Naar de inhoud

sprokkelhout

seniorennet.beseniorennet.be

Archief

Jörn Pfennig: Twee gedichten

Jörn Pfennig: Twee gedichten

 

Verfahren

 

 

Als we het erover
eens konden worden   
dat ik jouw lichaam
begeesterend
mag vinden
en jij
mijn lichaam
niet bedreigend
hoeft te vinden –
we waren een stapje dichter
richting paradijs.

 

 

Sei ehrlich

 

 

Er zijn zoveel redenen

om niet met een man te slapen

maar – zeg eens eerlijk:

een reden kan toch ook zijn

dat je net ongesteld bent.

Zeg me aub als het dat is
je helpt er mij en jezelf mee-
en samen
stellen we dan wellicht vast
dat deze reden
er helemaal geen is.

 

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 16:22 Reageer op dit bericht

Hesse: Over lezen en boeken

Hesse: Over lezen en boeken

 

Een oud boek biedt altijd troost, het spreekt als het ware van ver weg, we kunnen ernaar luisteren of ook niet. En als plots machtige woorden oplichten, lijken die ons niet uit een boek van nu te komen, lijken het niet de woorden van auteur zus of zo, maar komen ze uit de eerste hand, als de schreeuw van een meeuw en een zonnestraal.

 

Voor de waarachtige lezer betekent een boek lezen: wezen en denken van een vreemde te leren kennen, proberen hem te begrijpen en als het kan er een vriend van te maken.

 

 

De vijanden van goede boeken en van goede smaak überhaupt, zijn niet degenen die boeken verachten, maar zij die boeken verslinden.

 

Velen vinden het een schande om de nieuwste roman van de nieuwste modeschrijver niet te kennen, terwijl ze hun leven lang de oude boeken in de kast hebben laten staan. Zij beseffen niet hoeveel van dat nieuwste en meest geliefde slechts opgewarmde oude kost is die als nieuwigheid wordt opgediend.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 16:15 Reageer op dit bericht

Colum McCann: Het verre licht

Colum McCann: Het verre licht 


Een roman uit 1998 van een Ierse schrijver die in New York woont. Het verhaal speelt zich af onder de grond en hoog in de lucht. De eerste verhaallijn begint in 1916. We maken kennis met een groepje mannen dat bezig is met het graven van een tunnel onder een rivier in New York. Het is hard en gevaarlijk werk en er heeft een spectaculair ongeluk plaats waarbij een aantal arbeiders door de druk vanuit de tunnel hoog de lucht in worden geschoten, midden in de rivier.

De andere verhaallijn begint in 1961. Daarin leren we Boomkikker kennen. Zijn vrouw en kind hebben hem verlaten nadat hij handtastelijk werd met zijn dochter. Hij leeft nu in de metrogangen, in een hooggelegen moeilijk toegankelijke ruimte. In die gangen leeft een bont gezelschap outcasts.

Ik heb deze roman met genoegen gelezen. Een ongewoon onderwerp, leerrijk en af en toe ontroerend.

 

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 16:40 2 reacties Reageer op dit bericht

Vondel, Shakespeare! 2

Vondel, Shakespeare… 2

 

Onderstaand stukje heb ik gehaald bij de DBNL. Het is van Menno ter Braak. Hij schreef het naar aanleiding van de publicatie van Vondels werken in één deel.

Het geeft volgens mij een goede typering van Vondel als overtuigde katholiek en zinnelijk dichter. Hiermee is natuurlijk niets gezegd over de prachtige taal die Vondel schreef. Op dat vlak is hij volgens mij nooit meer geëvenaard. Gezelle bijvoorbeeld heeft er rijkelijk uit geput. Of de vergelijking met Shakespeare klopt kan ik niet beoordelen.

 

 

Over Vondel althans weten wij door de biographie van Geeraert Brandt genoeg, om te kunnen vaststellen, dat hij de onderwerping aan het bindend (en tevens voor zijn zinnelijk temperament speelruimte latend) gezag ener absolute autoriteit nodig had, om zich te kunnen laten gaan in zijn zinnelijk dichterschap; hij vond dat gezag in de katholieke Kerk, na een periode van onzekerheid (niet: van twijfel!), en van dat ogenblik af kunnen wij geen onderscheid meer maken tussen Vondels gezicht en het katholieke masker. Precies het tegendeel bij Shakespeare: wie zijn drama's aandachtig leest, onderscheidt steeds weer achter het masker van de officiële, positieve, optimistische Shakespeare het beweeglijke, sceptische, ironische en in laatste instantie altijd officieuze en raadselachtige gezicht van een andere Shakespeare, die zich in de poëzie van zijn woorden evenzeer verbergt als onthult, wiens officiële oplossingen altijd begeleid worden door een heimelijke wenk naar de verborgen andere oplossing.

 

Naar zulke geheimen, naar deze ondoorgrondelijke glimlach van het beweeglijke gezicht achter het masker, zal men bij Vondel vergeefs zoeken; hij heeft zich zozeer geïdentificeerd met de ‘spelregels’ van zijn cultuurperiode, dat hij het gehele wereldgebeuren en geheel zijn mensenkennis in dienst kon stellen van die ‘spelregels’. Zijn masker en zijn gezicht zijn zo volkomen één, dat men inmenging van Vondels persoonlijk leven in zijn werken met een lantarentje moet opsporen; zijn persoonlijk leven is versmolten met de traditie, waaraan hij zich heeft onderworpen, zijn werk is naast dat van Rubens een facet van de ‘onontleedbare fuzie van Christendom en heidendom’ (Verwey), die men de barok pleegt te noemen. En meer nog: dit persoonlijk leven is versmolten met een specifiek Nederlandse, Amsterdamse vorm van barok, die zijn geur en eigenheid zou verliezen door vertaling. Verwey formuleert het weer uitstekend, als hij Vondels wereldorde omschrijft als: ‘een kegel met aan de top de Godheid, dan Amsterdam en de kerk, dan de vorsten en de burgerij, en in die burgerij als het eigenlijk waardevolle alles wat niet om het goed diende, maar om de geest.’. ‘Hij beschreef dat schema niet’, voegt Verwey er aan toe, ‘maar hij voelde het in zich en doordrong en omsloot het met zijn droom van de klassieke oudheid.’

Het woord ‘schema’ is hier de inleider uit de pen gegleden. En volkomen terecht; zo belachelijk als het zou zijn, de problematiek van Shakespeare als ‘schema’ te betitelen, zo geheel van toepassing is deze term op de problematiek van Vondel. Voor de kennis van Vondels oeuvre, als geraamte van ideeën wel te verstaan, komt men een heel eind met de kennis van de Bijbel, de kerkelijke overlevering en wat zich daarbij aansluit, voorts van de requisieten der Ouden; de ‘onontleedbare fuzie’ van die twee elementen is geen fusie van ideeën; noch van critisch inzicht in het Christendom, noch van de psychologie der Oudheid vindt men in Vondels werk de sporen. Het ‘schema’ is hem voldoende om de zinnelijke wereld, waarin (zie de hemel in Lucifer!) ook de bovenzinnelijke wereld

DBNL

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 14:51 Reageer op dit bericht

Vondel: Joseph in Egypten

Vondel: Joseph in Egypten

 

Dit treurspel is gebaseerd op hoofdstuk 39 van het boek Genesis. Jozef was als slaaf door de hofmeester Potifar vrij gemaakt en aangesteld tot beheerder van zijn goederen. Jempsar, de echtgenote van Potifar, is echter hartstochtelijk verliefd op Jozef, deze jongeling wiens wijsheit en deught in een schoon en welgeschapen lichaem uitmuntende, de Hofmeestres zo verleckerden, datze menighmael die godtvruchtige en allerkuischte ziel tot onkuischheit zocht te bekooren.

Op een dag wordt ze handtastelijk. Jozef vlucht weg, maar laat zijn kleed achter in haar handen. Daarop roept Jempsar haar dienaars en beweert ze dat Jozef haar heeft proberen aan te randen. Potifar wordt op de hoogte gebracht en sluit Jozef op.

 

In dit stichtelijke treurspel wil de overtuigd katholieke Vondel zijn tijdgenoten waarschuwen voor enkele ondeugden zoals onkuisheid en overspel. De beste remedie daartegen is vertrouwen in God en te leven volgens zijn wet.

Wie dit leest moet wel denken dat dit werk maar een saaie boel zal zijn. Niets is minder waar. Zo vindt de ‘kuise’ Vondel er duidelijk plezier in om de passie van Jempsar heel uitvoerig en beeldrijk te verwoorden. Zoals in deze monoloog van Jozef:

 

Terwijl ick hier word aangevochten

Van Jempsar, ’t heete en dartle dier;

’t Welck, raezende van minnetoghten,

niet blussen kan dat heilloos vier,

’t En zy in mijn bederf en schennis.

 

Hoewel het verhaal zelf ons vandaag nog weinig kan boeien, Vondels taal is dikwijls zo mooi dat hem lezen een genot blijft. Enkele voorbeelden.

 

Wy quamen om het hair te poeren,

Te krullen, en met goudt te snoeren,

En haer op ’t cierelijckst te kleên.

 

’t Genot van eenen kus is meer

dan al ’t genot van staet en eer.

 

Gesloke min smaeckt zoetst, in duistre en diepe holen:

Daer leeft men by den nacht: daer glimmen Venus kolen

Met levendigher gloet, dan by den lichten dagh.

 

Is dit die lieve mont? zijn dit dees zachte wangen,

Die ghy my eerstmael boodt, met onverzaden lust?

Heeft Potiphar zoo vroegh den bloesem afgekust,

En al dat blozent schoon van ’t aenschijn afgestreecken?

 

Daer zy dootkranck en flaeuw, als op doots oever leit.

 

O schoone Rachels schoonste zoon,

Hoe lastigh valt u al dit schoon,

Uw jonkheit aengeboren.

Wat geeft dit in een weeligh hof,

De dartele oogen niet al stof,

Om d’uwe te bekooren,

En af te leiden van de Deught;

In ’t allerblakenst van uw jeught,

In ’t lustighst van uw leven,

By dees verwijfde AEgyptenaers.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 14:37 Reageer op dit bericht

Schnitzler: Traumnovelle

  1. Schnitzler: Traumnovelle

 

Fridolin (35) en Albertine zijn getrouwd en hebben een kind. Ze zijn de vorige avond naar een bal geweest en zijn er zich van bewust daß gestern nicht zum erstenmal ein Hauch von Abenteuer, Freiheit und Gefahr sie angerührt. Albertine vertelt hoe ze de vorige zomer verliefd werd op een jongeman en Fridolin was in de ban van een jong meisje.

Het gesprek wordt onderbroken, want Fridolin, die arts is, wordt weggeroepen naar een patiënt. Van nu af begint een nachtelijke tocht die in het teken staat van liefde, maar vooral van dood. De patiënt, een oude vriend, is overleden. Zijn dochter, die verloofd is, verklaart haar liefde aan Fridolin. Deze wijst haar af en zet zijn tocht voort. Onderweg herinnert hij zich de dode die hij zopas verlaten heeft. Und der Tote fiel ihm ein, den er eben verlassen, und mit einigem Schauer, ja nicht ohne Ekel dachte er daran, daß in dem langdahingestreckten mageren Leib unter der braunen Flanelldecke nach ewigen Gesetzen Verwesung und Verfall ihr Werk schon begonnen hatten.

De volgende ontmoeting is met een groepje dronken studenten. Een van hen stoot hem opzettelijk aan. Zal hij die jongeman uitdagen tot een duel? Voor zoiets doms zijn leven riskeren? Als arts loopt hij dagelijks levensgevaar bij zieke patiënten. Vervolgens ontmoet hij een hoertje. Hij gaat mee naar haar kamer, maar er gebeurt niets. In een café treft hij daarna een oude kennis. Die speelt geblinddoekt piano bij geheime bijeenkomsten. Fridolin is nieuwsgierig. Hij krijgt het codewoord, zorgt voor kleren en gaat naar het feest. Het betreft een gemaskerd bal met naakte vrouwen. Fridolin wordt als indringer ontmaskerd. Een vrouw offert zich voor hem op. Hij wordt aan de deur gezet.

Om vier uur ’s morgens keert hij weer naar huis. Zijn vrouw vertelt hem haar droom van die nacht. Daarin vrijt ze met een onbekende en is ze er zonder medelijden getuige van hoe haar man wordt gekruisigd.

De volgende dag bezoekt Fridolin een na een de plaatsen waar hij de vorige nacht heeft vertoefd. Het hoertje Mizzi is opgenomen in het ziekenhuis. In de woning van het verkleed bal krijgt hij een waarschuwing. Ten slotte belandt hij in het ziekenhuis waar hij het lijk aantreft van de vrouw die zich de voorbije nacht voor hem had opgeofferd. Ze werd verplicht zich te vergiftigen.

Opnieuw thuis vertelt hij zijn vrouw alles wat is voorgevallen. Beiden verzoenen zich.

 

De novelle is verfilmd door Kubrick onder de titel Eyes wide shut.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 13:01 Reageer op dit bericht

Vondel, Shakespeare !.

Vondel, Shakespeare ….

 

In 1641 schreef Vondel onderstaand gelegenheidsgedicht naar aanleiding van het door Sandrart geschilderde portret van Geeraert Vossius.

 

Laet sestigh winters vry dat VOSSENhooft besneeuwen,

Noch grijzer is het brein dan ’t gryze hair op ’t hooft;

Dat brein heeft heughenis van meer dan vijftigh eeuwen,

En al haer wetenschap in boecken afgeslooft,

Sandrart, bestuw hem niet met boecken en met blaren;

Al wat in boecken steeckt is in dat hooft gevaren.

 

De aanhef van het gedicht doet denken aan de aanhef van het tweede sonnet van Shakespeare:

 

When forty Winters shall besiege thy brow

 

Ik weet niet of Vondel dat sonnet van Shakespeare heeft gekend. De sonnetten van Shakespeare verschenen in 1609. Mischien kwam de beeldspraak van de winters in dat verband ook al in de oudheid voor, ook dat weet ik niet. Op het volgende adres http://www.dbnl.org/tekst/_tij003189401_01/_tij003189401_01_0025.htm van de DBNL kan men nalezen hoe Vondel, die pas laat Engels leerde, in contact is gekomen met Engelsen en zo waarschijnlijk het Shakespeariaanse sonnet heeft leren kennen. Dat sonnet onderscheidt zich van de sonnetvorm van Petrarca hierdoor dat het drie kwatrijnen telt en een afsluitend tweeregelig couplet. Het eerste sonnet in die vorm bij Vondel dateert van 1628.

Het is een vertaling van een Latijns gedicht van Daniël van Breen, van wie Vondel onderwijs in de logica en het Grieks had gekregen. Het gedicht gaat over het overlijden van Vondels jongere broer Willem (1603-1628). Willem studeerde rechten in leiden en behaalde de graad van dokter in de rechten in Orleans.

 

Dat gedicht gaat als volgt:

 

 

Terwijle Themis en Euterpe, om ’t gratighst, mijnen,

En trecken, om ’t genot van dezen Iongeling,

Beslecht de Doot dien twist, na dat langduurigh quynen,

En schiet en eigent hem, in ’t midden van ’t geding.

Wat baat de lauwerkrans? Wat baten Hengstebronnen?

Wat baat het, of men ’t Recht zijn rol afloopen hoort?

Zoo ras de Doot ons roept, wy volgen, als verwonnen.

Zy leit den willigen, en ruckt den wrevlen voort.

Godtvruchtigheit alleen verlaat ons niet in ’t sterven:

Stantvastigh houdtze stant, in ’t midden van de doot;

En, vagende het lijf van ’t rotten, en bederven,

Bestelt des vromen ziel in ’s heils gerusten schoot.

O nutte wisseling! Al schijnt het vleesch verloren,

Des overledens geest wort door de doot herboren.

 

 

 

 

Themis en Euterpe: rechtswetenschap en zangkunst

Om ’t gratighst: wedijverend

Mijnen om: dingen naar

Eighenen: toeeigenen

Geding: twist (zie vers 3)

Hengstebron: hippocrene. Bron op de berg Helikon, waarvan het water inspiratie gaf aan de dichters. Ze zou door een hoefrslag van Pegasos zijn ontstaan.

Wrevlen: weerspannige

Vagen van: ontdoen van

Bestellen: een plaats verschaffen.

Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 08:08 Reageer op dit bericht

Arthur Schnitzler: Doktor Gräsler, Badearzt

Arthur Schnitzler: Doktor Gräsler, Badearzt

 

De novelle begint met het vertrek van Doktor Gräsler uit Lanzarote. Hij heeft daar in de winter een praktijk in een hotel. Zijn laatste verblijf was dramatisch, want zijn zuster, die bij hem verbleef, heeft er zelfmoord gepleegd. ‘s Zomers oefent hij zijn praktijk uit in een badstadje. Daar raakt hij bevriend met de familie Schleheim en wordt hij verliefd op de dochter Sabine. De auteur beschrijft die evolutie heel traag, in het tempo van de rustige, al wat oudere man.

Terug thuis ontvangt hij een lange brief waarin Sabine zegt dat ze met hem wil trouwen. Die brief doet de dokter echter twijfelen. Sabine heeft zijn kleine kantjes door, zijn pedanterie, koelheid, besluiteloosheid. Wat zal het dan wel worden als ze ooit samenwonen! Hij houdt zijn antwoord in beraad.

Intussen ontmoet hij Katharina, een jonge ongecompliceerde jonge vrouw met wie hij een korte maar hartstochtelijke relatie heeft. Hij twijfelt tussen Sabine en Katharina en kiest ten slotte voor de eerste. Hij wordt echter koel ontvangen en Sabine wijst hem af. Als hij terug thuis komt, is Katharina overleden. Hij huwt ten slotte met een weduwe die in zijn woning woont.

Tot zover de inhoud.

 

Na de dood van zijn zuster wordt het rustige leven van de dokter verstoord door de liefde. Op korte tijd kruisen drie vrouwen zijn leven. De intellectuele, zakelijke Sabine. Het onbevangen jonge meisje Katharina en ten slotte de volkse weduwe. Schnitzler maakt mooie portretten van hen.

 

Dramatisch is de dood van Katharina. Gräsler was bij de weduwe geroepen omdat haar dochtertje roodvonk had. Dit gebeurde in de periode dat Katharina bij hem logeerde. Het kindje geneest. Katharina is echter besmet geraakt en bezwijkt later aan de ziekte.

 

Gräsler beugte sich über die Kranke, streichelte ihr Wangen und Haare, küßte sie auf die Stirn, versicherte sie, daß die in ein paar Tagen wieder gesund sein werde und daß sie dann gleich zu ihm zurück müsse; daß er sie überhaupt nie wieder von sich fortlassen und überallhin mitnehmen werde, wo sein Schicksal ihn hinführe; daß es ihn ja mit aller Macht wieder hergetrieben habe und daß sie ein Kind sei und seine Geliebte und seine Frau, und daß er sie liebe, liebe,wie noch nie ein Wesen geliebt worden sei. Aber während er sie noch befriedigt lächeln sah, merkte er schon, daß alle Seine Worte den Weg ins Tiefste ihrer Seele nicht mehr fanden, daß sie nur mehr als schwankende Schatten erfaßte, was ringsum sich bewegte, daß er am Beginn von Tagen stand, in denen jede Stunde erfüllt sein sollte von der grauenhaften Angst um etwas Geliebtes, das einem unsichtbar nahenden Feind verfallen ist; und daß er sich zu einem verzweifelten Ringen rüsten mußte – das er doch schon in diesem Augenblick als nutzlos erkannte.

 

De novelle is in 1991 verfilmd door Roberto Faenza onder de titel Mio Caro dottor Grasler. In het Engels uitgebracht als The Bachelor.

 

 

Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door john om 10:27 Reageer op dit bericht

Psalm 23

Psalm 23

 

Ik ga twee versies geven van deze korte psalm. De eerste komt uit de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004. Aan die laatste vertaling is gewerkt door een grote groep geleerden uit allerlei disciplines. Het was de bedoeling om een vlot leesbare tekst af te leveren die geschikt is om gelezen en gehoord te worden. “De vertalers hebben geput uit de volle breedte van de Nederlandse taal, zoals die wordt geschreven in het Nederland en Vlaanderen van de laatste decennia van de twintigste, en de eerste jaren van de eenentwintigste eeuw. Nadrukkelijk modieus en archaïsch Nederlands is daarbij vermeden.”  

 

Op de site van het Bijbelgenootschap (www.bijbelgenootschap.nl ) is interessante commentaar te vinden bij hun vertaling,

 

 

 Een psalm van David.

 

De HEER is mijn herder,

het ontbreekt mij aan niets.

2 Hij laat mij rusten in groene weiden

en voert mij naar vredig water,

3 hij geeft mij nieuwe kracht

en leidt mij langs veilige paden

tot eer van zijn naam.

4 Al gaat mijn weg

door een donker dal,

ik vrees geen gevaar,

want u bent bij mij,

uw stok en uw staf,

zij geven mij moed.

5 U nodigt mij aan tafel

voor het oog van de vijand,

u zalft mijn hoofd met olie,

mijn beker vloeit over.

6 Geluk en genade volgen mij

alle dagen van mijn leven,

ik keer terug in het huis van de HEER

tot in lengte van dagen.

 

 

De tweede versie is van Ida Gerhardt en Marie Van Der Zeyde. Hun vertaling verscheen in 1972. Zij hebben zich enkel op de Hebreeuwse tekst gebaseerd. In hun verantwoording schrijven ze o.a. het volgende over hun vertaling.

De psalmen zijn levende taal: van en voor levende mensen. Niet die vreemde, verstarde, hortende en veelal onverstaanbare taal, die zovele jaren van de kansel tot ons is gekomen.

Wat wij hebben gedaan is luisteren, lusiteren en nog eens luisteren naar wat de tekst- deze concrete tekst en dit concrete vers – meedeelt: en dan vertalen volgens de context. Dit gebiedt soms een stuk letterlijke vertaling, soms moet men, juist om de wille van de context, darvan afwijken.

De oorspronkelijke psalmen zijn door hun dichters bedoeld om gereciteerd en gezongen te worden; hetzelfde geldt voor de vertaling. Niet alleen met de ogen moet men lezen; wie de psalmen wil verstaan moet ze lezen “met eigen stem”: luisterend –met de oren en met het hart. Luisterend – tot, boven verwachten en hopen, in de onderstroom van het vers het antwoord hoorbaar wordt.

 

In de Vertaling Vn gerhardt en Van Der Zeyde is elke psalm een gedicht geworden. Mijn voorkeur gaat uit naar hun vertaling. Die van het Bijbelgenootschap is me wat te eenvoudig.

 

De Heer is mijn herder,
      mij zal niets ontbreken.

Hij wijst mij te liggen
      in grazige weiden,

hij voert mij naar wateren der rust.

      Hij behoedt mijn ziel voor verdwalen,

hij leidt mij in sporen van waarheid
      getrouw aan zijn naam.

Moest ik gaan door het dal van de schaduw des doods,

      kwaad zou ik niet vrezen.

Want naast mij gaat gij,

      uw stok en uw staf

      zij doen mij getroost zijn.

Een tafel richt gij mij aan

      in het aangezicht van mijn belagers

en zalft met olie mijn hoofd.

      Mijn beker vloeit over.

Zo zijn dan geluk en genade om mijn schreden

      al de dagen mijns levens.

Verblijven mag ik in het huis van de Heer

      tot in lengte van dagen.

 

 
Hoe vind je dit bericht? 2 stemmen
Geschreven door john om 09:58 Reageer op dit bericht

Rilke: Eranna an Sappho

Rilke: Eranna an Sappho

 

O du wilde weite Werferin:

Wie ein Speer bei andern Dingen

lag ich bei den Meinen. Dein Erklingen
warf mich weit. Ich weiß nicht wo ich bin.

Mich kann keiner wiederbringen.

 

Meine Schwestern denken mich und weben,
und das Haus ist voll vertrauter Schritte.

Ich allein bin fern und fortgegeben,

Und ich zittere wie eine Bitte;
denn die schöne Göttin in der Mitte
ihrer Mythen glüht und lebt mein Leben.

 

In dit gedicht gaat Rilke ervan uit, zoals men ook in de Oudheid dacht, dat Eranna een tijdgenote van Sappho was. Dit gedicht zou dus een liefdesverklaring van Eranna aan Sappho zijn. Eranna was ook dichteres en is op jeugdige leeftijd, negentien jaar, gestorven.

 

Eranna noemt Sappho een speerwerpster, die ‘wild’ en ‘weit’ is, tegelijk niets ontziend en veraf. Zelf noemt ze zich een speer, een voorwerp gereed om te worden opgenomen en weggeworpen. Dat gebeurt dan ook figuurlijk. Eranna is verliefd geraakt toen ze Sappho haar gedichten hoorde voordragen of haar anderszins waarnam (dein Erklingen). De liefde is zo sterk dat ze niet meer weet waar ze is en dat ze niet meer kan terugkeren naar het alledaagse leven onder haar zusters.

Ze leeft niet zelf meer, maar wordt geleefd. Vooreerst in de gedachten van haar zusters, vervolgens door Aphrodite aan wier liefde ze volledig is overgeleverd (fortgegeben).

 

Oh jij wilde verre werpster:

Als een speer bij andere dingen
lag ik bij de mijnen. Jou te horen
wierp me ver weg. Ik weet niet waar ik ben.

Mij kan niemand terugbrengen.

 

Mijn zusters denken mij en weven,
en het huis is vol vertrouwde schreden.

Ik alleen ben ver en uitgeleverd,
en ik sidder als een bede;
want de mooie godin gloeit in het midden
van haar mythen en leeft mijn leven.

 

Een mooiere vertaling en meer commentaar is te vinden bij Peter Verstegen (Rilke: Nieuwe gedichten, Het eerste deel).

 

Het antwoord van Sappho is als volgt:

 

Sappho an Eranna

 

Unruh will ich über dich bringen,
schwingen will ich dich, umrankter Stab.

Wie das Sterben will ich dich durchdringen
und dich weitergeben wie das Grab
an das Alles: allen diesen Dingen.

 

Dit antwoord is moeilijker te begrijpen. Het lijkt alsof Sappho wil zeggen dat haar liefde gevaarlijk is. Als ze de liefde van Eranna beantwoordt, zal deze vergaan.

 

 

Onrust wil ik over je brengen,
je doen trillen, omrankte staf.

Als het sterven wil ik in je dringen
en je doorgeven  als het graf
aan het al: al deze dingen.

 

 


 

Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door john om 09:15 Reageer op dit bericht

Meer van sprokkelhout

↑ Terug naar de berichten