Naar de inhoud

sprokkelhout

akke.beakke.be

Archief

Streven januari 2007

Streven januari 2007

 

Streven is een van de interessantste Vlaamse maandbladen die ik ken. In elk nummer tref je wel een boeiend artikel aan. Zo ook in dit nummer. Ik zou een samenvatting willen geven van een bespreking van het boekje On Bullshit van de filosoof Harry Frankfurt, door Guido Vanheeswijck (zelf filosoof aan de universiteiten van Antwerpen en Leuven).

 

In dat boekje geeft Frankfurt een begripsanalyse van het woord Bullshit of gelul.

Frankfurt/Vanheeswijck citeert de versregels van Longfellow:

 

In the elder days of art

Builders wrought with greatest care

Each minute and unseen part,

For the Gods are everywhere.

 

Uitgaande van die regels zou je kunnen stellen dat gelul overeenstemt met slordigheid. Toch is dat niet zo, want er wordt bijvoorbeeld vaak ‘professioneel’ geluld door reclamejongens. Zij gaan allesbehalve slordig te werk om bepaalde producten aan de man te brengen, en toch blijft dat gelul.

 

Het fundamentele onderscheid is volgens Frankfurt de verhouding van het gezegde tot de waarheid en/of werkelijkheid.  Wie leugens vertelt, neemt toch nog een houding aan tegenover de waarheid, namelijk hij zegt de waarheid niet. Bij lullen is er echter onverschilligheid ten aanzien van hoe de dingen echt zijn.

 

In het laatste en (volgens Vanheeswijck) boeiendste deel van het boekje vraagt Frankfurt zich af waarom er zoveel geluld wordt. Daar zijn twee redenen voor. De eerste is dat van ons verwacht wordt dat we over alles meepraten, dat we over alles onze mening moeten hebben.

De tweede en belangrijkste reden is terug te voeren op het scepticisme. Dat stelt dat een rechtstreekse toegang tot de werkelijkheid onmogelijk is. Extreem gesteld betekent dit dat de werkelijkheid niet kenbaar is en dat er dus geen waarheid bestaat die als norm kan gelden voor ons denken en handelen.

Dit scepticisme heeft tot gevolg dat we terugvallen op het subject, op onszelf als de enige bron van kennis. Het individu probeert niet meer een nauwkeurige voorstelling te geven van een gemeenschappelijke wereld, maar het beperkt zich ertoe een eerlijke voorstelling van zichzelf te geven. Tegenover correctheid, d.i. een zo correct mogelijke weergave van de werkelijkheid, wordt onze eerlijkheid gesteld (omdat we de correctheid van onze uitspraken niet meer zouden kunnen afwegen tegen een objectieve norm).

Frankfurt is het met die zienswijze niet eens. Eerlijkheid tegenover jezelf zou betekenen dat je een onveranderlijke kern hebt, en die hebben we volgens Frankfurt niet. Wij bestaan als bewuste wezens juist in reactie op andere dingen en andere mensen en we kunnen onszelf niet kennen zonder die andere mensen en dingen te kennen.

 

Voor mij is de belangrijkste zin uit dit stuk: proberen een nauwkeurige voorstelling te geven van een gemeenschappelijke wereld. Misschien is de filosofie voor het uitvoeren van die opdracht niet meer nodig, maar we hebben het wel aan de filosofie te danken dat ze ons die opdracht aan de hand heeft gedaan en ze heeft afgebakend.

 

Ik wil nogmaals herhalen dat dit stukje een samenvatting is van het artikel van Guido Vanheeswijck, verschenen in Streven januari 2007, blz. 56 – 60.

 

 

 

 

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 19:09 Reageer op dit bericht

Vladimir Nabokov: Bastaards

Vladimir Nabokov: Bastaards

 

De Engelse titel is Bend Sinister.  Dat is een term uit de wapenkunde en het teken verwijst naar een bastaard. Vandaar de Nederlandse titel. Sinister komt van het Latijn en betekent links. Nabokov is de communistische Sovjet-Unie ooit ontvlucht en heeft de rest van zijn leven in Amerika gewoond.

 

Deze roman is een raamvertelling. Op de eerste bladzijden vernemen we dat de operatie van de vrouw van de schrijver mislukt is en dat ze zal sterven. De auteur begint dan aan de eigenlijke roman. Daarin is de hoofdpersoon Adam Krug, een filosofieprofessor. Zijn echtgenote is pas overleden en hij blijft achter met een zoontje. In zijn land is een staatsgreep gepleegd en is een totalitair bewind geïnstalleerd. De leider is Paduk, een oude schoolmakker van Krug, die destijds door iedereen, maar vooral door Krug werd gepest. Iedereen in de omgeving van Krug wordt gearresteerd maar hijzelf wordt voorlopig met rust gelaten. De universiteit was gesloten en nu wil de dictator dat Krug zich aansluit bij de nieuwe orde en de leiding van universiteit op zich neemt. Krug weigert. Hij wordt aangehouden en gescheiden van zijn zoontje. Als men ermee dreigt zijn zoontje te slachtofferen, geeft hij toe. Maar het is al te laat.

 

Weer geen gemakkelijk boek. Nabokov schrijft zo dat je elke zin aandachtig moet lezen of je bent niet mee. Soms zijn de zinnen echte hersenbrekers. Maar je merkt dat de schrijver deze roman met plezier heeft geschreven. Het boek krioelt van de vondsten en het zit vol humor en fantasie, maar ook vol wreedheid.  Die wreedheid uit zich niet zo zeer in beschrijvingen , dan wel in de fantasie en de ideeën.  Ik neem het voorbeeld van het zoontje. De jongen werd per vergissing niet meer aangezien als de zoon van Krug en daarom afgevoerd naar een instelling voor wezen waar de kinderen als afreageer-instrument dienden ten behoeven van interessante gevallen met een ‘misdadig’ verleden (verkrachting, moord, vernieling van staatseigendommen enz). Het experiment bestaat erin dat die mensen zich in groep eens per week mogen uitleven op dat wezentje van nul en generlei waarde. Op die manier zou het kwaad in hen kunnen ontsnappen en zouden ze weer tot brave burgers kunnen uitgroeien.

 

Nabokov richt zijn satire zowel op het nationaal-socialisme als het communisme. De universiteitsrede die Krug moet uitspreken verwijst naar Heidegger die zich in de vroege jaren dertig wel voor de kar van de NS liet spannen.

 

Verder bevat het boek een rijkdom aan ideeën. Zo staat er een hele analyse in van Shakespeare’s Hamlet.

 

Om een idee te geven van wat je als lezer te wachten staat, enkele citaten. De definitie van filosofie:

Als je probeert je een mirok (kleine rode aardappel) voor te stellen zonder enige betrekking op die je gegeten hebt of nog zult eten.

 

De dictator Paduk hangt de leer van het Ekwilisme aan. Het bewustzijn is onder de mensen op de wereld ongelijk verdeeld en daaruit vloeien alle kwalen voort. Het komt er dus op aan om dat bewustzijn over alle mensen evenwichtig te verdelen, d.w.z. er eenheidsworsten van te maken.

 

Hij voerde als grondslag voor de universele zaligheid de idee van het evenwicht in en noemde zijn theorie het Ekwilisme. Dit was iets geheel nieuws, beweerde hij. Het is waar dat het socialisme reeds gelijkvormigheid bepleitte op economisch gebied en de godsdienst had grimmig hetzelfde op het terrein van de geest beloofd als een onvermijdelijke toestand aan gene zijde van het graf. Maar de econoom had niet ingezien dat een gelijke verdeling van de rijkdom niet met succes kon worden doorgevoerd en in feite geen betekenis had, zolang er individuen bestonden met meer hersens of energie dan anderen; en op analoge wijze was de priester niet bij machte de futiliteit van zijn metafysische belofte in te zien, wanneer deze betrekking had op die uitverkorenen (mannen van grillige genialiteit, jagers op grof wild, schaakspelers, wonderbaarlijk robuuste en veelzijdige minnaars, de stralende vrouw, als zij na het bal haar collier afdoet), voor wie deze wereld op zichzelf al een paradijs was en die altijd een kleine voorsprong zouden willen behouden, wat er ook met de mensen in de smeltkroes van de eeuwigheid mocht gebeuren.

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 09:31 Reageer op dit bericht

Sá-Carneiro: Twee gedichten

Sá-Carneiro: Twee gedichten

 

De volgende twee gedichten zijn uit de laatste maanden van de dichter. Het laatste Fim is zijn laatste gedicht. Omdat deze gedichten niet zo omvangrijk zijn als het vorige geef ik ook de Portugese tekst.

 

Feminina

 

Eu queria ser mulher pra me poder estender

Ao lado dos meus amigos, nas « banquettes » dos cafés.

Eu queria ser mulher para poder estender

Pó-de-arroz pelo meu rosto, diante de todos, nos cafés.

 

Eu queria ser mulher pra não ter que pensar na vida

E conhecer muitos velhos a quem pedisse dinheiro –

Eu queria ser mulher para passar o dia inteiro

A falar de modas e a fazer « potins » - muito entretida.

 

Eu queria ser mulher para mexer nos meus seios

e aguçá-los ao espelho, antes de me deitar –

Eu queria ser mulher para que me fossem enleios,

que num homem, francamente, não se podem desculpar.

 

Eu queria ser mulher para ter muitos amantes

e enganá-los a todos – mesmo ao predilecto –

Como eu gostava de enganar o meu amante loiro, o mais esbelto,

com um rapaz gordo e feio, de modos extravagantes…

 

Eu queria ser mulher para excitar quem me olhasse,

Eu queria ser mulher para me poder recusar…

 

Vrouwelijk

 

Ik zou een vrouw willen zijn om me te kunnen neervlijen

Naast mijn vrienden, op de banken in het café.

Ik zou een vrouw willen zijn om in het café,

Zodat iedereen het ziet, mijn gezicht te poederen.

 

Ik zou een vrouw willen zijn om niet aan het leven

Te moeten denken en om oude mannen geld af te troggelen –

Ik zou een vrouw willen zijn om de hele dag onderhoudend

Te roddelen en over de mode te praten.

 

Ik zou een vrouw willen zijn om voor het slapen gaan

Mijn borsten aan te raken  en ze voor de spiegel te betasten.

Ik zou een vrouw willen zijn om te genieten van affaires

Die men een man, eerlijk gezegd, niet kan vergeven.

 

Ik zou een vrouw willen zijn om veel minnaars te bezitten

En ze allemaal te bedriegen – zelfs de uitverkorene –

Hoe graag zou ik mijn blonde minnaar, de meest elegante,

Willen bedriegen met een dikke en lelijke, extravagante kerel.

 

Ik zou een vrouw willen zijn om wie naar me kijkt te prikkelen

Ik zou een vrouw willen zijn om mezelf niet te geven…

 

 

Fim

 

Quando eu morrer batam em latas,

Rompam aos berros e aos pinotes-

Façam estalar no ar chicotes,

Chamem palhaços e acrobatos.

 

Que o meu caixão vá sobre um burro

Ajaezado à andaluza :

A um morto nada se recusa,

E eu querro por força ir de burro…

 

 

Einde

 

Als ik dood ben, maak dan kabaal

Trommel, schreeuw en spring in het rond.

Laat zwepen knallen in de lucht,

Vraag clowns en acrobaten.

 

En laad mijn kist op een ezel

Andaluzisch opgetuigd:

Een dode wordt niets geweigerd,

En ik wil per se op een ezel gaan…

 

 

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 16:50 1 reactie Reageer op dit bericht

Mário de Sá-Carneiro: Beijos

Mário de Sá-Carneiro: Beijos

 

Om nog even bij kussende dichters te blijven, toevallig keek ik nog eens in de gedichten van deze Portugese dichter en vond ik het onderstaande gedicht. Ik geef een heel vrije Nederlandse vertaling.

Deze dichter leefde van 1890 tot amper 1916. Hij voelde zich nooit goed in zijn vel en heeft op het eind in Parijs zelfmoord gepleegd. Erg geënsceneerd. Hij had zich in een smoking gestoken en de vorige dag had hij een vriend geschreven om hem op dat bepaald tijdstip een bezoek te brengen. Toen de vriend ’s anderendaags aankwam, was de dichter, die vergif had ingenomen, nog in leven, maar hij kon niet meer gered worden.

 

Beijos is een vroeg gedicht. Het is eigenlijk een monoloog om te worden opgevoerd in een theater. Met wat goede wil vind je er Van Ostaijen in terug, de vroege van Music Hall en de late van het Alpenjagerslied. Sá-Carneiro schreef evenals Van Ostaijen concrete poëzie in navolging van Apollinaire.

Hier gaan we:

 

Kussen

 

‘Kussen !’,  prachtig woord… regelmatig werkwoord

        Maar zeer onregelmatig
In tijden en wijzen…

 

Zoveel kussen ken ik en alle zo verschillend!...

 

Een kus uit liefde of vriendschap
Of  louter hoffelijkheid,

En vaak zelfs, hoe wreed het te moeten zeggen
Is hij alleen maar hypocriet.

 

De edelste van alle kussen

Is moeders zoete kus,

Veel waardevoller

Dan een kus van verlangen:

De geur van deze kus

Droogt in onze kindertijd

Menige traan… geluk;

Elke dag biedt deze zuivere kus

Een veilig toevluchtsoord

Voor wie ongelukkig is.

 

Onder dames is de kus een gevestigde gewoonte,

Banale begroeting – verworden tot iets belachelijks!:

(Imiteert twee dames die elkaar op straat ontmoeten)

 

-Hoe maakt u het, goed mag ik hopen  ? (Een kus) En uw echtgenoot ?
(Nog meer kussen) – Gezond en wel. En u zelf mevrouw Mafalda ?
- Niet slecht tegenwoordig. Maar wat is het verschrikkelijk heet,
vind je niet ? – O God, wat een afschuwelijk weer!...

Kussen van die aard, een dichter zei het al,

        Zijn verloren kussen.
(Kussen die verloren gaan ! Waanzin is het !
Waarom ze niet aan mij gegeven ?)

 

De osculum pacis van de kardinalen

Is een andere beleefdheidskus;

Kussen van ouders of broers

Zijn kuise vriendschapskussen.

 

        Ook bloemen kussen elkaar
Passievol,
Het geeft niet als je
de tedere kussen van bloemen niet ziet.

En er zijn nog verloren kussen:
Hier bijvoorbeeld
Kussen die acteurs elkaar
Op goed geluk geven
Op goed geluk
Omdat het zo in het script staat.

- En de liefdeskus ?
Rustig maar beste toeschouwer,
Ik ben hem niet vergeten

Maar bewaar hem voor het laatst, als de enige ware.

Nu is hij aan de beurt
En omdat hij zo belangrijk is,
Zal ik hem in de vorm gieten
Van een magistraal sonnet.

 

Een liefdeskus is een zalig moment

Meer waard dan duizend levens,

Hij is balsem op de pijnlijkste wonden,

Een werveling van vuur, uitbundige extase !

 

Geen zuivere maar een bedwelmende kus,

Een zonde die de hemel opent voor een droeve ziel.

O ! Hoe zoet is het te zondigen met de monden opeen

In een wild verlangen van rillend vlees!

 

De sensuele lippen van een geliefde vrouw

Wekken op tot leven en geven warmte. Ellendig is het lot

Van de gelukkige die er nooit een kus op drukte;

 

Gezegend is het leven, het gekwelde leven

Van wie zijn mond verenigt met de zondige mond

Van zijn geliefde, die bemint, lijdt en sterft.

 

        (Pauze – Verandert van toon)

 

Ik wens te eindigen

Met een kus voor mijn geliefde,

Maar daar ik geen geliefde heb

 

        (Richt zich tot een toeschouwster)

 

Bent u het die ik zal omhelzen…

Wees niet boos. Uw gelaat geeft me toestemming

Dat ik u kus…

…………………. (werpt haar een kus toe)

Een kus wordt gevraagd en gegeven,

Je hoeft niet te blozen…

 

 

 



 

 

 

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 16:23 Reageer op dit bericht

Boutens: Kussen

Boutens: Kussen

 

O kussen waarin lust naar liefde reikt,

En liefde in alvergeten lust bezwijkt,

Geen oogen kunnen open u beleven:

Zij zwijken neêr in meêbegeven

Naar blinden glans van duizend verre zonnen

Uit haren dooven gloed bezonnen

En dan tot blanken melkweg opgeheven:

Lichtbrug die bindt van leven ons naar leven;

Want elke kus blijft lichtgedacht,

En alle nieuwe kus brengt zienden nacht.

 

 

Dit prachtige gedicht kun je op een bepaalde manier ook mislukt noemen.

In de eerste twee regels, en vooral in de tweede, lijkt het erop dat de dichter gaat zeggen wat hij gewaar wordt als hij een kus uitwisselt. Denk de woorden lust en liefde even weg uit die regels. De belangrijkste woorden zijn dan reikt, alvergeten, bezwijkt.  Reikt, geeft aan dat kussen actief en doelgericht is.  Men wordt aangedreven door iets en verlangt naar iets.  Die activiteit slaat in de tweede regel om in passiviteit. De opwaartse beweging van de eerste regel is nu omgebogen in een neerwaartse. Er heeft verdieping plaats, de dichter is afgedaald in de minder bewuste lagen van onze ziel. We bezwijken, we vergeten, wat wil zeggen dat ons denken wordt uitgeschakeld, dat we ons overgeven aan een meer oorspronkelijke grond.

 

Nu stopt in het gedicht echter al die zoektocht naar de betekenis van het kussen als lichamelijke gewaarwording. Nog even zinspeelt Boutens erop door te zeggen dat de ogen ook bezwijken, ze worden gesloten. Uit die ogen wordt dan niet meer naar buiten gekeken. Hoe mooi verwoordt hij dat ! De ogen, het zien dus, begeeft zich mee naar de fantasiewereld. Hun rol is uitgespeeld, hij wordt overgenomen door de fantasie. Die kan ook ‘zien’. Hij ziet in beelden. Boutens laat nu het verstand en de fantasie spreken. Hij gebruikt beeldspraak om tot het wezen van de kus door te dringen. Maar hij komt niet verder dan een beschrijving, een benadering.

In de blinde glans van duizend verre zonnen zegt hij dat de zonnen nog niet glanzen, dat zullen ze pas doen als ze door de kus bezonnen worden, dan zal hun gloed niet enkel doof (= gedoofd ) zijn.

Hij ziet de kus als een lichtbrug.  Een brug, omdat ze twee mensen met elkaar verbindt. Van licht, omdat ze het licht in de kussende mens ontsteekt. Van leven naar leven moet men verstaan als het leven dat in de twee mensen aanwezig is. Bij uitbreiding zou men ook kunnen zeggen dat de kus een voorbode van toekomstig leven is, omdat hij tot gemeenschap leidt.

 

De laatste regel klinkt wat eigenaardig. Je kunt het zo begrijpen dat telkens als de zienden kussen, ze hun ogen sluiten, zoals hij in regel drie had geschreven. Je kunt het woordje nacht ook zien als de plek waar of het moment waarop plaatsvindt wat in regel twee werd beschreven. De mens moet niet altijd zien, hij heeft ook nacht nodig. Niet de nacht waarin men slaapt, wel de nacht waarin de inhouden van het onbewuste, waaronder de lust, hun kans krijgen.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 18:05 Reageer op dit bericht

Georges Eekhoud / J.I. De Haan

Georges Eekhoud / J.I. De Haan

 

Over De Haan heb ik hier vroeger al geschreven. Georges Eekhoud is een in het Frans schrijvende Antwerpenaar die leefde van 1854 tot 1927. Zijn hoofdwerk is La nouvelle Cathage, een sociaal bewogen roman over de havenstad Antwerpen.

 

Het werkje dat ik nu van hem las heet : Les libertins d’Anvers. Légende et histoire des Loïstes.

Het boek begint met de legende van de reus Antigoon en Brabo. Maar al vlug verlegt de auteur zijn aandacht naar de libertijnen en ketters die in Antwerpen geleefd hebben. Wat komt De Haan hier nu bij doen ? De eerste bundel gedichten die deze joodse en Nederlandse dichter schreef heet: Libertijnsche liederen. Hij heeft met andere woorden het boek van Eekhoud in versvorm gegoten, d.w.z. een heel beknopte versie van het boek.

Een van de eerste sekten die wordt behandeld, is die van de Vaudois.  Ze werd in de 12e eeuw in Lyon opgericht  door ene P. Valdo. Het was een geweldloze sekte die losse zeden predikte, in armoede leefde enz. De leden droegen klompen en werden daarom Kloeffers of Kloevers genoemd. Ze leven voort in balladen (maar die heb ik op het internet jammer genoeg niet gevonden). Een van hen was Joskijn. Eekhoud beschrijft hem als volgt: Jooske ou Josequin, attaché au service d’un agriculteur des environs de Béthune, était un garçon de quinze ans, bon travailleur, bon enfant, amoureux précoce, sensuel, tendre jusqu’à la puérilité, caressant comme un jeune chien, et par-dessus tout brave, loyal et fidèle: en un mot, c’était un jeune Kloeffer.

De jongen werd door zijn baas uitgeleverd aan Robert de Bulgaar, een beul die ooit lid was van de Kloeffers, maar die toen zijn geliefde werd ingepalmd door een ander sektelid, had gezworen dat hij alle Kloeffers zou uitroeien. Ik schakel nu over naar De Haan, die beschrijft hoe men probeerde om Joskijn om het leven te brengen.

 

Zij kleedden hem naakt uit, spaarden geen plek geheim of teer,

Voor hun boozen moed,

Bonden hem voor de bijen neer

Vol honingzoet.

…

 

Nu werden hun korven gestoord, zij stormden als een wolk

Op den naakten knaap neer,

Alle angels fel gelijk een dolk

Vol puntig zeer.

 

Maar ziet: zij kenden hem, zoo lief, zoo zacht, het was zijn loon,

Dat geen hem leed toebracht,

Zij stemden met hun lief betoon

Scherprechters macht.

 

Een andere figuur die uitgebreid aan bod komt is Eligius Pruystinck, of Loy de Schaliedekker. Een 16e eeuwse ketter die de sekte van de Loïsten stichtte, waarin zowel rijken als armen welkom waren. Hij predikte de vrije liefde, de veelwijverij en de veelmannerij, de liefde voor het leven enz. Hij zou ten slotte op de brandstapel sterven.

 

De Haan maakte er zijn eigen personage van. Een mooie, onschuldige naïeve knaap.

 

Zijn oogen zwartfluweel, wangen bloemrood, een bruine bengel,

Leden rank, rap en kloek,

Menig schilder maalde als een engel

Hem op zijn doek.

 

Het was iemand die alles vergeven werd

 

De makkers in licht en lust volleerd zonden hem aan boord

Om buit van scheepsgeraad,

Hij won met blik en lach en woord,

Schipper en maat.

 

En arm en rijk volgden luisterend naar zijn lieve leer

Van vreugde voor ziel en zin,

Hij bracht in elk gemoed een keer

Naar blijde min.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 11:18 2 reacties Reageer op dit bericht

Vestdijk: Ierse nachten

Vestdijk: Ierse nachten

 

De snel- en veelschrijver Simon Vestdijk schreef deze roman in februari-maart 1942.

 

Het verhaal speelt zich af in de jaren 1852 – 1860, toen Ierland nog een Brits wingewest was. Het wordt verteld door Robert Farfrae. Hij is de jonge zoon van de rentmeester die het domein beheert van een Britse familie die in Engeland verblijft. Deze int voor de landheer de pacht van een groep arme sloebers. Als ze die de pacht niet kunnen betalen, wordt hun woning ontruimd en moeten de bewoners elders onderdak zoeken of emigreren. Op een bepaald ogenblik beslist de landeigenaar om zoveel mogelijk stukken land samen te voegen en ze te laten bewerken door Schotse veekwekers. Als de landheer zijn domein komt bezoeken, ontstaan er onlusten met noodlottige gevolgen.

 

Zoals dikwijls bij Vestdijk, voor mij althans, is het eerste hoofdstuk moeilijk door te komen. De hoofdrolspelers en de situatie worden voorgesteld, maar dat gebeurt nogal verward en met veel nevenfiguren die men niet direct kan plaatsen. Zwakke stukken wisselen af met sterke, zoals het derde deel Nachtwake. Vestdijk put rijkelijk uit de folklore, het volks- en bijgeloof op het Ierse platteland. De nachtwake wordt gehouden voor een opstandige jongeman die werd doodgeschoten. Bij die gelegenheid is de hele plaatselijke gemeenschap aanwezig en wordt een vloek uitgesproken die de dader van de moord moet treffen.

 

Vestdijk blijft altijd het lezen waard, maar dit boek zal ik toch niet herlezen. Het mag het huis verlaten.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 20:37 Reageer op dit bericht

Faulkner: As I Lay Dying

Faulkner: As I Lay Dying

 

Het is riskant om kort na elkaar twee werken van dezelfde schrijver te lezen, zeker als het eerste boek je  bevallen is. Dit keer moest ik van mijn keuze geen spijt hebben, want de laatste roman viel nog beter mee dan de vorige. Misschien mede dankzij het feit dat ik het boek dit keer in het Engels heb gelezen (maar niet zonder veel moeite en met het woordenboek binnen handbereik).

 

Faulkner schreef deze roman in 1929, in een heel korte tijdspanne. Hij schreef hem ’s nachts tijdens de uren dat hij als stoker in een centrale van de universiteit werkte.

De roman is ongewoon van opbouw. Hij bestaat uit 59 monologen die variëren van één regel tot enkele bladzijden. De monologen worden gezegd door vijftien personen. De meeste daarvan zijn de gezinsleden van de familie Bundren. Een arme blanke familie op het platteland in de staat Mississippi. De overige zijn kennissen en mensen die ze onderweg op hun onfortuinlijke reis ontmoeten.

 

De vrouw en moeder van het gezin ligt op sterven. Ze zit rechtop in bed en kan naar buiten kijken waar Cash, een van haar zoons, bezig is met het ineentimmeren van haar lijkkist. Cash is:

A good carpenter. Addie Bundren could not want a better box to lie in. It will give her confidence and confort.

 

Een voorspelling die niet zal uitkomen. Men zal haar zelfs achterstevoren in de kist leggen, omdat men haar een bruidsjurk had aangetrokken die aan het kopeind niet mooi uitgespreid had kunnen worden.  Er zit dus ook veel humor in het boek, maar tegelijk veel pijn. Een wrange klucht.

Om nog even bij de moeder te blijven, zij krijgt één monoloog toebedeeld en daaruit blijkt wat een harde tante, wat een bitch ze wel geweest is. Ze was lerares maar niet direct de meest toegewijde. Als de les gedaan is:  I would go down the hill, to the spring where I could be quiet and hate them. Met dergelijke onverwachte uitspraken weet Faulkner je voortdurend te verrassen. Haar dood beschrijft de auteur zo:

She lies back and turns her head without so much as glancing at pa. She looks at Vardaman (de wat achterlijke jongste zoon); her eyes , the life in them, rushing suddenly upon them; the two flames glare up for a steady instant. Then they go out as though someone had leaned down and blown upon them. En dan volgt de reactie van de dochter die de stervende de hele tijd met een waaier koelte had toegewuifd. Kun je eigenlijk ontroerender en eenvoudiger woorden vinden, dan die welke Faulkner hier het meisje laat spreken ?

‘Ma, Dewey Dell says, ma !’.

 

 Maar om terug te keren naar de moeder.  Ze was sadistisch, sloeg haar leerlingen met een twijg en ze vond het leven maar niks.  I could just remember  how my father used to say that the reason for living was to get ready to stay dead a long time.

 

Ze haalt herinneringen op aan haar kennismaking met haar toekomstige man Anse. Deze maakt zich ongerust over het feit dat haar familie bezwaar zou kunnen hebben tegen hun huwelijk.  Anse (die in het hele verhaal naar voren komt als een laffe, egoïstische lamzak) verdedigt zich aldus:

‘Well, I got a little property. I’m forehanded; I got a good honest name. I know how town folks are, but maybe when they talk to me …

Waarop Addie riposteert:

‘They might listen, I said. ‘But they’ll be hard to talk to.’ He was watching my face. ‘They’re in the cemetery.

 

Een van de zonen, Jewel, is een bastaard, verwekt door de dominee. De man komt één keer aan het woord. Voordat Addie sterft wil hij haar man bekennen dat hij de vader van Jewel is. Hij komt echter te laat. Op twee baldzijden beschrijft Faulkner hier meesterlijk de hypocrisie en het zelfbedrog van deze man. Met de hulp van God praat hij zichzelf goed. He (God) will accept the will for the deed. Als hij aan het huis komt, is Addie tot zijn grote opluchting al gestorven zonder een woord te lossen. In plaats van zijn misstap te bekennen, groet hij de bewoners met: God’s grace upon this house.

 

Het belangrijkste deel van de roman gaat over de tocht van de hele familie met het lijk van hun moeder naar Jefferson, waar ze wilde begraven worden bij haar familie. Over die tocht doen ze 9 dagen, op een kar getrokken door een span muilezels. Ze moeten onder andere een rivier oversteken waarvan de brug door de overvloedige regen is weggeslagen. Dat leidt tot hilarische taferelen. Verder is er met elk personage wel wat aan de hand. Zo is de dochter zwanger en in de steek gelaten. Ze probeert aan een middeltje te komen om een abortus op te wekken, maar ook dat loopt verkeerd af. Jewel, de bastaard, is verzot op zijn paard, wat ook tot ontroerende passages aanleiding geeft.

 

Een meesterwerk!

Hoe vind je dit bericht? 6 stemmen
Geschreven door john om 20:47 Reageer op dit bericht

Boutens

Boutens

 

Wanneer gij thuiskeert, als gij zeker zult,

Kom niet te vroeg, niet vóór is afgedaan

De lange slommer van dit weekbestaan

In touw van zijn geduldig ongeduld.

Ik zie de late hemelen al staan

Gewasschen van verdriet, en pijn, en schuld,

En eenig met het hooge spel vervuld

Van nazon, avondster en nieuwe maan.

Tot dan is alle saamzijn maar ten halve:

Het leeg gerucht verleugent ieder woord,

En lang vervalscht is tot Gods wijn en brood…

Nog zullen wij twee-één zijn ongestoord,

En hebben heel den avond aan onszelven,

Den nacht, den langen rustdag van den dood.

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 07:49 1 reactie Reageer op dit bericht

Alfred Jarry: L' amour en visites

Alfred Jarry: L’ amour en visites

 

Jarry (1873- 1907) was een buitenbeentje in de Franse literatuur, een voorloper van het dadaïsme en het surrealisme. Zijn bekendste werk is Ubu Roi, dat hij schreef op de leeftijd van 15 jaar. Toen het werk in 1896 werd opgevoerd, verwekte het een schandaal.

 

Het werkje dat ik nu las bestaat uit elf korte verhalen. In de eerste zeven treedt dezelfde persoon op, Lucien, een jongeman die telkens een liefdesbezoekje brengt, aan een dienstmeisje (via de regenpijp), aan een publieke vrouw, aan een oude dame enz. Het laatste bezoek brengt Lucien aan zijn huisarts, die hij om raad vraagt voor zijn spontane zaaduitstortingen. In het Frans luidt de ondertitel van het stukje: Demi-jour propice aux tendres effusions. De volgende stukjes gaan over de angst die de liefde bezoekt, een bezoek aan de muze, in het paradijs en aan mevrouw Ubu. De laatste stukjes zijn compleet absurd.

 

Om een idee te geven laat ik een luguber gedicht van Jarry volgen, in de vertaling van J. Slauerhoff. Het heet Chanson d’écervelage, of in het Nederlands Het Ontherseningslied.

 

Ik fabriceerde al jaren lang lijkkisten

-Allerheiligenparochie, Marsveldstraat-,

Mijn vrouw was een hoogst bekwame modiste:

We verdienden op leven en dood, dat ging niet kwaad.

Als ’t mooi weer was op een Zondagmorgen,

Dan trokken we onze beste spullen aan,

Om te gaan zien naar het hangen en worgen

En onthersenen al op de galgenbaan.

 

Onze vier wurmpjes gooiden met dadelpitten

En zwaaiden geestdriftig poppetjes van karton;

Wij gingen deftig in ons rijtuig zitten

En rolden naar de baan zo vlug als ’t kon.

Daar begon ’t gedrang; we sloegen ons er doorhenen

En stonden met eksterogen op goede voet;

Ik klom altijd boven op een hoop stenen,

Anders kreeg ik mijn bottines vol bloed.

 

Weldra zijn wij met hersenbrij bespat,

Mijn gade, ikzelf en onze stumpertjes;

Die juichen: de Justitie zwaait zijn lat

Tegen de lui met de loden nummertjes.

Daar zie ‘k, haast aan de beurt, bij de machien’

Een paap die collecteerde aan kerkedeuren;

Jou ouwe schurk, jou heb ik meer gezien,

Je hebt me afgezet, dat zal niet weer gebeuren!

 

Zie, de machine gaat van tiereliere,

De hersenbrij kronkelt als een hoop pieren!

Zie, hoe verbleken de rentenieren!

 

Hoera ! Roept luidkeels uit: Leve Vader Ubu!

 

Mijn vrouw trekt me aan de mouw, ik snauw: verrek!-

Zij: dooie pier, nu kun je onsterflijk worden,

Gooi hem een vuilnishoop voor zijn bek!-

De Justitie draait zich om, nu is ’t aan de orde.

De uitstekende raad stijgt mij naar ’t hoofd,

En ik grijp heldenmoed en nog wat met

Beide handen aan – ’t was de burger beloofd,

Maar ’t ploft de Justitie op zijn platte pet.

 

Zie, de machine gaat van tiereliere,

De hersenbrij spat door de schedelkieren!

Zie, hoe verbleken de rentenieren!

 

Hoera ! Roept luidkeels uit: Leve Vader Ubu!

 

Al daadlijk word ik over ’t hek gesmeten;

’t Geëerd publiek, verstoord om de euvle daad,

slingert mij, met het hoofd naar beneden,

’t groot gat in dat je levenslang niet weer verlaat.

 

Dat komt er van als fatsoenlijke luiden

Op Zondag wandlen al naar de galgenbaan,

Om te zien naar ’t scalperen, kophakken, onthuiden:

Je gaat levend heen, je komt er dood vandaan.

 

Hoe vind je dit bericht? 5 stemmen
Geschreven door john om 16:08 Reageer op dit bericht

Meer van sprokkelhout

↑ Terug naar de berichten