Naar de inhoud

sprokkelhout

akke.beakke.be

Archief

Leonardo Sciascia: Een duidelijke zaak

Leonardo Sciascia: Een duidelijke zaak

 

Dit boekje bevat 2 korte werken van deze Siciliaanse schrijver (1921 – 1989), die hij kort voor zijn dood schreef. Het eerste, een detectiveverhaal, telt nauwelijks veertig bladzijden. Het is onvoorstelbaar dat de auteur binnen dat bestek zo een boeiend werk kon schrijven. Er staat dan ook niets overbodigs in.

In het voorwoord schrijft een van de vertalers, Frans Denissen, dat er in de twee werken veel autobiografische elementen verwerkt zijn. In het tweede verhaal De Ridder en de Dood, is dat het duidelijkst. De hoofdpersoon is een Adjunct, die mee een moord onderzoekt. Net als Sciascia toen hij het boek schreef, is hij doodziek en weet hij dat hij over korte tijd zal sterven. De titel van het verhaal verwijst naar een ets van Dürer, maar een figuur is eruit weggelaten, de Duivel. De hoofdpersoon kijkt terug op zijn leven, vooral op enkele boeken en figuren uit die boeken die hem zijn bijgebleven. Hij bespiegelt ook over het lot dat hem te wachten staat, wat soms aangrijpende passages oplevert, waaruit veel verbittering blijkt.

 

Terwijl hij aan dat verhaal dacht (de dood van Ivan Iljitsj van Tolstoj) , begon hij in zijn binnenste naar gelijkenissen te zoeken.  De dood als een quid, een quantum, dat door het bloed zwierf tussen botten, spieren, klieren: tot het de kleine holte vond, de niche, de biotoop vond waarin het zich kon ontpoppen. Een kleine explosie, een vuursprank, een gloeiing, eerst bij tussenpozen, daarna van ononderbroken, alles doordringende pijn. Die groeide, groeide tot het punt waarop het lichaam haar niet meer leek te kunnen bevatten; en uiteindelijk liep ze over, overstroomde alles in het rond. Alleen het denken kon haar nog tegenhouden, met kleine, tijdelijke overwinningen. Maar er waren lange, eindeloze momenten waarop ze over alle dingen heen kolkte, alles vervormde en verduisterde. Over elk nog mogelijk genoegen, over de liefde, over geliefde bladzijden, over vreugdevolle herinneringen. Want ook van het verleden maakte ze zich meester, alsof ze er altijd was geweest, alsof er nooit een tijd was geweest dat ze er niet was, toen je gezond was, jong, toen je lichaam geboetseerd werd door de vreugde, voor de vreugde. Er gebeurde iets dat vergelijkbaar is met inflatie, maar dan op een gruwelijk verinnerlijkte manier: dat kleine spaarpotje van vreugde dat je in een leven bij elkaar wist te schrapen smolt door die kwaal meedogenloos weg als sneeuw voor de zon.

 

Het boekje is uitgegeven in 2001 bij Serena Libri Amsterdam, een uitgeverij gespecialiseerd in Italiaanse literatuur in vertaling. Een duidelijke zaak is vertaald door Linda Pennings, het tweede verhaal door Frans & Renilde Denissen.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 15:50 Reageer op dit bericht

L.P. Boon: De paradijsvogel

 

L.P. Boon: De paradijsvogel

 

Een heel speciale roman uit 1958. Het jaar van de wereldtentoonstelling, maar in dit werk ontbreekt elke vorm van optimisme. Boon is ooit een tedere anarchist genoemd, maar op deze roman is dit adjectief zeker niet van toepassing. Zo laat hij ons kennismaken met de wijk Klooster in de stad Taboe, waar het verhaal zich afspeelt.

 

Het begin van Klooster ligt open gelijk een mond. Men slaat de smerige en ranzigriekende hoek der Kromme Sabelstraat om, en men voelt zich instinctief een wezen in nood. Men vreest een labyrint te betreden waaruit men niet zal terugkeren zonder korsten vuil, beroofd van persoonlijk bezit, en besmet door nog naamloze ziekten.

 

Straten en wijken zijn belangrijk in het werk van Boon. Denk maar aan de titels Vergeten Straat, Kleine Eva uit de Kromme Bijlstraat, De Kapellekensbaan en Zomer te Ter-Muren.

 

De hele roman is voor mij ook heel picturaal. Ik denk dan aan namen als Bosch en Goya. Vooral de rol die de mond speelt in deze roman roept me Saturnus verslindt zijn kinderen van Goya voor de geest.

 

De personages die in de wijk wonen zijn ook niet echt normale mensen. De heer Wadman zullen we leren kennen als een seriemoordenaar. E. H. Ramadhoe verzamelt foto’s van glamourmeisjes die Boon (zelf verzamelaar) met plezier zal beschrijven. Ramadhoe schrijft namelijk de geschiedenis van de vrouw in het stadje Taboe.

 

Ik was in zekere zin verplicht, die allereerste bladzijden aan het kind, het meisje en het aankomend vrouwtje te wijden. Want onze vrouwen verschenen niet zomaar ineens, alsof zij in de diepte van een podium hadden gewacht naar het ophalen van een doek. Zij bloeiden integendeel om ons heen, en het behoorde tot onze verfijnde genoegens deze bloei met nauwlettende aandacht te volgen – hen te zien zwellen tot rozebotten, en deze botten dan later te zien openbreken tot veelbladerige en weldra diepgeurende rozen.

 

De vrouwelijke hoofdpersoon is Beauty Kitt. Als kind verkracht door de heer Wadman, werd ze uit de goot geraapt en heeft ze zich opgewerkt tot een star. Dan is er nog de bokser Vulcan Fiber. Zijn belangrijkste aandeel in het verhaal is dat hij geregeld in zwijm valt. Op dat moment spreekt uit zijn mond namelijk het spook Tubal-Kain. Dat verhaal vormt een eigen onderdeel van de roman en op het eind valt het samen met het heden. Men zou het kunnen lezen als een bijbelverhaal, maar dan een waarin Boon afrekent met de godsdienst. Dat verhaal begint met een hongersnood in Taboe, zo erg zelfs dat de mensen hun kinderen wegbrengen in de bergen en ze daar doden. Iemand ziet daar wel graten in. Hij stelt een eredienst in waarbij later kinderen zullen worden geofferd. Een kinderkaravaan trekt de besneeuwde bergen in. Een enkele jongen overleeft de tocht. Hij komt terecht in een groene vallei waar geiten grazen en waar hij later het gezelschap zal krijgen van anderen waardoor de paradijselijke sfeer al vlug tenietgedaan zal worden. Zij zullen later terugkeren naar Taboe, de stad van ons bonte gezelschap, maar die stad is net vergaan.

 

Het boek zit vol verwijzingen naar de bijbel, vooral naar het boek Genesis.

 

Zoals ik al zei, een heel speciaal boek en in de typische stijl van Boon die soms wat kinderlijk aandoet. Ik weet niet of er al studies over deze roman zijn geschreven. Er valt in ieder geval veel uit te halen voor mensen met wat bijbelkennis en natuurlijk ook voor mensen die van jong vrouwelijk schoon houden.

 

Minpunt van het boek zijn de talrijke fouten. Onbegrijpelijk voor een zesde druk. Zeker geen reclame voor de uitgeverij, in dit geval de Arbeiderspers.

 

 

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 15:24 Reageer op dit bericht

Gorecki: Symfonie nr. 3 - Symfonie der Klaagliederen

Gorecki: Symfonie nr. 3 -  Symfonie der Klaagliederen

 

Deze symfonie voor sopraan en orkest van de Poolse componist Gorecki (°1933) werd voor het eerst uitgevoerd in 1977. Hij bestaat uit drie langzame bewegingen, wat niet zo vreemd is bij klaagliederen.

 

In dit werk keert Gorecki terug naar de aanvang van de muziek, toen muziek nog geen kunst was, maar de oorspronkelijke en natuurlijke uitdrukkingswijze van de mens, een soort ritueel. Dit leidt tot het repetitieve karakter van deze muziek. De eenvoudige muzikale ideeën leiden tot emotionele hoogtepunten.

 

Het eerste en het laatste klaaglied gaan over een moeder die een weeklacht aanheft over een gestorven zoontje. Het eerste is afkomstig uit een klooster en dateert van de 15e eeuw. Het laatste is een volkslied.

 

De tweede tekst is van een 18-jarig Pools meisje dat opgesloten zat in een Gestapo-gevangenis en de tekst op de celwand schreef.  De Duitse vertaling gaat als volgt:

 

Mütterchen, weine nicht, oh, nein.

Reine Himmelskönigin,

Bitte, steh’ mir immer bei.

Gegrüßt seist Du, Maria.

Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door john om 18:24 Reageer op dit bericht

J. H. Leopold

J. H. Leopold

 

Een vroeg gedicht. Het is te merken aan de tegenstelling tussen het begin, de eerste twee (lange) zinnen, en de twee laatste zinnen. Het laatste stuk doet kinderachtig aan en herinnert een beetje aan de negentiende-eeuwse versjes van Van Alphen en De Schoolmeester. Het eerste deel vind ik wel heel mooi.

 

Een enklen maal, wanneer ik moe te bed ging
en mij in ’t naderen van de slaap verheug,
den denk ik aan den dood en vraag mij zelven
of het dan evenzoo zal zijn, wanneer
voor de allerlaatste maal het daglicht tusschen
de zware wimpers schemert en verdwijnt.

Dan voel ik, dat het een genot moet zijn
voor hem, die moede is van den dag des levens,

als hij mag zinken in een diepen slaap;
hij denkt niet verder aan een andren morgen,

maar snakt naar rust alleen, naar donkre rust,
en zacht en zegenend komt voor hem de dood,
zoals een zorgend vader, als zijn kind
des avonds moe is van den langen dag
en de oogjes onder ’t spel zijn toegevallen,
den kleine opbeurt en hem zacht te bed brengt,
voorzichtig, dat hij ’t in zijn slaap niet stoort.-

Maar als nu eens de vader reeds des middags
zijn kind zegt, dat het tijd van slapen is
en ’t jongske pruilt, dat het nu nog geen slaap heeft
en dat het met zijn vriendjes spelen moet,
en dat de zon nog buiten schijnt, - wat dan ?

Zal dan het kind naar ’t ernstig oog des vaders
opziend, vertrouwen dat het zo het beste is ?

of zal het eerst zich moede moeten schreien
voordat het inslaapt met betraanden wang?

 

Als toemaatje iets helemaal anders van Leopold, maar ook een jeugdvers.

 

In deze vele
week fluweelen
plooien van vleesch,
dofwit vleesch,

is hoog vermeien,
aaien en vleien
mijn droge lippen,
warme lippen

en sterft mijn ziel…

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 13:08 1 reactie Reageer op dit bericht

Petrarca: Brieven aan zijn broer

Petrarca: Brieven aan zijn broer

 

Ik zal me beperken tot de eerste brief, die op zich al lang genoeg is (13 blz.). Petrarca (1304 – 1374) schreef deze brief in 1349. Zijn broer Gherardo was toen een jaar of zes kloosterling . In de brief benijdt Petrarca zijn broer om zijn gelukkig leven. Hij herinnert zich hun jonge jaren, toen ze beiden ijdeltuiten waren: Wat waren we bang dat onze keurig gekapte krullen  uit model zouden raken en dat ons prachtig opgemaakte kapsel door een zuchtje wind zou verwaaien… Wat zijn het toch een dwaze dingen waar mensen, en vooral jonge mensen,  zich druk om maken! Want waartoe dient die bezorgdheid ? Tot niets anders dan om andermans ogen te behagen.

 

Het is wel de waanzin gekroond als we onze omstandigheden geen vorm weten te geven door ons eigen verstand te gebruiken, maar ons laten beïnvloeden door de waanideeën van de massa en ons laten adviseren over de inrichting van ons leven door lieden wier levenswandel onze afkeer opwekt ! Niemand kiest een generaal met een rug vol littekens…

 

Zelfs zijn vroege gedichten (in de volkstaal geschreven, terwijl deze brieven in het Latijn zijn) waren een vorm van ijdelheid. Wat hebben we vaak lettergrepen in een metrum gewrongen of de betekenis van woorden verdraaid, kortom, wat hebben we al niet gedaan om die liefde, die niet kon worden uitgesproken, maar ook niet uit fatsoen werd stilgehouden, tot ieders genoegen te bezingen ?!.

 

Zoals bekend waren de gedichten van Petrarca gewijd aan Laura. Hij zag dat meisje voor het eerst in een kerk op Goede Vrijdag in 1327.  Ze stierf al in 1348 (dus kort voordat deze brief geschreven werd). Ook de geliefde van Gherardo stierf op jonge leeftijd, waarschijnlijk in 1337. In de volgende passage richt Petrarca zich tot God. Hij is Hem dankbaar omdat Hij hen de liefde heeft laten kennen, maar ook omdat Hij hen de geliefden heeft ontnomen, zodat ze zich met de ernstige zaken des levens konden bezighouden. Een hele rare redenering die wij nu niet meer voor mogelijk houden.

 

Barmhartige God, hoe stil geeft u raad, hoezeer komt u in het verborgene te hulp, hoe ongemerkt brengt u genezing! Want wat anders streefden wij met al die inspanningen na dan sterfelijke of, beter gezegd, doodbrengende liefde ? U hebt ons toegestaan om van de bedrieglijke en met talrijke doorns bedekte zoetheid daarvan tot verzadiging te proeven, opdat niets ons bijzonder meer zou lijken omdat we het zelf niet hadden ervaren. Anderzijds hebt u er in uw mededogen voor gezorgd dat die zoetheid niet zo groot was dat zij ons overweldigde, doordat u ons onze geliefden ontnam. Want toen uw rechterhand hen wegnam, rukte hij ook onze verwachtingen vrijwel met wortel en al uit de aarde. Op jeugdige leeftijd hebt u hen tot u geroepen dood de dood die, naar ik hoop, voor hen zinvol was en voor ons noodzakelijk, en daarmee hebt u de kluisters van onze ziel van ons weggenomen.

 

Hij prijst het leven dat zijn broer nu leidt en acht hem een bevoorrecht man.

 

Vergelijk wat je vroeger had eens met wat je nu hebt: de windstilte van de armoede met de stormen van de rijkdom, de zoete rust met de bittere bezigheden, de goede kloosterbroeders met de gemene vijanden. Vergelijk ook de stilte met die luide discussies, de eenzaamheid met de mensenmassa’s, de bossen met de steden, het vasten met de overdadige diners, de nachtelijke samenzang met dat dansen overdag.

 

Mooi is ook de volgende passage naar aanleiding van een advies van Epicurus, namelijk dat men een denkbeeldige getuige van zijn levenswandel moet zoeken: ‘Doe alles op zo’n manier alsof Epicurus toekijkt’.

 

Epicurus leert dat men een denkbeeldige getuige van zijn levenswandel moet zoeken…. Voor ons is deze kusntgreep helemaal niet nodig: wij hoeven niet te zoeken naar een fictieve getuige, omdat wij de levende, ware en altijd aanwezige Christus hebben. Want steeg ik ten hemel – hij is daar, of daalde ik af naar het dodenrijk – hij is daar. Laten wij dus alles doen in zijn tegenwoordigheid, niet alsof hij toekijkt, maar omdat hij werkelijk toekijkt.

 

Bijna zevenhonderd jaar oud zijn deze geschriften. Het is een wonder dat ze nog zo goed leesbaar zijn en dat er zoveel herkenbaars in staat.

Dit boek is al in 1993 verschenen bij uitgeverij Ambo, in de reeks Klassiek. Het is een prachtige uitgave maar jammer genoeg ook heel duur.  

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 21:00 Reageer op dit bericht

Konstantin Paustovskij: Begin van een onbekend tijdperk

Konstantin Paustovskij: Begin van een onbekend tijdperk

 

Deze Russische schrijver (1892 – 1968) is vooral bekend door zijn zesdelige autobiografie, waaraan hij schreef van 1945 tot 1963. De zes delen zijn in het Nederlands verschenen in de reeks Privé-Domein van de uitgeverij De Arbeiderspers.

 

Begin van een onbekend tijdperk is het derde deel van de cyclus en het behandelt het begin van de Russische revolutie in 1917. De auteur heeft die revolutie beleefd als een buitenstaander, hoewel hij soms bij bepaalde troepen werd ingelijfd, maar nooit bij de Bolsjewieken. Uit het boek blijkt dat er toen in Rusland een complete chaos heerste. De Duitsers zijn nog in het land en bezetten de Oekraïne, de Witten voeren strijd tegen de Bolsjewieken en het land wordt overspoeld door benden bandieten, die zelfs met treinen rondrijden en van de chaos gebruik maken om te plunderen en te moorden. Zo staan er een paar vreselijke gebeurtenissen in het boek. Ook de auteur is enkele keren aan de dood ontsnapt.

 

Als je dit boek leest vraagt men zich af hoe de Bolsjewieken erin geslaagd zijn om dat enorme land onder controle te krijgen.  Dat is volgens mij de enige tekortkoming van deze autobiografie. Je krijgt geen zicht op de strijd en de vooruitgang van de Roden. Hun strijd blijft altijd op de achtergrond. Alleen aan het slot van het boek komen ze even voor, als ze de zuidelijke havenstad Odessa zonder slag of stoot innemen. Ze moeten alleen toekijken hoe de bevolking onder een angstpsychose lijdt en de stad met stoomboten tracht te ontvluchten.

 

Hoe vind je dit bericht? 8 stemmen
Geschreven door john om 20:23 Reageer op dit bericht

Heinrich van Kleist: Die Marquise von O.

Heinrich van Kleist: Die Marquise von O.

 

In M., einer bedeutenden Stadt im oberen Italien, ließ die verwitwete Marquise von O., eine Dame von vortrefflichem Ruf und Mutter von mehreren wohlerzogenen Kindern, durch die Zeitungen bekanntmachen, daß sie ohne ihr Wissen in andere Umstände gekommen sei, daß der Vater zu dem Kinde, das sie gebären würde, sich melden solle und daß sie aus Familienrücksichten entschlossen wäre, ihn zu heiraten.

 

De markiezin is weduwe en verblijft bij haar ouders op de citadel. Op een bepaald moment wordt de vesting aangevallen en veroverd door Russische soldaten. Een groepje soldaten probeert de jonge markiezin naar een afgelegen plek te voeren en te overweldigen.  Maar het komt niet zo ver, want de markiezin wordt gered door een Russische graaf en officier, waarna ze in zwijm valt. Het is deze graaf die haar zwanger heeft gemaakt terwijl ze bewusteloos was. De graaf zegt niet wat hij gedaan heeft, maar hij vraagt de markiezin ten huwelijk. Hij moet echter om dienstredenen vertrekken.

 

Na enkele maanden merkt de markiezin dat ze zwanger is. Dokter en vroedvrouw worden er bij geroepen en bevestigen haar vermoeden. De markiezin houdt vol dat ze niet weet wie de vader van het kind is.  Haar ouders geloven haar niet en ze wordt het huis uitgezet. Ten einde raad plaatst ze een advertentie (zie de openingszin van het verhaal hierboven). Door een list van de moeder geraken de ouders ervan overtuigd dat de markiezin echt niet weet wat haar overkomen is, en ze verzoenen zich met hun dochter. Als ten slotte de graaf opduikt en zich meldt als de vader, is de markiezin zo verontwaardigd dat ze hem afwijst. Maar na een tijdje vergeeft ze hem en trouwt ze met hem.

 

Kleist leefde van 1777 tot 1811.  Hij kwam om het leven in dramatische omstandigheden. Hij was levensmoe en had al eens aan zijn nicht aangeboden om samen zelfmoord te plegen. Toen ontmoette hij bij vrienden Henriette Vogel. Deze jonge vrouw had van haar arts vernomen dat ze aan kanker leed en dat ze niet lang meer zou leven. Toen Kleist zich half schertsend eens liet ontvallen dat ze samen zelfmoord zouden kunnen plegen, hapte Henriette direct toe. De zelfmoord werd zorgvuldig gepland.

 

Am 20. November fuhren sie in ein Gasthaus am Wannsee, speisten, wie berichtet wird, “sehr vergnügt“ zusammen, tranken Kaffee, schrieben darauf in ihren Zimmern Briefe und gingen anschließend  zur Ruhe. Am nächtsten Tage bezahlten sie ihre Rechnung bei dem Wirt, erbaten einen Boten für ihre Briefe nach Berlin, aßen abermals und tranken Kaffee, und gingen dann zusammen am Seeufer ungefähr 50 Schritte weit fort. Man hörte zwei Schûsse, und die hinzueilende Wärterin fand beide am Boden. Kleist hatte Henriette Vogel durch die linke Brust ins Herz geschossen, dann sich selbst durch den Mund in den Kopf.  

 

 

 

Hoe vind je dit bericht? 3 stemmen
Geschreven door john om 19:46 Reageer op dit bericht

Lionel Trilling: The Middle of the Journey

Lionel Trilling: The Middle of the Journey

 

Tot de aanschaf van deze roman heb ik me laten verleiden door de spotprijs (0.50 euro), de reeks waarin het boek is verschenen (Penguin Modern Classics) en de reproductie op de kaft (een detail van het schilderij In the Subway van de Amerikaanse schilder George Tooker). De auteur kende ik niet. Hij heeft enkel deze roman geschreven en verder was hij vooral actief als literair criticus. Hij leefde van 1905 tot 1975.

 

De roman is geschreven in 1946 en behandelt de jaren dertig in Amerika. Hij is geconcentreerd rond een zestal personen met linkse sympathieën.  John Laskell  is ernstig ziek geweest en komt op krachten bij een bevriend koppel op het platteland. Daar leren we ook de klusjesman van het koppel, zijn vrouw en hun dochter kennen. Zij zullen voor de dramatische gebeurtenissen in het boek zorgen.  Later verschijnt in het verhaal ook Gifford Maxim. Hij was lid van de communistische partij, maar na het uitvoeren van een geheime opdracht  heeft hij de partij verlaten en nu vreest hij voor zijn leven.

 

Heel veel gebeurt er niet in de roman. Het is vooral een psychologische en een ideeënroman. Sommige personages zouden uit een werk van Dostojewski kunnen komen. Dat geldt voor de ex-communist Maxim die zijn overtuiging afzweert en religieus wordt. Dat geldt ook voor het ontroerendste personage uit het boek, Emily Caldwell, de vrouw van de klusjesman. Ze is tegelijk de gevoelige en vergevensgezinde vrouw en moeder uit de werken van Dostojeswki en een vrouwelijke Lady Chatterley’s Lover van Lawrence.

 

In het boek wordt veel gereflecteerd, over de dood, bewustzijn en gewaarwording. Dit voorbeeld komt uit de periode dat John Laskell in het ziekenhuis lag en daar eigenlijk heel gelukkig was.

What John Laskell chiefly felt as he lay there in his wide bed was awareness. He did not know, really, what he was aware of. He did not even know what awareness was, except that it was different from consciousness or thought. He had no real thoughts and no wishes. He did not think about his work nor did he think about himself at all. Yet his awareness was an awareness of himself.  He lay trough the day, drinking in the light that filled the room, and experienced something just short of an emotion. It had great delicacy and simplicity, as if the circulation of his blood had approached the threshold of his consciousness and was just about to become an idea. It was as if being had became a sensation.

 

Tot mijn grote verrassing en vreugde wijdde de auteur ook enkele bladzijden aan mijn lievelingsnovelle Billy Budd van Melville. Hij ziet in het verhaal the Tragedy of Spirit in the world of Necessity.

Billy Budd is de zuivere geest, terwijl Captain Vere de Wet is in een wereld van noodzaak.  De redenering komt hierop neer: as long as Evil exist in the world, Law must exist and it – not Spirit – must have the rule. And Vere’s is the suffering, his is the tragic choice of God the father, who must condemn his own son to death. But not as in the familiar transaction of Christian theology, as a sacrifice and an atonement, but for the sake of the son himself, for the sake of Spirit in humanity. Fot Billy Budd is not only Christ, he is Christ in Adam, and is therefore imperfect, subject to excess.

In deze roman  geplaatst betekent het dat Spirit (of idealisme) iets is dat niet onmiddellijk kan worden tot stand gebracht (bijvoorbeeld door revolutie) maar dat het een eeuwig doel is, nooit volledig te verwezenlijken. Vandaar dat Maxim het communisme heeft afgezworen.

 

Een andere passage gaat over hoop en toekomst. Ik heb ze proberen te vertalen en laat ze hier volgen.

 

En hij vroeg zich af of dat gevoel, namelijk dat er in feite geen toekomst was, of dat gevoel ten slotte bij iedere mens opdook en altijd zo vroeg in iemands leven.

 

Hij bedoelde niet dat hij geen toekomst had. Hij bedoelde dat de toekomst en het heden een en hetzelfde waren – dat het heden niet langer de toekomst kon smeden en voortbrengen door de wensen van vandaag, in de vorm van verwachting en hoop, naar voren te schuiven.  Het was niet zo dat hij ‘geen hoop meer had’, alleen maakte hij geen onderscheid tussen wat hij nu had en was en wat hij verwachtte te hebben en te zijn. Aan het verwende kind uit de middenklasse wordt de toekomst aangeleerd door middel van beloften – de verjaardagsgeschenken zijn op komst en de kerstgeschenken zijn op komst, en de voorstelling in de hippodroom, en kamp en universiteit en de reis naar Europa. En al de beloften en hun vervulling staan symbool voor de grote belofte – aan hemzelf en aan iedereen – dat hij in gunstige zin zal groeien en veranderen. Hij maakt het zich ook eigen in de bijzondere vorm van zijn visie op de tijd, waarin de toekomst altijd ruimer en schitterender is dan het heden.  Hoe zeer wordt de geest van de welvarende jongeman uit de middenklasse geleid door de toekomst ! het is zijn kenmerk, zijn Muze – want verleidelijk als een vrouw – en onderscheidt hem van de jongeman uit de echte lagere klassen en van de jongeman uit de echte hogere klasse.

 

Er komt ook poëzie ter sprake in de roman. Zo citeert hij de beginregels van een zestal gedichten zonder namen te noemen. Zoiets zet natuurlijk aan tot wat opzoekwerk. En het bleek dat Trilling het de lezer gemakkelijk had gemaakt.  Alle gedichten zijn namelijk opgenomen in ‘The Golden Treasury of Songs and Lyrics’i van Palgrave. Die bloemlezing werd voor het eerst in 1861 gepubliceerd en is sindsdien tientallen keren herdrukt en uitgebreid.

 

Nog een citaat dat de revolutionair voor zijn geweten plaatst.

 

And never has there been so much talk of liberty while the chains are being forged. Democracy and freedom.  And in the most secret heart of every intellectual, where he scarcely knows of it himself, there lies hidden the real hope that these words hide. It is the hope of power, the desire to bring his ideas to reality by imposing them on his fellow man. We are all of us, all of us, the little children of the Grand Inquisitor. Yhe more we talk of welware, the crueller we become. How can we possibly be guilty when we have in mind the welfare of others, and of so many others.

 

 

Het is het beste boek dat ik dit jaar las. Jammer dat het niet vertaald is in het Nederlands. In de bibliotheken van Antwerpen en Gent is het in het Engels beschikbaar. Een aanrader voor lezers die bij een boek graag wat nadenken.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 21:06 Reageer op dit bericht

Poesjkin: Schoppenvrouw

Poesjkin: Schoppenvrouw

Binnenkort wordt in de Vlaamse Opera Schoppenvrouw van Tsjaikovski  uitgevoerd. De opera is gebaseerd op een verhaal van Poesjkin (1799-1837). Maar tussen het verhaal en het libretto zijn grote verschillen. Het libretto is dramatischer en romantischer gemaakt, terwijl het verhaal ironisch en speels is. En het verhaal draait rond spelen en gokken. Schoppenvrouw is een kaart en in de waarzeggerij staat ze voor verborgen kwaadwilligheid.

 

Een groepje officieren speelt kaart tot in de vroege uurtjes. (Het is in die 19e eeuwse Russische romans opvallend hoeveel personages officieren en andere militairen zijn. Bovendien trekken die heren maar zelden ten strijde. Meestal verdoen ze hun tijd met vrouwenjagen, drinken en bals). Een van die officieren is Hermann. Hij volgt het spel van de anderen maar zelf speelt hij niet. Hij is van Duitse afkomst en dus zuinig en zelf zegt hij dat zijn omstandigheden niet veroorloven het noodzakelijke op te offeren, in de hoop het overtollige te verwerven. Hij raakt gefascineerd door een anekdote over een gravin, de grootmoeder van een van de kaartspelers, die in haar gloriejaren kaarten kon voorspellen. Nu is ze een oude vrouw en ze speelt nooit. Ze nam deel aan alle ijdele vermaken van de grote wereld, sleepte zich naar de bals, waar ze in een hoek zat, ouderwets gekleed en opgemaakt, een gedrochtelijke doch onmisbare versiering van de balzaal. De binnenkomende gasten traden onder het maken van diepe buigingen op haar toe, als gold het een vastgesteld ceremonieel, en daarna schonk niemand meer enige aandacht aan haar.

Hermann wil haar geheim kennen. Hij doet alsof hij verliefd is op een meisje dat bij de gravin inwoont. Hij bezorgde haar een briefje: Het behelsde een liefdesverklaring aan haar: teder, eerbiedig en woord voor woord overgeschreven uit een Duitse roman.

Op die manier geraakt hij in de woning, maar als hij de gravin bedreigt om haar geheim te kennen, valt deze dood.

De volgende episode is de begrafenis van de gravin, waarop niemand huilde, tranen zouden une affection zijn geweest. Voor Poesjkin een gelegenheid om de hypocrisie van de geestelijkheid te bespotten.

Een jonge bisschop sprak de grafrede uit. In eenvoudige en ontroerende bewoordingen schilderde hij het vredig verscheiden van de rechtschapen vrouw, die lange jaren had doorgebracht in een stille en hartroerende voorbereiding op een christelijk einde. (De engel des doods nam haar weg,’ zei de redenaar, ‘terwijl zij waakte, in heilige gedachten verzonken en in afwachting van de middernachtelijke komst van de Hemelse Bruidegom…’ De dienst verliep in een sfeer van welvoeglijke droefenis.

 

De volgende nacht heeft Hermann een verschijning. Hij ziet de gravin in een wit gewaad en zij verklapt hem de drie kaarten: drie, zeven en aas, waarmee hij kan winnen. Hermann geraakt geobsedeerd door dat idee.

 

Twee idées fixes kunnen in de psychische wereld evenmin naast elkaar bestaan als in de fysieke wereld twee voorwerpen een en dezelfde plaats kunnen innemen. Drie, zeven, aas –dreven in Hermanns fantasie het beeld van de dode gravin geheel naar de achtergrond.

 

Hermann gaat dan spelen. Hij zet enorm veel geld in en wint twee dagen achter elkaar. Bij het derde spel echter verliest hij alles. In plaats van de verwachte aas, draait hij schoppenvrouw om. Op dat ogenblik scheen het hem toe, dat de schoppenvrouw knipoogde en hem toegrijnsde. Hij werd getroffen door een ongewone gelijkenis. ‘de oude gravin ! schreeuwde hij vol ontzetting.

 

Op de afbeelding ziet u een zelfportret van Poesjkin.

 

 

 

Hoe vind je dit bericht? 7 stemmen
Geschreven door john om 21:07 1 reactie Reageer op dit bericht

Schnittke

Schnittke (1934 -1998)

 

Over muziek schrijven is moeilijk omdat ik terzake niet zo onderlegd ben. Toch wou ik een werk kort signaleren. Voor een prikje kon ik enkele oude LP’s kopen, waaronder een met de vierde symfonie van deze Russische componist. Platen van meer dan twintig jaar oud, toen de Sovjet-Unie nog bestond. Het is dan altijd bang afwachten of de platen niet te erg beschadigd zijn. Dit keer viel het mee.

 

Het werk zelf is prachtig. Het doet bij momenten minimalistisch aan en er komen veel klokken in voor. Vooral de beiaardfinale op het einde is zeer mooi en aangrijpend.

 

Een plezierig neveneffect van de plaat is de naam van het orkest dat het werk uitvoert. Dat heet namelijk Het Orkest van het Ministerie van Cultuur van de Sovjet Unie. Jammer toch dat dit regime niet meer bestaat.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 21:18 Reageer op dit bericht

Meer van sprokkelhout

↑ Terug naar de berichten