De oude Windmolen 2.
Van 15 septembr 1584 dateerd een attestie van schout en schepene, opgesteld op berzoek van Adriaan van den Hove en Anneken van de Valgaer, eigenaars van de molen. Daaruit blijkt dan Van den Hove geen profijt haalde uit het molenbedrijf. Hij en zijn pachters werden herhaaldelijk "garansoeneert" door voorbijtrekkend krijgsvolk. Tegen wil en dank werden de geeiste sommen uitgekeerd; tot tweemaal toe dreigde men zels de molen in brand te steken, bovendien werd hij "gespolieert van zeelen ende zeilen ende ander getuig". Sedert de belegering van Maastricht door Parma in 1579 is het dorp gedepopulariseerd. Het werd een onafgebroken uittocht naar steden en veiliger oorden. Door dit alles bracht de molen meer " onprofeit " dan profeit met zich, gezwegen nog van de slechte toestand van " roeien ende stenen"
Bezitters van de molen omstreeks 1590 zijn enerzijds Peter van den Berghe, Peter Snijders, Caroluszoon en Suzanna van den Berghe, anderzijds Merten Wellens, deze laatste uit kracht van het testament van Elisabeth Loeyen, zijn eerste huisvrouw. In gemeenschappelijk overleg wordt op 21 augustus 1590 bij " palmslach" de afgetakelde molen verkocht aan Henricken Pyskens voor 230 gulden. Pyskens nam op zich alle verplichtingen na te komen die op de molen gevestigd waren. De nieuwe eigenaar laat er geen gras overgroeien en begint onmiddelijk met de herstellingswerken. Jan Wouters, molenmaker van beroep, wordt daartoe aangezocht.
Hij vraagt " een scabinale visitatie aen ontrent staet ende gesteltenisse vanden wintmolen". Hij krijgt opdracht " de standaert " te vernieuwen. Kort daarop verklaren de schepene zijn werk zo degelijk, " dat geeniculen daer op en kan komen ". Jan Wouters had alles " wel voorsien, versekert ende allessins geschoort". Nieuwe " scabinale visitatie " op 1 october 1593, nu op verzoek van Jan Anthonis , molenaar te Gestel. Thomas Elens en Assuerens van der Maeten vertegenwoordigen de schepenbank. Jan Wouters molenmaker, en Peter, molennaar van Beringen, treden op als deskundigen. Men schat stenen en billen , binnen- en buitenreep, kammen en spillen, breekijzers, handboom en molenvat
Pas nu wordt de molen verpacht. Adriaan Beerten neemt op 15 april 1594 het bedrijf in handen in dezelfde condities als zijn voorganger. Op 17 maart 1606 woedde een geweldig tempeest waarbij de windmolen begaf. Blijkens een certifikaat van de schepenbank op 19 juni 1607 was de molen nog steeds "opden berch liggende, tot groot achterdeel ende ongerieff der gemeynte" Wanneer en door wie werd de molen opnieuw ingericht?
1624. Eigenares is Weduwe Adriaan van den Hoeven. Zij eist dat de gemeentenaren " van anderen niet gerief ofte gemaelen en souten worden". Op 11 september 1624 tekent Gielis Elens daartegen protest aan en betwist haar het recht "te pretendeeren ha;re muelen te wesen eenighe dwanckmuelen "
1630.
Eigenaar voor de helft van de molen is Govaert vander Straeten, rentmeester van Diest.
Andries Ooms pacht het bedrijf op 17 januari 1634 voor een termijn van drie jaar. Ooms sterft voor 2 october 1635. Pachter na hem is Peter Vintens die kort daarop tragisch sterft. Blijkens " de scabinale visitatie van sijn doot lichaem op 21 october 1636 was hij gequest tussen het rotstel ende kompvat met twee playhen ( wonden à, de een op de rechte sijte ende andere op sijnen rugghe ter langhs, geel blauw wesende van de spillen das rotstels"
1664-1669; Molder is Anthoen Clavers.
1677, 13 juli : Hendrick van Roye, molenaar.
1690, 11 juli: Godfried vander Staeten, schenkt zijn molen aan zijn broer Jan- Baptist vander Staeten. Pachter in die dagen was Jan Beerten. Jan Verbraeken volgt hem op na zijn dood., na zijn pachttijd betrekt hij de watermolen van Westherk.
1719- Pachter is nu Johan van Olmen. Was de Hr van Surpele in 1690 gevolmachtigde van Godfried vander Staeten omstreeks 1702 is hij eigenaar van de molen. Zijn schoonzoon respectievelijk gehuwd met zijn dochters Isabella en Theresia, verkopen de molen op 7 september 1721 aan Johannes Huygens van Booischot.
In de koopakte heet het:
1- Windpacht aan Z.H. de prins van Luik bedraagt 9 mud rogge.
2- Aan het kapittel van Sint- Sulpitius te Diest dienen jaarlijks
6 gulden Brabants uitbetaald.
3- Aan de kerk van Diest 4 gulden 's jaars.
4- Aan de H. Geest van Diest 6 gulden 's jaars en 5 halster
rogge.
VOORWAARDEN VAN BETALING WAREN;
1- 1000 Gulden Brabants binnen de 14 dagen.
2- 1000 Gulden binnen de 6 weken.
3. 4000 Gulden blijven staan tegen een rentevoet van 3 Gulden 10 stuivers. Deze intrest--- 140 gl--- moet voor het eerst uitgekeerd op 22 september1722.
Huygens vestigt zich metterwoon te Tessenderlo, en ondernemend als hij is, repareerd hij grondig de molen. De vernieuwde staander draagt thans nog het jaartal 1728. Staakijzer en spil zijn van latere datum; 1751.
Met lede ogen zag Jan Huygens dat velen naar Brabant trokken met hun graan tijdens de perioden van windstilte. Via de schepenbank gaat zijn verzoek naar de vorst om een paard- of rosmolen te bouwen. Rentmeester Bussy steunt dit verzoek na een bezoek terplaatse. Vergunning wordt verleend op 16 september 1729.
De Huygensen waren een molenaarsfamilie, de Vander Grintens eveneens. Martinus Vander Grinten pacht in 1698 de molen van Dessel. In 1713 die van Deurne, in 1738of iets vroeger die van Tessenderlo. In 1753 wordt Martinus junior eigenaar van de molen die tot nog toe gepacht werd
Hij verheft hem voor de schepenbank op 4 december na de dood van Jan Huygens. Op 3 januari 1758 komt Johannes Lamboy, molenknecht, tragisch aan zijn einde, " ex lapsu molendini" ( bij een val uit de Molen ) noteert pastoor Matthias Preys.
1764 . Jozen Huygens is molenaar eigenaar. Hij huwt Maria Smets en wordt vader van 4 zonen en evenzoveel dochters. Johannes wordt capucijn, Petrus minderbroeder, de oudste Franciscus, werd " wintmolder " in Tessenderlo. Pas in 1851 komt er weer een Huygen aan bod






