misdaad. Misdaad loont. Terwijl ik namelijk naar de exploten van Morse, Frost, Dalziel of Barnaby kijk, word ik ondertussen niet vergiftigd en op stang gejaagd door allerlei bête tv-ego’s en dwaze programma’s of ‘formats’, zoals ze dat nu noemen. Laat ù graag bepalen hoe uw avond eruit zal zien? Ik niet.
JORIS DENOO

