two roads

Two roads divided into the wood. I took the one less travelled by and that has made all the difference (Robert Frost)
two roads
Two roads divided into the wood. I took the one less travelled by and that has made all the difference (Robert Frost)
Ansichten 3
8.
Serengetipark (Zomergasten met Dries van Agt in 2005)
Een leeuwin valt een waterbuffel aan, hangt aan de nek. De leeuw maakt schijnbaar onverschillig enkele rondjes om de buffel en springt dan op zijn rug. De buffelkudde staat het als met ongeloof aan te zien. Tot ze in beweging komen en als een brede maar rustige golf op de scene naderen. Leeuw en leeuwin slaan op de vlucht.
Moraal : als slachtoffers ook samenwerken hebben aanvallers minder kans.
Waarom waren de joden geen waterbuffels, de Hutu’s, de Sovjetrussen onder Stalin, de Chinese intellectuelen onder de Culturele Revolutie, de Cambodjanen onder Pol Pot… ?
Vooral die lijdzaamheid van inpakkende en aanschuivende joden : hoe heeft dit kunnen gebeuren ?
En wat als die ene afgezonderde buffel niet overeind blijft in de inertietijd van de kudde ?
9.
Alleen een koe ligt verzaligd, glazig van geluk, omdat ze geen weet heeft van de slachter.
10.
Zuster Monica in De Zevende Dag stelt het dragen van een hoofddoek door moslimmeisjes op een lijn met een hanenkam of Indianenveer bij experimenterende jongens : in strijd met het reglement van de katholieke scholen en dus verboden. De ex-directrice krijgt daarvoor applaus van het studiopubliek : het beste glijmiddel voor arrogante onverdraagzaamheid is een minzame glimlach, kardinaal Danneels heeft dat ook allang begrepen.
Bovendien zijn er weinig argumenten die zo droef en moedeloos maken als het gescherm met ‘het eigen pedagogisch project van het katholiek onderwijs’. Heel dit betoog steunt op een hypocrisie die wordt gedeeld door de overgrote meerderheid van de betrokkenen, de inrichtende machten, de ouders, de leerkrachten en zelfs de leerlingen en die hypocrisie is onaantastbaar omdat ze de weg is van de minste weerstand : principieel leven is heel vermoeiend en soms moet je je afvragen of het wel beter zou zijn. Osama Bin Laden is ongetwijfeld een heel principieel man. Dan toch maar liever de Guimardstraat ?
11.
Daarop verder bouwend : de Belgen zijn een volk van plantrekkers en foefelaars. Wie heeft al een Belg ontmoet die nog niet in het zwart heeft gewerkt of laten werken ? Maar doorgaans slaan we elkaar de kop niet in, we stenigen niet en hakken geen handen af. Onze normen zijn vervaagd maar ook het bloed van de bloeddorstigen is aangelengd met Duvel en Elixir d’Anvers : moet de moralist nu verontwaardigd zijn of de schouders ophalen en zelfs glimlachen misschien ?

Patrick Stouthuysen deel 2
Het paradoxale aan tolerante denkers is dat ze graag argumenteren met dogma’s. Zo vertrekt Stouthuysen van de basisgedachte: ‘de vrijheid van meningsuiting is absoluut of ze is niet’. De feiten leren ons dat geen enkel recht absoluut geldig is, maar afhankelijk van de context moet worden afgewogen tegen een ander recht.
Zo sluit het recht op leven niet het recht op gewettigde zelfverdediging uit: onze politieagenten mogen hun vuurwapen gebruiken indien hun leven in gevaar is en onze soldaten mogen doden om andere mensenlevens te redden.
Wat de vrije meningsuiting zelf betreft: vrijwel nooit wordt de notie ‘laster en eerroof’ in twijfel getrokken, er schijnt een duidelijke consensus te bestaan dat de ene mens de andere niet mag belasteren of zijn goeie naam bekladden. Racisme is laster en eerroof aan het adres van een hele groep, van een volk of ras.
Stouthuysen argumenteert dat verbodsbepalingen een einde maken aan het debat en een bewijs van intellectuele zwakte zijn.
Stouthuysen schrijft: ‘verbieden bevestigt, vrees ik, racisten alleen maar in hun gelijk.’ Houden wij er dan rekening mee dat elke dief of moordenaar overtuigd kan zijn van het eigen gelijk?
Er zijn tal van daden die bij wet zijn verboden en waar niettemin voortdurend over wordt gediscussieerd in het opvoedingsproces thuis of op school, of in de media. Na de moord op Theo van Gogh is het debat over het thema racisme ook bij ons voluit gevoerd. Tom Lannoye maakte in Humo de interessante bedenking dat er een verschil bestaat tussen racistische humor die af en toe aan bod komt en het stelselmatig herhalen van vernederende spotternijen. Dit stond ook in het arrest dat de Vlaams Blok-vzw’s veroordeelde: het gaat bij racisme niet om een sporadische opmerking of tekst, maar om het systematisch verspreiden van discriminerende boodschappen. In De Standaard verscheen de ingekorte toespraak van Matthias Storme over de toepassing van het begrip discriminatie en de onwenselijkheid om dit fenomeen te verbieden.
Noenendal

Noenendal
we sliepen op geurige kussens
voor het open venster
bloeide de boomgaard
en in de hoge linde
zong een lijster
je huid was nog onbeschreven
door de rekenmeesters
van het leven
alleen mijn hand
lag als een leeslint
in het gebedenboek
van je dijen
- wat waren we godsdienstig toen
onze tong een heilige hostie
die smolt op onze tong –
het huis stond op de aderen van een bron
en soms kon je de steden zien
over de grens
kleine waterlelies
in de vijver van de roerloze nacht
en die winter was de oprit
een holle wegel in de sneeuw
en steeg het zwijgen op
uit het stokoude boertje
dat ’s zomers zo graag over de hagen hing
en wilde verhalen vertelde
terwijl jij naakt te zonnen lag
we woonden in verwondering
op onze berg
maar de verwarming
was niet te betalen

ansichten 23.
De demagogie in het debat over internationale politiek bestaat er onder andere in de geschiedenis op een willekeurig moment te laten beginnen. De voorgeschiedenis zou immers de eigen verantwoordelijkheid kunnen blootleggen en de eigen leugens.
4.
Er zijn evenveel redenen om voort te leven als om eruit te stapen, meestal zijn het dezelfde.
5.
Een bepaalde kromming in een ruglijn maakt ze betoverend, iets meer of minder en je haalt er je neus voor op.
6.
Pedofielen hebben de zuiverste smaak, zolang ze lief zijn.(en hun ogen de kost geven en hun handen toevertrouwen aan de kunst)
8.
Over seks kan je blijven lullen ; met je hersenen kom je er toch nooit bij.
8.
Wie nooit over zelfdoding heeft nagedacht, heeft nooit nagedacht.
ansichten
een dag zonder

een dag zonder
een dag zonder jou
ik bespring mijn tralies
en ruik niet eens
het vlees hier op de vloer
ik dacht ik val als een kauw
in haar schoorsteen en zij
met zichzelf in het reine
vindt mijn kraakbeen in de
kramp van dwaas verdromen
een oog van glas een snavel
als een kroontjespen krast
vergeefse kreten in wat muffigheid
ik dacht vergeefs
te vallen bewaard te worden
op een schoorsteenmantel
een relikwie als zelfportret
een spotprent van mezelf
een dag zonder jou
ik rook
als een kauw in je schoorsteen
maar morgen overmorgen
je borstelt mijn gebeente
met je fijnste wimpers
op het witte marmer
van je schouder ben ik
de uitverkoren dode
je windt mij op
tot de verrijzenis toe
drie heren van stand - aanvulling
flora en fauna

flora en fauna van schorren en slikken
de uiterwaarden en hun ruigtekruid:
het harig wilgenroosje, de spindotter
een gouden dekmantel, een sliepuit
over de dodelijke ernst van grauwe schorren
in het riet schuilt het geluid
van karekiet en blauwborst
de lisdodde in zijn schik
trapt lachend op een puit
op het slik en zijn gebroken korst
soms duikt een wielewaal
uit de dichte netels of praalt
een fazant die plots gaat
rennen voor zijn leven
gele lis en kattenstaart staan
stram buigend op de uitkijk
je weet uit een verleden
wat ze zien en volgen:
de stekelbaars, de goudgerande
torren onder en boven de wolken
en er is de fijne wimperborstel
die al het andere uitveegt
al je woede en geworstel
als een betraande tekening op een lei
de morgen bij de meersen is meer
dan goud waard: de populier die in je droom
bewoog, staat nu en hier te ritselen in een rij
ruist als de adem van een goede geest
een vreedzame met het geduld van
een moeder, een zachte meester
afgedamd

afgedamd
foto’s van de verstilde rivier
bochten uit hun loop
geknipt zoals geleerden
knippen in een kronkel genen
wat is de erfenis
die jou werd toebedeeld:
een closer beeld van het naakte baden
in een luwe zomeravond
libellen boven je hoofd
het grote oog van een herkauwer
meisjes bij het modderstrand nog niet
overwoekerd door netel en distel
hoe ze ‘s middags languit glimden
in hun zwarte badpak met ogen
die gaten brandden in je huid
een vermoeden van vissen
om vermolmde sloepen
op het water ’s avonds
futen in de weerspiegeling
van riet en populieren, een wak
van glans in de deemstering
de echo van een lied



the face that lynched a thousand
je kijkt voor je uit
als een mausoleum van bloederige
tsaren, hun dood is toegejuicht
als een zegening
ja, je bent bekleed met roze marmer
een man vergaapt zich aan het fresco
in je koepel wanneer zijn blote voeten
lopen over mozaïeken als over een bed
van witte bloemen in een paarsblauw licht
op hol slaat zijn stem die bidt
als een gebalde vuist op arduin
en zijn smeken waanzinnig zangvogel
tuimelt in je schemer, breekt
tegen je geschater zijn nek
en in een hoek van de gouden kroonlijst
trilt het spinrag van je ziel
trilt: ik ben zo vreselijk
ik ben zo vreselijk alleen

lenigheid
asielenpoten?
- refusons la Refuge -
ze komen
gesmokkeld door bendes
verbrokkelde korrels
van een bedorven zaad
opgezwollen spoelen ze aan
worden geborgen, of op de valreep
overboord gesprongen en opnieuw
verzonden naar hun overkant
ze komen het land in onderkoeld
uit het ankerhuis van schepen
die de vruchten aanvoeren van hun bodem
worden opgesloten in een vesting
wat onze wet dan noemt een beveiligd huis
een centrum, een Refuge
ze blijven komen
stikkend in een laadbak of buiten adem
wachtend op de verklikker, op de handhavers
van onze beschaafde orde – want onze zeden
heeft het stempel lief
in het exacte vak, de etiquette aan tafel
voor de honden en hun bazen
wij hebben de zegels lief over de lading
en zij komen als ongenode gasten
op onze feestmalen en verstoord
bevelen we de wachters aan onze poort:
gooi wat brokken naar de honden, want
we hebben de vrede lief in onze ingewanden
ze komen bedorven door een blik uit de verte
op onze spijskaart, als een echo
van onze boerende kelen spreken zij ons aan
dringen doorheen de verschansing
van onze chemische vrede: zij zijn
de chimaeren wanneer wij gelukzalig
dromen van hun stranden
of we nu slapen of wakende dwalen door onze
bewapende woning: ze blijven komen


een stuk of wat
gedichten 1973-2005
Staf de Wilde
- ‘is dit genoeg een stuk of wat gedichten voor de rechtvaardiging
van een bestaan’. Jacques Bloem -
uit Tsja (1973)
je handen
je handen vertellen sprookjes
aan mijn huid
van hoge winden
van diepe vissen
ik heb je handen niet gehoord
je handen niet gezien
geroken, doorsidderd
ik heb je lief
ik heb je handen lief
je handen vertellen sprookjes
aan mijn huid
feeën aan mijn wangen
dwergen in mijn zijden
zo heeft elke tuin zijn lusten
elke vinger zijn verrukking
verrukkelijk zijn je handen
over mijn huid, de poriën zijn
luisterend en fluisteren
ik heb je handen lief
ik heb je lief
hou mij in je handen
evasio
een raaf zetelt aan de Schelde
vervaarlijk gekrijs
ben je bang liefste
zoek dan de schelp van
een schouder aan de Schelde
genoegzaam rent een gnuiven
over je rug, een vluchtende Bunt
vervaarlijk langs de Schelde
een bek krijst, de schicht in een oog
gelijk het bot van een arm grijpt
naar de avond
over de Schelde hollen de lijken
benemen de adem
van de dijk
wanneer het grint kriept
krijst de raaf en vlucht
aan de Schelde zetelt de vlucht
danse macabre
je grote ogen liefje
zullen grote gaten zijn
wanneer je huid lang al is vergeten
en in je haren larven dromen
van vermetel mooie vlinders
je zachte dijen liefje
zullen poreuze knoken zijn
wanneer mollen rennen door je ribben
en in je bekken de ratten paren
ik zal je schedelnaad weer lijmen
je onderkaak aanroepen
als een goede huisfee
wanneer je huid lang al is vergeten
en over je verkrampte hand
de slakken kruipen
sluipmoord 1
ik ging in je meren baden
je kikkers kwaakten me aan
ik gaf ze een hand
een tikje op de stuit
dankbaar hebben ze mij
gedeeld van hun watervlooien
en kwaakten me aan
ik waadde uit je meren
droogde me met de haren van
de maan - kwaakten je kikkers
me na, je kikkers kwaakten me na
op hun rug lag groen vuur
het verdampte je ogen in
het water, in de nevel hoorde ik
je kikkers zachtjes
als vissen gillen
toen al baadde ik
in het spinrag van nevel
en op mijn vijvers dreven
de schubben van een doodzieke vis
epitaaf voor de familie God
rust zacht
lieve doden
gij
die de bomen hebt gegeven
en het luchtbederf
die het manna liet regenen
soms ook wel stront
gij hebt u kras gehouden
door de eeuwen
ik vergeet u niet
gij
die woord waart
en woorden hebt verwekt
uit zwavel en salpeter
die man werd uit een maagd
ik zal u niet vergeten
gij
die in me woont id est
in een onbewoonbaar verklaarde tempel
die door me wiekt met radde beelden
en mijn klokken klepelt
geplukt verteerd zijn uw pluimen
en uw streken
gij minder vos dan wezel
ik vergeet u niet
rust zacht
lieve doden
gij zult in mij verblijven zoals malse
mollen in een proper lijk
twee november
wanneer ik moet gaan
wens ik te vertrekken als de zon
in vele kleuren
misschien zullen enkele dennen
ruisen en wil een lijster schuifelen
het zou enig zijn
zelfs Beethoven is niet zo
ten grave gedragen
wanneer ik moet gaan
wens ik allen ver van mij
zeker gij mijn tere mijn teder
geliefde, sta ergens op een dijk
en kijk in het westen hoe mijn ogen
bloeddoorlopen worden dichtgedrukt
door de duimen van de nacht
het zou enig zijn
wanneer ik moet gaan
mijn liefste
geef u over aan de nacht
uw klaar lichaam een landerig
vers in het licht van de Schelde
het zou enig zijn
wanneer de maan mijn blauwe
lippen kust en van nevel een traan
valt op mijn voorhoofd
zal het enig zijn
zo wens ik te sterven
praat tegen de eeuwige vaak
praat met mij
mijn liefste
wanneer ik zal begraven zijn
praat met mij
wanneer ik op de rand van je bed
zal zitten en naar je lach
praat met mij
telkens je mijn wolkige wangen streelt
en de holten van mijn ogen spreken
praat met mij en vraag mij
al die rare dingen
die men enkel aan schimmen
vragen durft en kan
ik zal wanneer ik ben begraven
komen, en met jou praten
mijn bloot gebeente zal niet weerom
met zijn bek vol tanden staan

man/vrouw van het jaar
Wie heeft zo’n geheugen dat hij/zij kan zeggen: dit was de man/vrouw van het jaar?
demonendemonen
noem ze maar, spreek ze aan
noem je demonen bij hun naam:
het eerste glas, de laatste nimf
de blauwe en de zwarte engel die
gestadig wisselen van plaats
vergeet de goden niet die slapen
in je schaduw, de hogere die hun
onderkomen vonden in de gaten
van de hemel, de jonge die dansen
om de kring van je leeslamp,
de slapeloze die sluipen door de
regen, hoor ze duizelen tegen je raam
noem ze bij hun verboden naam
laat ze sluimeren in je zetel, schrijven
met je kroontjespen, zwierige tekens
die rijmen op nacht en nevel, resoneren
in de droom van een dier dat snikt
noem ze, hou ze lenig als een naam
eer ze langzaam met water en
blaadjes, met geborrel alsof
een dwaalgast al is aangekomen
en gorgelt vóór het spreken
noem hem, heet haar welkom
laat hen wonen in een naam
morgen en mist

morgen en mist
nevel, nog week en wazig, een woord
zonder kracht en toch: hij kleeft
als een schimmel aan je ogen, zijn
kille poten zoeken in je vlees
je verstuift wat bladeren, zand hangt
aan je zolen als een herinnering
er is het zwijgen, een bange vogel
een ritseling die wil samen zijn
de bomen dragen hun koude zweet
lijken zwarter dan hun voorbije
schaduw, een tak breekt als een
bot, een keten in een kerker
denk er de honger bij, het deksel
dat niet meer wordt opgelicht,
de stappen steeds holler daarboven
nevel en de wereld verwijdert zich
je loopt alleen met een schijn
van leegte, weet dat nu bloedwarme
wezens beluisteren hoe de bladeren
schuiven aan je voet, het zand dat
grijpt nog als een dode hand