Naar de inhoud

sprokkelhout

seniorennet.beseniorennet.be

Jacques Prévert: Fatras

Jacques Prévert: Fatras

 

Fatras betekent volgens het woordenboek: rommel, prullaria, woordenkraam, nonsens, enz.  In dit geval is het een onsamenhangende verzameling teksten en collages die Prévert in de jaren zestig maakte.

 

Enkele voorbeelden

 

Il a tourné sept fois sa langue dans ma bouche avant de me parler d’amour. Eva

 

Et Dieu
surprenant Adam et Eve
leur dit

Continuez je vous en prie
ne vous dérangez pas pour moi

Faites comme si je n’existait pas.

 

 

J’aime mieux
tes lèvres
que mes livres

 

 

Comme cela nous semblerait flou
inconsistant et inquiétant
une tête de vivant
s’il n’y avait pas une tête de mort dedans

 

C’était l’été

 

Dans ses deux mains
sous ma jupe relevée
j’étais nue comme jamais

Tout mon jeune corps
était en fête
des cheveux de ma tête
aux ongles de mes pieds

J’étais une source qui guidait
la baguette du sourcier

Nous faisions le mal
et le mal était bienfait.

 

 

Ce n’est pas moi qui chante
c’est les fleurs que j’ai vues
ce n’est pa moi qui ris
c’est le vin que j’ai bu
ce n’est pas moi qui pleure
c’est mon amour perdu

 

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 20:08 Reageer op dit bericht

1 reactie op dit bericht

Mandy20 december 2008 om 17:06

Ik wens je een mooi weekend, en fijne kerstdagen.


prettigekerstdagenklokjebutton.gif
Reageer op dit bericht

Reageer op dit bericht

Een titel of je eigen website toevoegen

Van de Woestijne: Vervarelijk Festijn

Van de Woestijne: Vervarelijk Festijn

 

Vervarelijk festijn voor onverzaedlijk dorsten:

zoo hebben ze u gekend, bij smaad- of smeek-gebaar,
die, donker van begeerte of heller liefde klaar,
van u besmaald misschien, misschien u tarten dorsten.

o Bralle broeiïng van het schroeiïg-heete haar
dat ge als de kromme vlam van eene toortse torschte’;
uitdagend dreigement der driest-gedragen borsten;
o buik die glooit en glanst gelijk een beukelaar;

- zóo kenden ze u. En ik, waar ‘k uwe schoonheid schenne,
ik, die me-zelven miek de’ in vrees begeerden Man
die u bevrijden kon en sloeg in slaven-ban;

zelfs ik, uw graauwe Heer, wien géen vrouw ooit zal kennen:
hoe bibbert op mijn lip de bede – o wrang bekennen -,
de bede, uw doem te ontvliên, en die ‘k niet bidden kàn…

 

Dit is een van de gedichten die Jan Decleir voorleest op een cd, samen met een boekje uitgegeven bij Lannoo. Het eerste wat me opviel, was dat er in de voordracht af en toe Claus te horen was. In de eerste plaats de klankrijkdom, maar ook bepaalde woordcombinaties als uw graauwe Heer en buik die glooit en glanst.

Overeenstemming is er ook in de manier waarop beiden zich in hun gedichten tot de vrouw richten. De vrouw heeft iets bedreigends. Zodra de dichter naar de vrouw kijkt, neemt de zinnelijkheid bezit van hem. Van de Woerstijne heeft het daar moeilijk mee, Claus geeft er zich meer aan over (zie bijvoorbeeld de cyclus De vrouw in de Oostakkerse gedichten). Bij beiden ook gaat de relatie met de vrouw gepaard met geweld en vernietiging. Door een vrouw te beminnen doen zij haar pijn, waardoor ze zich schuldig voelen en zelf lijden. Van de Woestijne zegt het met zoveel woorden, Claus laat het verstaan door zijn woordkeuze.

 

Het woordgebruik in dit gedicht is archaïsch: dorsten, driest, smaad- of smeekgebaar enz. Ik ken de betekenis van die woorden maar bij benadering. Ik stel me er iets bij voor, maar als ik de juiste betekenis in het woordenboek opzoek, wint het gedicht aan klaarheid.

Driest bijvoorbeeld betekent vermetel, stoutmoedig, zonder vrees. Hoeveel zinnelijker wordt dan de zin driest-gedragen borsten. Of neem de uitdrukking bij smaad- of smeekgebaar. Men kan zich de mannen voorstellen die om haar gunsten smeken, maar ook degenen die haar smaden, d.i. honen, beledigen. De vrouw op haar beurt besmaalt de mannen: ze spreekt ze met geringschatting toe.

 

De vrouw in het gedicht is een zeer zinnelijke, felbegeerde vrouw, misschien een hoer. In ieder geval een vrouw, of de vrouw, die begeerte opwekt. Net als haar vorige minnaars, geraakt de dichter ook in haar ban en kan hij niet meer van haar loskomen.

 

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 16:53 2 reacties Reageer op dit bericht

John M. Synge: The Playboy of the Western World

John M. Synge: The Playboy of the Western World

 

Synge leefde van 1871 tot 1909. Hij stamde af van een Engelse familie die in het begin van de 17e eeuw van Engeland naar Ierland emigreerde. De Synge’s zouden in Ierland vijf bisschoppen leveren. Zij behoorden tot de Anglo-Irish, d.w.z. mensen die instemden met de overheersing van Engeland over Ierland. Synge studeerde aan het Trinity College in Dublin Hebreeuws en Gaelic. Daarna reisde hij enkele jaren in Duitsland en Frankrijk. In Parijs leerde hij de dichter Yeats kennen en die raadde hem aan om de Aran Islands te bezoeken. In 1898 bezocht Synge die net buiten  de golf van Galway gelegen eilanden. Tot in 1902 zal hij er elke zomer doorbrengen. In de winter beschrijft hij het harde leven van de mensen op die barre en stenige eilanden. Toen hij in Parijs woonde bezocht hij vaak de tentoonstellingen van de impressionisten, met name die van Monet. Zoals deze eenzelfde tafereel op verschillende tijdstippen van de dag schilderde, zo zou Synge dat ook doen in zijn proza. De dichter Yeats typeerde het werk van Synge als volgt: A man trying to look out of a window and blurring all that he sees by breathing upon the window.”

 

Synge heeft ook toneelwerk geschreven. De komedie The Playboy of the Western World werd voor het eerst opgevoerd in januari 1907. De uitvoeringen lokten protest uit. Bij de eerste opvoering in Dublin waren er een week lang opstootjes. In Philadelphia werd zelfs de hele cast aangehouden. Het stuk werd onzedig geacht, onder meer door het gebruik van het woord shift, hemd, in een stuk tekst van de hoofdpersoon: a drift of chosen females, standing in their shifts itself, maybe, from this place to the Eastern World.

 

Voor de Ierse nationalisten was het stuk a slander on the fair name of Ireland, want Synge hing een allesbehalve vleiend portret op van de Ierse boeren. Synge interesseerde zich niet in de eerste plaats voor de Ierse kwestie. Zijn belangstelling ging uit naar het leven en de taal van de Ierse plattelandsbevolking. Zelf schrijft hij in het voorwoord bij dit toneelstuk: In writing The Playboy of the Western World, I have used one or two words only that I have not heard among the country people of Ireland, or spoken in my own nursery before I could read the newspapers. A certain number of the phrases I employ I have heard also from herds and fishermen along the coast from Kerry to Mayo or from beggar-women and ballad-singers nearer Dublin; and I am glad to acknowledge how much I owe to the folk-imagination of these fine people. Anyone who has lived in real intimacy with the Irish peasantry will know that the wildest sayings and ideas in this play are tame indeed, compared with the fancies one may hear in any hillside cabin in Geesala, or Carraroe, or Dingle Bay.

 

Het stuk speelt zich af in een shebeen of sluikschenkerij aan de wilde kust van het graafschap Mayo. Pegeen, de dochter van de uitbater is verloofd met een jonge boer. Haar vader en enkele vrienden zijn de komende nacht afwezig, en ze heeft angst om alleen te blijven. Haar vriend wil echter niet alleen met haar blijven, omdat zoiets niet mag van de dorpspriester. Op een bepaald moment komt er een vreemdeling binnen (de playboy). Hij zegt al elf dagen op de dool te zijn nadat hij zijn vader met een bijl het hoofd heeft ingeslagen. In tegenstelling met wat men zou verwachten, wordt de jongeman als een held ontvangen en valt hem het geflirt van de meisjes te beurt. Maar na een tijdje duikt de zogezegd vermoorde vader op. Er volgt nog een moordpoging, maar uiteindelijk een verzoening tussen vader en zoon en hun vertrek tot groot verdriet van Pegeen, die the only playboy of the western world moet laten gaan.

 

Het toneelstuk leest niet gemakkelijk. Synge gebruikt de taal en het slang van de plattelanders met allerlei eigenaardige zinsconstructies.

Enkele willekeurige voorbeelden:

 

And I brought you a little laying pullet - boiled and all she is – was crushed at the fall of night by the curate’s car. Feel the fat of that breast, mister.

 

A soft lad the like of you wouldn’t slit the windpipe of a screeching sow.

 

You should have had great people in your family, I’m thinking, with the little, small feet you have, and you with a kind of a quality name, the like of what you find on the great powers and potentates of France and Spain.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 16:22 Reageer op dit bericht

Synge: prelude

Als toegift een gedichtje van Synge:

PRELUDE

 

 

Still south I went and west and south again,
Through Wicklow from the morning till the night,

And far from cities, and the sights of men,

Lived with the sunshine and the moon's delight.

 

I knew the stars, the flowers, and the birds,

The gray and wintry sides of many glens,

And did but half remember human words,
In converse with the mountains, moors, and fens.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 00:00 Reageer op dit bericht

Alan Bennett: The Uncommon Reader

Alan Bennett: The Uncommon Reader

 

Die ongewone lezer is de koningin van Engeland. Ze komt toevallig op een plek buiten het paleis waar ze niet vaak komt en waar die dag net de bibliobus staat. Behalve de chauffeur is er alleen een roodharige jongen aanwezig. Deze Norman werkt in de keuken van het paleis. De queen neemt om te beginnen een roman van Ivy Compton-Burnett mee, een schrijfster van familieromans. Ze krijgt de smaak van het lezen te pakken en de week daarop bezoekt ze opnieuw de bibliobus. Ze laat zich bij haar lectuur begeleiden door Norman. Deze homoseksuele jongeman bevalt haar zo, dat ze hem benoemt tot haar literaire assistent. Hij krijgt een bureau in de gang in de buurt van de koninklijke vertrekken, tot ergernis van de naaste medewerkers van de koningin. De queen geraakt verslaafd aan het lezen. De humoristische passages volgen elkaar nu op.

 

Af en toe volgen er pretentieloze beschouwingen over boeken en lezen.

 

The appeal of reading, she thought, lay in its indifference: there was something lofty about literature. Books did not care who was reading them or whether one read them or not. All readers were equal, herself included. Literature, she thougt, is a commonwealth; letters a republic.

 

Here in these pages and between these covers she could go unrecognised.

 

De koningin moet een officieel bezoek brengen aan Wales. Ze vraagt Norman welke Welshe schrijvers ze tijdens haar reis zou kunnen lezen. Dylan Thomas en John Cowper Powys hebben ze al gehad. Het gesprek met Norman gaat zo verder:

 

“You could try Kilvert, ma’am,” said Norman.

“Who’s he?”

“A vicar, ma’am. Nineteenth century. Lived on the Welsh borders and wrote a diary. Fond of little girls.”

“Oh,” said the Queen, “like Lewis Carroll.”

“Worse, ma’am.”

“Dear me. Can you get me the diaries?”

“I’ll add them to our list, ma’am.”

 

Bij een andere gelegenheid leest ze Henry James, bij wie het verhaal nogal eens wil slabakken.

 

It was Henry James she was reading one teatime when she said out loud, “Oh, do get on.”

The maid, who was just taking away the tea trolley, said, “Sorry ma’am,” and shot out of the room in two seconds flat.

“Not you, Alice,” the Queen called after her, even going to the door. “Not you.”

 

Bij een bezoek aan Canada:

 

In the far north what few polar bears could be assembled hung about waiting for Het Majesty, but when she did not appear loped off to an ice floe that held more promise. Logs jammed, glaciers slid into the freezing waters, all unobserved by the royal visitor, who kept to her cabin.

“Don’t you want to look at the Lawrence Seaway ?” said her husband.

“I opened it fifty years ago. I don’t suppose it’s changed.”

 

Het boekje (121 kleine bladzijden) verscheen in 2007 bij Faber and Faber. Het is het leukste wat ik in jaren gelezen heb

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 15:17 Reageer op dit bericht

James Baldwin: Going to meet the man

James Baldwin: Going to meet the man

 

Deze bundel bevat 9 verhalen. Ze gaan over de jeugd van een zwarte jongen, over discriminatie, de gelovige gemeente, een lynchpartij, enz.

Beter dan de verhalen na te vertellen, kan ik enkele mooie passages overtikken.

 

Uit Previous Condition.

Een zestienjarige jongen verlaat zijn thuis en vindt onderdak bij een vriend. Als de landlady ontdekt dat hij zwart is, vliegt hij aan de deur. Hij gaat zich bedrinken en maakt in een bar kennis met een oude vrouw.

“Baby,” said the old one, “what’s your story?”

“I got no story, Ma”, I said

 

Uit Sonny’s Blues

Over een barmeid:

When she smiled one saw the little girl, one sensed the doomed, still-struggling woman beneath the battered face of the semi-whore.

Over het kind

He hopes that there will never come a time when the old folks won’t be sitting around the living room, talking about where they’ve come from, and what they have seen, and what’s happened to them and their kinfolk. But something deep and watchful in the child knows that this is bound to end, is already ending. In a moment someone will get up and turn on the light. Then the old folks will remember the children and they won’t talk anymore that day. And when light fills the room, the child is filled with darkness. He knows that everytime this happens he’s moved just a little closer to the darkness outside. The darkness outside is what the old folks have been talking about. It’s what they have come from. It’s what they endure. The child knows that they won’t talk anymore because if he knows too much what’s happened to THEM, he’ll know too much soon, about what’s going to happen to HIM.

Over de kerkdienst

“Tis the old ship of Zion,” they sang, and the sister with the tambourine kept a steady, jangling beat “it has rescued many a thousand!”. Not a soul under the sound of their voices was hearing this song for the first time, not one of them had been rescued. Nor had they seen much in the way of rescue work being done around them. Neither did they especially belief in the holiness of the three sisters and the brother, they knew too much about them, knew where they lived, and how.

 

 

Uit This Morning, this Evening, so soon

Over de tegenstelling VS-Europa bij Amerikanen aan boord van een schip

It was a friendliness which did not suggest, and was not intended to suggest, any possibility of friendship. Unlike Europeans they dropped titles and used first names almost at once, leaving themselves, unlike the Europeans, with nowhere thereafter to go. Once one had become Pete or Jame or Bill all that could decently be known and any suggestion that there might be further dephts, a person, so to speak, behind the name, was taken as a violation of that privacy which did not, paradoxically, since they trusted it so little, seem to exist among Americans. They apparently equated privacy with the unspeakable things they did in the bathroom or the bedroom, which they related only to the analyst, and then read about it in the pages of best sellers.

 

 

Uit Going to meet the man

Dit is een verschrikkelijk lynchverhaal. Twee staaltjes van de racistische instelling van de blanke sheriff uit het begin en het einde van het verhaal.

 

He could not ask his wife to do just a little thing for him, just to help him out, just for a little while, the way he could ask a nigger girl to do it.

 

Come on, sugar. I’m going to do you like a nigger, just like a nigger, come on, sugar, and love me just like you’d love a nigger.

 

 

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 14:32 Reageer op dit bericht

Laura Esquivel: Como agua para chocolate

Laura Esquivel: Como agua para chocolate

 

Deze roman is van 1989, waarmee ik maar wil zeggen dat men deze rubriek niet moet lezen om zijn actualiteitswaarde. De roman is vertaald in 33 talen en haalde een miljoenenoplage. Hij is verfilmd en in de Nederlandse vertaling luidt de titel Rode rozen en tortilla’s. Dit boek is het debuut van de Mexicaanse schrijfster Laura Esquivel die geboren is in 1950.

 

De roman telt 12 hoofdstukken, van januari tot december. Het verhaal speelt zich echter af over een veel langere periode. Het meest in het oog springend in dit boek zijn de recepten. Elk hoofdstuk begint ermee en ze worden stuk voor stuk uitvoerig beschreven. Het gaat om Mexicaanse schotels waarvan we hier niet altijd de ingrediënten zullen vinden.

 

Een meisje vertelt het verhaal van haar grootmoeder Tita. Als de jongste van drie zussen al de 15-jarige Tita nooit kunnen trouwen. De traditie wil dat zij bij haar moeder blijft en haar verzorgt tot ze sterft.

(Toevallig hoorde ik deze week dat een min of meer gelijkaardige traditie bij andere volkeren ook nog bestaat. Zo wil de traditie bij de Kosovaren dat het jongste kind later moet zorgen voor de opvang van de ouders).

Pedro is een jongeman die op Tita verliefd is en omdat hij bij haar in de buurt wil blijven, trouwt hij dan maar met haar oudere zus Rosaura. Die situatie vraagt om problemen die uiteindelijk 22 jaar later een oplossing krijgen.

Een groot deel van het verhaal speelt zich af in de keuken en tijdens het bereiden van de gerechten. Een ander thema is dat van het vuur en de letterlijk brandende passie. De gebeurtenissen vinden plaats op het platteland, met op de achtergrond de Mexicaanse revolutie. Geregeld duiken fantasie en magie op, maar dat stoort niet als men bedenkt dat het een verhaal betreft dat jaren later wordt verteld door de kleindochter.

 

Ik heb het boek graag gelezen. En afgezien van de typisch Mexicaanse woorden, is het ideale lectuur voor mensen die op zoek zijn naar een niet al te moeilijke roman in het Spaans.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 13:58 Reageer op dit bericht

Carry van Bruggen: Goenong Djatti

Carry van Bruggen: Goenong Djatti

 

In 1904 vertrok Carry met haar man Kees van Bruggen naar Indië. Kees had zich laten scheiden van zijn vrouw en was daardoor zijn baan bij de krant kwijt geraakt. Hij werd hoofdredacteur van een krant op Sumatra. Carry begon zelf ook artikelen voor die krant te schrijven.

Kees was nogal kritisch ingesteld, wat niet in goede aarde viel bij de conservatieve planters. Ook Carry riep door haar onorthodoxe opvattingen weerstanden op. Ze werden het slachtoffer van roddel en keerden in 1907 ontgoocheld terug naar Nederland. Ze schreef deze roman toen ze in Nederland terug was.

 

De roman speelt zich af op Sumatra, in de kringen van tabaksplanters met duizenden arbeiders, koelies, onder zich.

Zeker in de eerste helft van de roman gebeurt er weinig. De auteur beschrijft het wereldje van de planters-ambtenaren. De naijver, de liefdesperikelen, de tegenstelling tussen de volbloed Nederlanders en de Indo-Europeanen of halfboeden.

Er was in Nederlands-Indië een groot tekort aan Nederlandse vrouwen.  Vandaar dat de Europese vrijgezellen hun gang mochten gaan met de inheemse vrouwen, terwijl er veel minder tolerantie aan de dag werd gelegd tegenover de inlandse huishoudsters en de kinderen, de zogenaamde Indo’s, die uit die verbindingen voortkwamen. Een ander gevolg van dat vrouwentekort was het zogenaamde ‘trouwen met de handschoen’. Een Nederlandse vrouw sloot een huwelijk met de gevolmachtigde van de bruidegom die in Indië verbleef.

De inheemse bevolking is uitsluitend aanwezig als huispersoneel, koeriers, oppassers enz. Over de plantagewerkers wordt met geen woord gerept. Alleen tijdens een gezellig tochtje van de hoofdadministrateur en de vrouwelijke hoofdpersoon wordt even aandacht besteed aan de levensomstandigheden van de inheemse bewoners. Kampong na kampong (= inheemse woonwijk) volgde, de meeste armelijk en vuil, ’n klusje lage, wrakke huisjes van gevlochten atap (= dakbedekking van palmbladeren)  te midden vervallen erfjes en slordige groentetuintjes. Magere kippen op hoge poten doorwroetten driftig de soppige modderkuilen, trage kinderen met puilende bruine rijstbuikjes beknauwden eindjes suikerriet…

 

In de roman wordt vooral een sfeer geschapen. De dreiging die uitgaat van de natuur, de dieren (tijgers) en de mensen contrasteert met het burgerlijke leven van de kolonisten.

 

In de laatste hoofdstukken gebeurt er toch nog wat. Een afgewezen halfbloedvrouw en een inheemse concubine beramen een moord op hun rivale. Alles wat al de hele tijd broeide, komt nu aan de oppervlakte. Het blijkt dat het leven in den vreemde niet gemakkelijk is. De Hollandse kneuterigheid is niet bestand tegen de dreiging en het geweld van het Indische leven.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 17:06 2 reacties Reageer op dit bericht

Carry van Bruggen: Anekdote

Carry van Bruggen: Anekdote

 

Uit het boek Carry van Bruggen: Een Documentatie van Jan Fontijn en Diny Schouten uit 1978, de volgende anekdote.

 

Van Bruggen was een tijdje lerares en had een Jiddisch meisje in de klas dat Roosje heette, maar niet al te fris rook. In overleg met het schoolhoofd schreef Carry het volgende briefje: Of de moeder het kind eens wilde wassen.

 

Ze kreeg een strookje papier terug waarop geschreven was: Juffrouw, Roosje is om aan te leren en niet om aan te ruiken.

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door john om 10:54 Reageer op dit bericht

Juan Filloy: De Bende

Juan Filloy: De Bende

 

Een roman uit 1938 van een Argentijnse auteur die maar liefst 105 jaar oud is geworden en een grote reeks romans heeft geschreven. Van hem is verder alleen de roman Op Oloop in het Nederlands verschenen. Filloy was nogal een eigenaardige man. Zo had hij als hobby het vinden van palindromen, waarvan hij er duizenden heeft geschreven. Een andere eigenaardigheid: de titels van al zijn romans tellen stuk voor stuk zeven letters.

 

Niet te verwonderen dus dat De bende draait om een groep van zeven schelmen. Ze doen zich voor als landlopers, maar intussen proberen ze op hun manier de zaak van de revolutie vooruit te helpen en het onrecht te bestrijden. Ze hebben een dame opgelicht en met dat geld trekken ze door Argentinië om her en der milde schenkers te spelen. De personages zijn een allegaartje, van geflopte bankdirecteur tot poëtische naturen, met namen als Longines (een Zwitser) Wijlen, Oude Liefde Fortunato enz.

 

Waarschijnlijk de beste roman die ik dit jaar gelezen heb.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 10:43 Reageer op dit bericht

Sébastien Japrisot: L'été meurtrier

Sébastien Japrisot: L’été meurtrier

 

Mijn eerste kennismaking met deze auteur/cineast was de film Compartiment Tueurs uit 1965 van Costa-Gravas, naar de gelijknamige roman van Japrisot. Ik heb die thriller ook pas herlezen, maar hij viel wat tegen. De film daarentegen vond ik destijds heel goed.

De centrale figuur in l’été meurtrier is Eliane of Elle of Celle-là. Een meisje van twintig dat wraak wil nemen op de mannen die haar moeder twintig jaar geleden op een vreselijke manier verkrachtten en waarbij zij verwekt werd. Ze heeft een gespleten persoonlijkheid en is een raadsel voor de vele mannen met wie ze omgaat. Ze doet er alles aan om de verkrachters van destijds op te sporen en treft voorbereidingen om hen te vermoorden. De ontknoping is pijnlijk en verrassend.

 

De roman, toch 433 blz., verveelt geen moment. Dat is vooral te danken aan de stijl, het taalgebruik en de humor van de auteur.

 

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 10:32 Reageer op dit bericht

Richard Hough: The Potemkin Mutiny

Richard Hough: The Potemkin Mutiny

 

De pantserkruiser Potemkin maakte zich klaar om deel te nemen aan manoeuvres in de Zwarte Zee. Vooraf zouden de nieuwe kanonnen nog worden getest.

Er heerste onrust in Rusland. In januari 1905 waren er stakingen in Sint-Petersburg. De arbeiders eisten een achturenwerkdag en een degelijk loon. Op 22 januari was er grote optocht die door de officieren van de tsaar onder vuur werd genomen. Daarbij vielen meer dan 500 doden.  De onrust verspreidde zich over het hele land en ook op de vloot in de Zwarte Zee. Op elk oorlogsschip waren er wel enkele revolutionairen en her en der brak er muiterij uit. De Potemkin met zijn 670 manschappen werd nog aangezien als een vrij veilig schip.

Op 27 juni had er echter een incident plaats. Er was vlees aan boord gebracht. De karkassen hingen op het dek. De matrozen ontdekten echter maden in het vlees en deden hun beklag. De scheepsarts werd erbij gehaald, maar die keurde het vlees goed. Toen de matrozen weigerden te eten, riep de kapitein iedereen aan dek. Maar de matrozen wilden niet toegeven. De eerste officier dreigde ermee om de muiters te fusilleren. De toestand werd erger en de eerste schoten vielen. Binnen de kortste keren hadden de zeelui het schip overgenomen. De kapitein en zes officieren werden neergeschoten en overboord gegooid. Enkele officieren konden ontsnappen naar een torpedoboot in de buurt. De leiding van het schip ging nu over in de handen van Matushenko, een revolutionair. Op 28 juni was er in Odessa , waar de Potemkin op de rede lag, een grote betoging die bloedig werd onderdrukt door onder andere de kozakken van de tsaar. Er vond een bloedbad plaats op de Richelieutrappen in Odessa, een episode die onsterfelijk is gemaakt door Eisenstein in zijn film Pantserkruiser Potemkin.

Op de Potemkin had men erop gerekend dat ook de andere oorlogsschepen in de Zwarte Zee in opstand zouden komen, maar die opstand bleef uit. Na een mislukt bombardement van Odessa, waarbij alleen burgerslachtoffers vielen, begon de Potemkin aan een zwerftocht door de Zwarte Zee. De omstandigheden en de sfeer aan boord werden slechter. Het schip had te weinig steenkool en eten en gaf zich ten slotte op 8 juli over in de Roemeense haven Constanza. De Potemkin werd tot zinken gebracht, maar zou later geborgen worden en opnieuw in de vaart komen.

De bemanning kreeg asiel in Roemenië. De leider van de opstand, Matushenko, ging in 1908 in op een amnestievoorstel van de Russische regering. Aan de grens werd hij echter aangehouden en als verrader opgehangen. Een deel van de muiters werd opgevangen in Engeland en zou later emigreren naar Argentinië.

Hoe vind je dit bericht? 4 stemmen
Geschreven door john om 13:54 Reageer op dit bericht

Leonardo Sciascia: De Zaak Aldo Moro

Leonardo Sciascia: De Zaak Aldo Moro

 

Op 16 maart 1978 werd Aldo Moro door de Rode Brigades ontvoerd. De vijf leden van zijn escorte werden doodgeschoten. Op 9 mei werd zijn lijk in de bagageruimte van een auto teruggevonden. Aldo Moro was de voorzitter van de Democrazia Cristiana.

 

Dit boekje (150 blz.) is allesbehalve wat men een krantenverslag van de ontvoering zou kunnen noemen. Het is ook geen politiek pamflet ten gunste van deze of gene en al evenmin een geromantiseerd verhaal. Wat is het dan wel ?  Het boek houdt het midden tussen een essay, een thriller, een literair werk, een politieke analyse, een tekstanalyse, enz.

In elke zin voelt men de verontwaardiging van de schrijver en de verbetenheid waarmee hij in deze zaak duidelijkheid wil scheppen. Hij doet dit vooral aan de hand van de brieven die Aldo Moro vanuit zijn gevangenschap naar zijn familie, de kranten en politieke persoonlijkheden kon en mocht sturen. Sciascia ontcijfert in die brieven geheime boodschappen en gaat na op welke manier Moro probeert om zijn ontvoerders te slim af te zijn.

Een centraal thema in het boek is de taal. Het verhullende taalgebruik van de politici, waaraan ook Moro zich schuldig maakte, en dat nu, in de brieven van Moro een onthullende functie krijgt.

Sciascia maakt vooral het proces van de Democrazia Cristiana, een partij die het been stijf hield en niet bereid was om Aldo Moro te ruilen voor gevangenen van de Rode Brigades. Een partij die doof bleef voor de smeekbeden van haar ontvoerde partijvoorzitter.

 

Dit is een grandioos boek. Het vraagt wel een inspanning om het te lezen. Bepaalde passages, zoals het begin over Pasolini, heb ik enkele keren moeten lezen voordat ik mee was.  De invalshoek van het boek is heel verrassend en de rijkdom aan ideeën is enorm.

Een boek voor mensen met politieke en historische belangstelling en die Italië in het hart dragen.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 08:21 Reageer op dit bericht

A. Stifter: Brigitta

A. Stifter: Brigitta

 

Oostenrijks schrijver die leefde van 1805 tot 1868.

 

Deze novelle is ook in het Nederlands vertaald. Ze verscheen in een dun boekje bij de Wereldbibliotheek dat je soms nog aantreft in een kringloopwinkel.

 

De novelle bestaat uit drie delen: Steppenwanderung, Steppenhaus, Steppenvergangenheit en Steppengegenwart. Die steppe is de Hongaarse poesta. De verteller schrijft hoe hij er op jonge leeftijd een bezoek bracht aan de “de majoor”. Deze vijftiger had hij leren kennen op een reis in Italië. Hij woont op het landgoed Uwar. Op zijn weg ernaartoe komt de verteller eerst op het landgoed Moroshely, waar hij kennismaakt met de landeigenares die we later als Brigitta zullen leren kennen. Ze leeft daar met een zoon, nadat haar echtgenoot en kort na haar huwelijk was van doorgegaan met een andere vrouw. De majoor bezoekt haar geregeld en is beste maatje met de zoon.

 

Op een dag maken de verteller en de majoor een rit te paard. Plots horen ze schoten en de majoor herkent in het geluid zijn pistolen. Wat is er gebeurd ? De zoon van Brigitta is door een aantal wolven aangevallen en gebeten. Beide mannen kunnen de jongen ontzetten en rijden hem naar het landgoed van zijn moeder. Dan volgt de ontknoping van het verhaal. Terwijl de moeder bij het bed van haar zoon zit, is de majoor droevig gestemd. De verteller vraagt hem wat er scheelt en de majoor antwoordt: “Ich habe kein Kind”. Brigitta heeft die woorden gehoord en zegt enkel: “Stephan”. De twee vallen elkaar in de armen. Stephan was namelijk de vader van haar zoon en had haar destijds in de steek had gelaten.Na lange omzwervingen had hij zich in de buurt van het landgoed van Brigitta gevestigd en er ook een bedrijf opgericht. Vijftien jaar lang zagen ze elkaar, maar is het nooit tot een persoonlijk gesprek of een verzoening tussen beiden gekomen. Alleen de gebeurtenis met hun zoon heeft hen weer bij elkaar gebracht.

 

Ter afsluiting nog een droevig gedicht van Stifter

 

Herbstabend

 

Der Herbstwind weht durch falbe Auen,

Das Abendrot is blaß und kalt,

Zwei halb erblichene Sterne schauen

Hernieder auf den Tannenwald.

 

Zerstörte Wolkenbilder ziehn

Vereinzelt durch den Himmel hin,

Und kalte Abendnebel wehen

Von jenen ausgestorbnen Höhen.

 

Und was dein Auge keimen sah,

Zerstört ist’s oder ist erkranket,

Nur in den Stoppeln hier und da

Noch ein vergessenes Hälmchen wanket.

 

Das Abendglöcklein tönt von ferne,

Wehmütig schwellt das Herz mir an,

Die Astern sehen mit traurigem Sterne

Aus diesem Blumenbeet mich an.

 

Und wie des Ostes feuchter Hauch

Die Blätter regt am Fliederstrauch,

So flüstert es wie eine Klage

Um längst vergangne Friedenstage.

 

Und fröstelnd bricht die Nacht herein,

Und Nebel dehnt sich dort am Teiche

Und hült die tristen Gründe ein

Wie Weiße Tücher eine Leiche.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 08:39 Reageer op dit bericht

Lodeizen/Merrill

Lodeizen/Merrill

 

In september 1946 arriveerde Hans Lodeizen (toen 24 jaar) in het Amherst College in Massachusetts om er zijn master in de biologie te halen. Hij was al zijn hele leven gefascineerd door mieren en had daarover al enkele, niet echt heel wete’nschappelijke, bijdragen geschreven.

In Amherst maakte hij kennis met een groepje jongemannen die zich voor literatuur interesseerden. Een van hen was de dichter James Merrill, net als Lodeizen een jongeman van rijke afkomst. Merrill was verliefd op Lodeizen, maar die had zijn oog al op een andere student laten vallen. Toch zouden de twee vrienden blijven.

 

Een goed een recnte biografie is: Koen Hilberdink: Hans Lodeizen. Uitgeverij G.A. van Oorschot. Amsterdam 2007.

 

In 1959, negen jaar na de dood van Lodeizen, schreef Merrill het mooie onderstaande gedicht, waarvan ik een poging tot vertaling laat volgen.

 

James Merrill: A Dedication

 

Hans, there are moments when the whole mind

Resolves into a pair of brimming eyes, or lips

Parting to drink from the deep spring of a death

That freshness they do not yet need to understand.

These are the moments, if ever, a, angel steps

Into the mind, as kings into the dress

Of a poor goatherd, for their acts of charity

These are moments when speech is but a mouth pressed

Lightly and humbly against the angel’s hand.

 

 

Hans, er zijn momenten waarop het hele gemoed

Zich uitstort in een paar vochtige ogen, of op lippen

Die zich openen om uit de diepe bron van een dode

Dat heldere water te drinken dat ze nog niet hoeven te begrijpen.

Op zulke momenten, en alleen dan, stapt een engel

In het gemoed, zoals een koning, die zich mild wil tonen,

In de kleren van een arme geitenhoeder.

Er zijn momenten waarop spreken enkel een mond is

Die zich licht en nederig op een engelenhand drukt.

 

 

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 20:02 1 reactie Reageer op dit bericht

Gezelle

Tempus edax...


’t Is stille ! Neerstig tikt het on-

gedurig hangend wezen,

waarop de weg naar ’t eeuwige, in

twaalf stappen, staat te lezen.

 

’t Is stille en middernacht ! Alsof

ik blind ware, om mij henen,

in donkere diepten schijnt het al

verduisterd en verdwenen.

 

’t Is stille ! Niets te zien en niets

te hooren, - ’t doet mij beven ! –

als ’t altijd neerstig bijten van

den tijdworm aan ons leven !

 

In dit op het eerste gezicht simpele vers verwoordt Gezelle de vergankelijkheid van het leven.

 

In het eerste kwatrijn is de dichter nog afwezig. Hij beschrijft een stille kamer waarin alleen het tikken van een klok hoorbaar is. De stilte is echter niet rustgevend. Het onophoudelijk tikken van de klok is eerder benauwend. Gezelle noemt de klok niet bij naam. Hij verpersoonlijkt haar tot een ‘hangend wezen’, wat haar spookachtig maakt. Ook de verwijzing naar het eeuwige (de dood, die in het gedicht ook niet bij name genoemd wordt) en nog wel in twaalf stappen (een lijdensweg) verhoogt het angstgevoel. Die eerste strofe roept een Poe-achtige sfeer op. In het hangend wezen herkent men gemakkelijk de gekruisigde Christus. De twaalf stappen verwijzen mogelijk naar de kruisweg. Die telt weliswaar veertien statiën, maar in de twaalfde sterft Christus, terwijl dertien en veertien gaan over de kruisafneming en de graflegging van Christus.

 

In de tweede strofe schrijft de dichter over zichzelf. Het is middernacht. Dat is tegelijk het moment waarop de nacht het verst gevorderd is, maar ook het moment waarop de nieuwe dag begint. En die nieuwe dag kondigt zich niet goed aan. Alsof ik blind ware, zegt de dichter, waarmee hij aangeeft dat hij om zich heen geen houvast meer heeft, en hij noodgedwongen op zichzelf is aangewezen. Wat om hem heen was is verduisterd en verdwenen. Er blijft niets tastbaars over, wat hem rest is zijn eigen donkere innerlijk. We horen hierin het De profundis, uit de diepten, van psalm 130 (129).

 

In de derde strofe is de stilte helemaal omgeslagen in angst. Zij doet de dichter beven. Hij hoort opnieuw alleen het tikken van de klok, maar nu hoort hij daarin het bijten van de tijdworm aan ons leven. Door zijn woordkeuze blijkt dat de dichter niet verzoend is met de dood. Zijn toon is bitter.

 

Het neerstig tikken van de klok in de eerste strofe is uitgemond in het neerstig bijten van de tijdworm. Zoals ik al zei, vermijdt de dichter het woord dood. De twee laatste regels zijn regels van verzet en protest. Dat hij zich niet neerlegt bij het onvermijdelijke, blijkt dat hij dit doodsgedicht laat eindigen met het woord ‘leven’

 

Het motto van het gedicht is Tempus edax… (rerum), de tijd die alles verslindt. Het komt uit de metamorfosen van Ovidius (15, 234).

 

Het gedicht is waarschijnlijk in 1890 geschreven. Gezelle was toen zestig jaar.

Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door john om 11:24 1 reactie Reageer op dit bericht

Michaël Borremans: The glaze

Michaël Borremans: The glaze

 

Momenteel loopt er in de Zeno X Gallery in Antwerpen een tentoonstelling met recent werk van Michël Borremans. Een schilder die de jongste jaren veel succes heeft. The glaze is het schilderij naar een beeldje van de oma van de schilder.

 

Wie het schilderij wil zien, vindt het op het volgende adres: http://www.zeno-x.com/currentshow.htm.

Hier moet men het nummertje 2 aanklikken.

 

Het licht valt links binnen en sterk op het gelaat van het beeldje, waardoor het gedeeltelijk oplost en de rechterhelft enkel door wat schaduw boven het oog te onderscheiden is van de witte kraag. De linkerhelft van het gelaat is subtiel weergegeven door enkele schaduwstrepen en het rode driehoekje en streepje van neus en mond.

Het beeldje wordt vooral gekenmerkt door de rondingen, de gebogen lijnen. Bovenaan op de muts zijn de lijnen een keer bol, alle andere rondingen zijn hol: de onderkant van de muts, het haar, de wenkbrauwen, de onderste helft van het gelaat, de kraag, het kleed, het sokkeltje. Daardoor krijgt het beeld een draaiende beweging die nog wordt geaccentueerd door de rechterarm en de richting van de hand. Die draaiende beweging vind men bijvoorbeeld ook terug in een ander prachtig werk: De wachter van Muñoz in het SMAK in Gent.

 

Doordat de hele achtergrond gevuld is met een zelfde patroon, lijkt het beeldje niet ergens op te staan, maar lijkt het te zweven. Men zou kunnen denken aan een tenhemelopneming van Maria, ook door de neerwaartse blik van het meisje. Men kan ook denken aan de Maria van een piëta, maar zonder het lichaam van Christus. Of aan de dienstmaagd.

 

Wat maakt het schilderij nu zo treffend, zo geslaagd en ontroerend?

Ik denk het feit dat we er geen beeldje meer in zien. Stel je voor dat het echte beeldje naast het schilderij zou opgesteld staan. Pas dan zou het opvallen dat Borremans veel meer heeft gedaan dan ‘een beeldje schilderen’. Op het schilderij is het beeldje een kwetsbare, ingetogen figuur geworden. Die kwetsbaarheid wordt ook aangegeven door de beschadiging, de ontbrekende linkerhand. Die ontbrekende hand rukt ons ook uit onze droom: wat je ziet is de afbeelding van een beeldje, niets meer.

 

 

Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door john om 20:28 Reageer op dit bericht

McEwan: Aan Chesil Beach

McEwan: Aan Chesil Beach

 

Een beetje tegen mijn gewoonte in een hedendaags boek gelezen. Deze roman is de hemel in geprezen en heeft heel goed verkocht. Het is een boek dat men absoluut wil uitlezen om te weten hoe het afloopt. Toch heeft het me een beetje ontgoocheld. Ik vond de roman te gefabriceerd. Een schema dat met woorden werd ingevuld. Geschreven door iemand die de stiel te goed kent.

Een pas getrouwd stel brengt zijn huwelijksdag door in een hotel bij Chesil Beach. Zowel aan de man als aan de vrouw scheelt er wat op seksueel vlak. De man heeft last van voortijdige zaadlozingen, de vrouw heeft een afkeer van seks. Het koppel heeft zijn problemen verzwegen en ook tijdens hun eerste vrijpartij vinden ze de juiste woorden niet om erover te praten. Het feest loopt dan ook verkeerd af en de eerste huwelijksdag is tevens de laatste. In het laatste deel schets de auteur de verdere levensloop van het koppel.

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door john om 20:08 Reageer op dit bericht

Hanshan: Gedichten van de Koude Berg

Hanshan: Gedichten van de Koude Berg

 

Dit boekje werd in 1977 uitgegeven door De Arbeiderspers. De gedichten werden vertaald door W.L. Idema die de bundel ook voorzag van een interessant nawoord. Hanshan betekent koude berg. De naam werd gegeven aan de dichter die op het einde van zijn leven op die Chinese berg als kluizenaar zou hebben geleefd. Dat was mogelijk in de 2e helft van de 8e en de eerste helft van de 9e eeuw. Men kan zich afvragen of deze gedichten voor ons nog verstaanbaar zijn. Er is niet alleen het grote tijdsverschil, maar ook het grote cultuurverschil. Om een idee te geven zal ik het eerste gedicht uit de bundel overnemen.

 

‘k Heb altijd op een dorp gewoond,

Daar vond me ieder weergaloos.

Maar gist’ren kwam ik naar de stad,

Toen keken honden van me op.

De een vond er mijn broek te nauw,

Een ander leek mijn jas wat lang.

Steekt men de valk de ogen uit

Dan hebben mussen lef en branie!

 

Uit het nawoord wil ik ook een passage citeren.

 

Het boeddhisme leert dat een eigen ik, een ziel, niet bestaat. De mens is niet anders dan een toevallige bundeling van een aantal elementen waarvan de geest er slechts een is. Deze bundeling valt met de dood uiteen.

 

Zelf ben ik geen boeddhist. Er zijn trouwens zoveel verschillende scholen dat ik niet zou weten bij welke ik me zou moeten aansluiten. Bovendien bevat de leer een aantal voorschriften waar ik me niet aan wens te houden. Ten slotte acht ik me niet in staat om de gelukzalige staat van het nirwana te bereiken.Maar de bovenstaande opvatting van de mens als een toevallige bundeling van een aantal elementen kan ik wel onderschrijven. Het gaat er niet om of het waar is of niet, maar ik vind het een mooie vertrekbasis. Ze getuigt van nederigheid: we zijn maar dat. Ze houdt de mogelijkheid van dankbaarheid in: we mogen ons gelukkig prijzen dat we er zijn. Ze  legt ons verantwoordelijkheid op: ten aanzien van de medemensen en de wereld.

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 20:13 Reageer op dit bericht

Richard Minne: Madèle of de lustige weduw

Richard Minne: Madèle of de lustige weduw

 

De titel verraadt al wat we kunnen verwachten en dus zal de schrijver ons niet zozeer moeten verrassen, dan wel ons bekoren met zijn zwarte humor en ironie. Hij zet de toon al in de openingsalinea.

 

Op Kerstavond, toen zijn adem begon te piepen als van een gevangen muis, wenkte Mijnheer Adhemar zijne vrouw. Zij kwam van vóór den spiegel aan de bedsponde zitten, met een paar oogen, gezwollen van verdriet en grooten vaak, en een gewrongen mond, bitter van het zuchten en het aanhoudend koffiedrinken.

 

Na een saai huwelijk en klerkenbestaan Des Zondags zette hij zijn hoogen hoed op en ging met Madèle wandelen in het Park. Hij keek er naar de zwanen, de vaderlandsche monumenten en de officieren sterft hij.

 

Madèle is nog jong, ze moet de eindjes aan elkaar zien te knopen en ze wil nog wat geluk.

Dit begon Madèle allengskens in te zien, eenige weken na de begrafenis, het tijdstip dat het verdriet zich in zijn onderdelen scheidt en rustige vormen begint te nemen.

 

Ze is een gewone, wat oppervlakkige vrouw, maar Minne gunt haar ook wat geluk.

 

Madèle was eene van de velen die de dingen door hun oogen bekijken. Zij schikte het wit en zwart van hare fanfreluchen en colifichets. En zij gevoelde zich voor eenige oogenblikken een gelukkig mensch onder de zon.

 

Madèle gaat op stap. De buren stellen vast dat ze pas om negen uur ’s avonds thuiskomt.

De jonge weduw is gisteren in den nacht naar huis gekomen… Wie ’s avonds naar huis komt is vergezeld van zijn schaduw.

 

Al bij al zijn haar uitstappen onschuldig. Langzaam echter begint ze meer belangstelling te krijgen voor de levenden.

 

Later gebeurde dat natuurlijk meer, om de goede reden dat de levenden altijd beslag leggen op de dooden. Zij wikkelen deze in doeken die men de herinnering noemt, en laten het gansche boeltje de kuil inzakken, en schoppen er aarde  op, vergetelheid geheten. Toen Madèle met die vergetelheid op min of meer vertrouwelijken voet was geraakt, gebeurde het haar dikwijls, dat zij in het Park wandelend, er naar de zwanen, de vaderlandsche monumenten en de officieren keek zonder Adhemar te herdenken.

 

Dit verhaaltje staat in het Verzameld Werk, uitgegeven door G.A. Van Oorschot in 2006.

 

Minne beschrijft deze vrouw als een voorbijgangster. Als lezer voelen we ons als iemand die bij haar in de straat woont en die haar gadeslaat. Het verdriet en het innerlijk leven van de vrouw blijven voor ons verborgen. We kijken met onze bekrompen blik of ze zich correct gedraagt als weduwe.

 

Minne dankt de charme van zijn proza voor een stuk aan zijn stunteligheid. Misschien werd het geschreven in een tijd dat de uitgevers nog geen redacteuren in dienst hadden om alles te stroomlijnen en te vermooien.


 

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 09:29 Reageer op dit bericht

Meer van sprokkelhout

↑ Terug naar de berichten