Gerrit Achterberg: Weerbericht
Gerrit Achterberg: Weerbericht
De wolken hangen in een net van licht
tegen het westen, koele dominanten,
die zich langzaam als grote dril voortplanten.
Een zaad trekt heel de witte hemel dicht.
Waarschijnlijk regen, zegt het weerbericht.
Zegen des Heren, van langs alle kanten
komend over de dieren en de planten
en waar gij met uw lichaam tussen ligt.
Ik ben het leven uw bestaan verschuldigd,
maar kreeg de elementen met mij mee.
De stenen dorsten naar verzadiging.
Nu gij u in de dood met ieder ding,
of ik het ben zo vrij vermenigvuldigt,
heb ik met God en alle mensen vree.
Gerrit Achterberg is sinds mijn jeugd mijn lievelingsdichter en hij is dat altijd gebleven. Ik zal een poging ondernemen om het bovenstaande gedicht wat te verduidelijken. Althans zoals ik het zie. Ik ben niet wetenschappelijk onderlegd, het blijft dus de visie van een liefhebbende amateur.
Met dit sonnet opent de bundel Sneeuwwitje. Die vooraanstaande plaats doet vermoeden dat de dichter het een belangrijk gedicht vond.
In de eerste strofe wordt een bewolkte hemel beschreven. Wolken hebben iets dreigends, houden een verwachting in, nl. regen. Maar ze hangen ook in een net van licht. Licht maakt het mogelijk de wolken te zien en het verzacht hun dreiging. Ze hangen ook nog eens in een net, dat veiligheid biedt. De wolken zijn koele dominanten. Dominant is geen weerkundig begrip. Het hoort eender thuis in de biologie en de genetica, bv. een dominant gen. Dat we in een sfeer van reproductie zitten blijkt uit de volgende regels met woorden als voortplanting, dril, zaad.
Zoals we hierna zullen zien, staan de wolken symbool voor de mogelijkheid tot dichten. De regen kan de woorden van een toekomstig gedicht zijn, de inspiratie, enz.
De tweede strofe begint met een nuchtere, zakelijke mededeling van een buitenstaander. Volgens het weerbericht zal het waarschijnlijk gaan regenen. Vervolgens wordt het begrip regen opengetrokken naar God. Regen is een Zegen des Heren. In de Bijbel wordt op talrijke plaatsen naar de heilbrengende regen verwezen. Een mooi voorbeeld vinden we in Hebreeën 6:7. Wanneer de grond de telkens neervallende regen indrinkt en voor die hem bewerken bruikbaar gewas voortbrengt, deelt hij in de goddelijke zegen. De manier waarop de regen valt, komend over de dieren en de planten, doet ons aan een Bijbels ongerept landschap denken.
En dan volgt die prachtige zin: waar gij met uw lichaam tussen ligt. Nu eerst verschijnt de dichter op het toneel en introduceert hij zijn geliefde. Hoe tragisch is die zin. In dat paradijs ligt het dode lichaam van zijn geliefde. Aan de ene kant behoort het ertoe, aan de andere kant is het er door zijn dood van uitgesloten.
Let ook eens op het woord waarschijnlijk waarmee het kwatrijn begint. We kunnen het laten uiteenvallen in waar en schijnlijk. Het waar keert terug in de vierde regel van het kwatrijn. Het schijnlijk is een lichaam (regel 4) dat dood lijkt, maar het niet echt is.
Na de dood van de geliefde te hebben aangekondigd, keert de dichter terug naar zijn leven. Hij heeft ooit een schuld op zich geladen en die moet hij nu inlossen. Zijn opdracht bestaat erin de dode geliefde opnieuw aan het leven te schenken. Hoe kan hij dat doen? Als dichter doet hij haar terug ontstaan in zijn gedichten. Hij kreeg daartoe de elementen mee. De regen uit de vorige strofe die verwijst naar de inspiratie en de gave van het woord.
Voor de zin de stenen dorsten naar verzadiging heb ik niet direct een verklaring. Mogelijk zijn de stenen de neutrale woorden die hevig verlangen om tot een gedicht te worden.
In de laatste strofe heeft de dichter zijn doel bereikt. De dode geliefde heeft nu gemeenschap met de hele natuur. Door de dingen uit de natuur op haar te betrekken, ontstaan de gedichten die haar opnieuw een plaats in het leven geven.
En let even op de woorden of ik het ben. Hij kan natuurlijk geen reële omgang met haar hebben. Het is alsof hij zich met die woorden zelf niet serieus neemt, het lijkt wel een kwinkslag. Maar je kunt het ook wel ernstig lezen. In elk ding waarmee de geliefde omgang heeft, is de dichter aanwezig.
De dichter heeft ten slotte vrede met God (hij lost zijn schuld in, doet boete met zijn gedicht) en met de mensen (die zijn verzen aanvaarden).








