Job
'n Potscherf heeft de paadjes van de jeuk
geduldig opgespoord, het druipen van etter
is opgedroogd, de tentatieve tik
tegen roofjes laat de huid wellustig kruipen.
Als Gods hand alles uitwist, blijft de tijd
nog onvernietigbaar. De ganse dag
bleef tot zijn beschikking om de vlijt
van bromvliegen in het vuilnis te beschouwen
- aandachtig ademend, terwijl de stank
en zonnesteek hun bezwering om zich ranken.
Toen al de ijveraars ondergronds verdwenen
heeft hij zijn bak zorgvuldig schoon gelikt,
zijn mantelrafels over zijn kop getrokken,
is gekrompen tot een kleine pit van pijn.
*** vertaling van een gedicht in het Afrikaans van de onlangs
in Nederland overleden Zuid-Afrikaanse dichteres




