bergpad

bergpad
dwars door

dwars door Kreta
we doorkruisten Kreta
waar sedert de geboorte
van Zeus het gebergte
verkruimelt, mannen
op zuilen een knevel
dragen, een gekromde
dolk voor hun buik
waar de krikri
de kronkelende weg
verspert, een herder
versteent, een hand
in de zij, een cipres
op een helling terwijl
de horizont vernevelt
waar de kloosterling
het glas en zilver poetst
van iconen, in de wazige
spiegel het aangezicht
aanschouwt van een
tienergodin, leest
wat haar T-shirt openbaart:
‘right person wrong planet’
je weerstand verkruimelt
wanneer je Kreta doorkruist
uit verweerde kloven
geluiden onthoudt, de schaduw
van de lammergier, het geloof
in de ogen van weerloze dieren
dat geen bumper ze raakt
hoor de padden bezig
in het maanlicht, hoe ze zingen
sinds eeuwen: voel je hun keelklop
in deze garigue van woorden, de doornen
in een vinger die heeft neergeschreven?
voedselkilometers
rapport
Aptera

de papavers van Aptera
we zagen ze nergens
zo rood als in de ster
van een mitrailleurnest
en hadden ze een mitrailleur?
we dachten er de namen
bij van vaders en zonen
hoe ze zich omsingeld zagen
door de golvende staalhelm
de witte rune op het zwarte lapel
onmogelijk spatte hun bloed
zo karmozijn zo scharlaken
als later de klaprozen
in hun verpulverde kom
ingesloten door salie
een maquis van christusdoorn
we kwamen als verdwalende
geesten, raadden vergeefs
naar een reden: een klooster,
een blatende kudde, een bastion?
we lazen over de landing
van veldgrauwe engelen
het aureool van een valscherm
maar hoe leer je aan een klaproos:
‘meine Ehre ist Treue’?
Chania

Chania
boven een veld van
chrysanthemen, tuberozen:
de Witte Bergen
rondom de puinhoop:
taverna naast taverna,
gevels van pastel
waar men elkaar kan
zoenen, nijgend
uit een raam
we dronken Mythos, zonken
door de tijd: geblakerde
balken verdeelden de hemel
in parten en wie ontvangt
wat niemand toekomt?
hoor je de kreten
wanneer de goden bulderen,
de buik open gereten, de ogen
aan de punt van een lemmet?
uitbundig op de oude vesting
bloeien orchis en silene:
gewrichten kreunen nu je
neerligt, je lens gericht
op Lefka Ori, de Witte Bergen,
een glimlach van goden
die pas zijn geboren



geluiden van Kreta
geen dag op Kreta
of hij herhaalt de geluiden:
de schreeuw van een haan
want de zee staat in brand
het geblèr in bermen
en kloven, een paswoord,
een code - onophoudelijk
knijpt het gemekker zoals
een hand in een hand:
ben jij het, ben ik het,
zeg dat wij bestaan
waar rammelt een bel:
als een stel narren
van een wagen wippen
de krikri van hun rots
sneller dan een hagedis
weer verscholen
in de schaduw
dreigend nadert het gezoem
van bijen, nog nergens
zichtbaar dan aan de kassen
van de imker – wat begon
met ver gegons wordt
een dreunen alsof cello’s
verraden: er sluipt een
moordenaar door het huis
laat de bloemen hun naam,
noem ze het kroeshaar
van de gloeiende aarde
beluister onbeweeglijk
hoe de goudvink borduurt
op een glazen sluier
van zwaluw
wacht op de padden
rond het zwembad vannacht:
in wiens keel klopt zo luid
de lokroep om te paren?



gyne eleison
- bij een houtsnede van Joris van Opstal –
zo werd steeds gezongen:
met de boom des levens
klevend aan zijn rug droeg
de Here ons een goede vrucht
verdragen we dit beeld:
een zoenoffer aan een vertoornde
demon - hij droeg doornen, spijkers,
woorden: waarom hebt ge mij verlaten
wie ziet haar in de schaduw:
een vrouw, een boom des levens,
zij duwt met duizend twijgen
de muren van je weg
een man richt maar een lans
op ingebeelde reuzen, op
monsters in zijn hoofd
hij slaat nagels van waanzin
in vlees en hout, in geen kamer
slaapt hij veilig of hij droomt
een samenscholing, demonen
in een rondedans
de boom zingt in zijn schaduw:
droom nu zachter, zalig zij
die niet hebben volbracht, vlees
dat telkens weer verrijst, aan
muren duwt en faalt
telkens weer
(de houtsnede is te groot om in te scannen vandaar deze Servaes)
powerfeministe
imagoprobleem islam
Guido Lauwaert en Knack
wijsje

uit Een stuk of wat
wijsje
liefde laat zich niet beloven
en vereffenen als een schuld
je kunt met zachtzinnig geduld
en hoop van zaaiers in haar groei geloven
maar liefde laat zich niet beloven
je wordt het ergst door valse hoop bedrogen
maar wie heeft het spel dan vals gespeeld:
de grijpende dromer of het vluchtende beeld
je wordt het eerst door eigen stem belogen
het ergst van al door valse hoop bedrogen
papaverklaring
Els de Temmerman
de zee

mater et magistra
de zee is gelukkig. ze valt aan land
en loopt in eigen schoot terug. ongebroken.
zij werft niet en geen weigering kan haar verstoren.
de zee is gezond. zij weet van bewegen
het lenig en menigvuldig vertoon,
het enkelvoudig bestaan en evenwicht.
de zee is heel soepel. de maan heft haar
en legt haar op een muziek van meeuwen en mist.
de vezels, verzinsels der volledigheid
zijn haar louter water en zout.
ik ben licht, zegt ze, het luchtigste zand
kan mij dragen. zij draagt het zaad van alle
zwarigheid in d’r losse meisjesharen.
kom, zingt ze, zwel en ik zal je verzwelgen.
kom, zingt ze en wiegt, en wacht.
potig discours
vijf jaar
vijf jaar Groene Gordel Front
jongensboekjongensboek
de dag richt zich op als een boom
je kon een kijkhut bouwen
over de vlakte turen, stofwolken
lezen als een volleerde indiaan
misschien stormen de woorden aan
een kudde waar je een winter van kan leven
misschien de donderroede van een trapper
die je bladeren schudt en je voorgoed
verzoent met het zwijgen
je adem beslaat de glazen bladen
van een boek van vroeger:
versta de wolken, hun wollig schrift
dat uitwaaiert boven de daken
deze dag staat opgericht
als een vinger op de mond
van een dode moeder die geluidloos
strijkend om het strijdperk
van je helden stond
wen je ogen aan dit ochtendlicht
aan de kaft van schaduw
waar het haar naam
heeft in gegrift
naief?
Mirabrug

uit Van Toen en Thuis
Mira(ge)brug
je weet nog hoe ze was:
roest karkas, rottende knoken
een uitgestoken hand
maar de arm gebroken
geknakt , een zeverende pee
scheefgezakt, klak op half twee
vergeten hoe de vogels zongen
en de gaten in het vlechtwerk
zijn de vlekken op zijn longen
maar ze ligt er weer
gelijk een vrouw van weelde
die haar warmte optilt
en zingt: kom, wanneer je maar wil,
kom, ik vervoer je, breng je over
boven het zilver van de rivier
buren zijn opnieuw buren, lopen in en
uit, wielen draaien een zilveren molen
een bel rinkelt als een meisjeslach
metaal tintelt gelijk jong bloed
de Durme kronkelt van plezier
in benen die weer over lopen
de brug zingt van vervoering: kom,
ik voer je naar een gedroomde overkant