Het laatste Duitse offensief deel 2
Op ongeveer 600 meter ten zuiden van Fleury ligt het magazijn M8 La Poudrière de Fleury, dat tijdens de aanval dient als commandopost van de 255e brigade. Op tien meter afstand van het magazijn ligt ook nog een bunker dat dient als wachtpost.
Het lukt het Bayerse Leib Regiment om, ondersteunt door vlammenwerpers en machinegeweervuur, de Poudrière van Fleury in te nemen. Bij de aanval geven 250 Fransen en hun officieren zich over.
In het magazijn vinden de Duitsers 6.000 granaten, 300 vaten kruit, 200 geweren, munitie, conserven en levensmiddelen. Het magazijn wordt onmiddellijk ingericht als eerste hulppost. In de ruimtes en gangen liggen er overal gewonden. Water is schaars en het kleine magazijn kan door de zware beschietingen maar moeilijk bevoorraadt worden. De kleine kazemat in het magazijn dient als verblijfsruimte voor de bataljonscommandant Wilke. Tegen het einde van de dag loopt het front ongeveer 150 meter om het magazijn heen. Nadat de Fransen het verlies van het magazijn vernemen, leggen de Fransen het magazijn direct onder artillerievuur.
Ten noordwesten van het kruispunt van La Chapelle Sainte Fine wordt een bataljon Fransen gevangengenomen en afgevoerd. Door de snelle inname van het magazijn en de gebeurtenissen bij het kruispunt La Chapelle Sainte Fine ontstaat tussen de Franse 128e en 131e divisie een bres van ongeveer 350 meter. De 131e divisie onder leiding van generaal Duport geeft alle batterijen van zijn divisie opdracht om de bres onder vuur te nemen. Door de beschieting en door de hulp van twee infanterie regimenten gelukt het de Fransen de Duitsers enigszins te vertragen. Tegen de middag zijn de Fransen niet zeker waar hun stellingen aan de rechterkant en aan de linkerkant liggen. De Duitsers zijn ervan overtuigd zowel links als rechts te zijn doorgebroken. Daarom nemen zij Froideterre, Ravin des Vignes, fort Souville, fort St. Michel en Belleville onder vuur. De Franse generaal Mangin geeft zijn troepen opdracht een geïmproviseerde tegenaanval te doen. Dit heeft enig succes aan de rechterkant op La Montagne.
De 3e compagnie van het 7e regiment en fort Souville
Fort Souville ligt in de tweede fortenlinie van de in totaal drie fortenlinies van Verdun. Achter fort Souville liggen in de derde fortenlinie nog twee forten namelijk de forten Belleville en St. Michel. Deze forten werden echter niet in staat geacht zich te kunnen verdedigen. Fort Souville ligt al vele maanden onder vuur. Van het fort is dan ook weinig over. Alle delen die boven de grond uitsteken zijn ingestort. Door de beschietingen en de gasgranaten die op het fort zijn gevallen zijn er bijna geen gevechtsklare soldaten meer in het fort.
Bij de aanvang van de Duitse aanval heeft de 3e compagnie van het 7e regiment opdracht gekregen om de lijn te gaan versterken. Om 05u30, ruim een half uur nadat de aanval van de Duitsers is gestart komt de 3e compagnie van het 7e regiment met ongeveer 60 man onder bevel van luitenant Dupuy en overste d'Orgemont langs het fort. Zijn opdracht is om naar de Carrières te gaan. Maar door de enorme verliezen, die hij al heeft geleden op weg naar het fort, besluit hij om een schuilplaats te zoeken in het fort. Doorgaan zou waarschijnlijk de ondergang van de gehele compagnie betekenen. Luitenant Dupuy treft er een bijna geheel uitgeschakelde teritorialecompagnie aan. Een Duits bataljon zou zeker geen moeite hebben om het fort op dat moment in te nemen. De commandant van het fort op dat moment is luitenant-kolonel Astruc. Hij is gewond en vergiftigd door het gas maar hij weigert om het fort te verlaten.
Luitenant Dupuy begint meteen met zijn overste d' Orgemont de organisatie van de verdediging van het fort te regelen. Hij stuurt het volgende bericht naar overste Borius, bevelhebber van het 7e regiment: " Souville, op 11 juli, 6 uur 's morgens. - kapitein Soucarre, die wegens gasvergiftiging uitgevallen is, heeft mij het commando over de compagnie overgegeven en bevolen om mij naar Carrières te gaan. Na veel spervuur en gas, bereikten we met veel moeite Souville die in nood verkeerd. Hier gaat het niet goed. De commandant van het fort heeft een gasvergiftiging en het garnizoen is gevechtsonklaar. Indien er geen ander bevel gegeven wordt, blijf ik in het fort en onderneem de verdediging.
Commandant Piffre de Vaubon van het 7e regiment vertelt hoe luitenant Dupuy de verdediging regelde:
"Luitenant Dupuy liet allereerst de onderaardse gangen openen en vrijmaken en stelde daar zijn met handgranaten bewapende mensen op, die bij het minste of geringste konden ingrijpen. De noordoost ingang van de centrale gangen in het bijzonder werd gebarricadeerd en met zandzakken en prikkeldraad volledig versperd. Terwijl wachtpostgroepen de omgeving van het fort bewaakten, wees hij gevechtsklare territoriale mannen hun plaats toe. Van de zieken en gewonden laat hij er zoveel mogelijk afvoeren.
Om 09:00 uur gelukt het kapitein Decap, adjudant van overste Borius, commandant van het 7e regiment, doorgang te vinden. Hij moet op bevel van overste Goubeau, commandant van de 262e brigade, het commando overnemen. Luitenant Dupuy, die hij bij de ingang van de gewelven aantreft, waar de bezetting zich ophield, bericht hem over de maatregelen, die hij getroffen heeft. Kapitein Decap treft nog meer maatregelen. Kort daarop worden de bewaking en de verdediging op de volgende manier gewaarborgd:
1. De gehele bruikbare rest van de 3e compagnie, 35 man en drie machinegeweren, die nog worden aangevuld door enkele overgebleven territorialen, bezetten de uitgang van de gewelven aan de noordwest zijde van het fort. Luitenant Dupuy voert deze groep aan. Boven op de gewelven worden wachtposten opgesteld.
2. Aan de zuidingang stellen enkele territorialen onder luitenant d' Orgemont van de 3e compagnie zich op.
3. Binnen in het fort onderhoudt luitenant Barreau, die weer is bij gekomen, (onderweg naar fort Souville had hij en luitenant Roger, beiden van de 3e compagnie gasvergiftiging opgelopen. ) met enige, gevechtsklare mannen het contact tussen het fort en Batterie Tourelle (262e brigade).
Tegen de avond liggen de mannen van de 3e compagnie 24 uur onder vuur en zijn zij uitgedund tot 35 gevechtsklare soldaten. Aangevuld met enige territorialen is het toch gelukt de verdediging van het fort te organiseren.
Anton Steiger
In een brief naar huis beschrijft de infanterist Anton Steiger, een twintigjarige student in de theologie, zijn belevenissen:
"De laatste dag voor Verdun en de verschrikkelijkste! Op 11 juli marcheerde onze compagnie af naar het bos van Fosses. Om twaalf uur verder tot de kloof van Ablain. Daar bleven het tweede peloton en een groep van het derde peloton achter. De eerste en tweede groep van het derde peloton, zeventien man, twee onderofficieren en een sergeant-majoor, marcheerden door. Daarbij ik en mijn twee schoolkameraden Steiner en Reidser. Ongeveer 600 m voor onze plaats van bestemming hielden we stil in een granaattrechter om op krachten te komen, omdat we het traject zo snel mogelijk, op zijn vort-vort moesten afleggen: er was immers een verschrikkelijk spervuur. Een granaattrechter kunnen jullie je het best voorstellen als je denkt aan een met wortel en al uitgerukte grote boom. Ik was nauwelijks gaan liggen, of - ssstt - daar slaat een granaat vlak voor ons in. Geschreeuw, gekerm, gehuil, tegelijk ook de kreet: "Op, op vooruit, vooruit, wie dat nog kan!" Ik verzamelde mijn laatste krachten en sprong op (wij waren natuurlijk allemaal bepakt); ik ben die 600 m niet meer gelopen, maar gevallen, van de ene granaattrechter naar de andere. In onze schuilplaats verloren we zes van onze zeventien man; drie waren dood, onder wie Reiser, met wie ik in mijn schooltijd negen jaar lang ben opgetrokken. Van de drie gewonden wist er een nog de volgende dag vroeg kruipend onze schuilplaats te bereiken. Hij werd 's nachts door onze mensen meegenomen. Een granaat sloeg onder hen in en de gewonde met zijn vier dragers waren dood. Onze schuilplaats was een oude, al half in elkaar geschoten Franse kazemat 150 m van de artilleriestelling Thiaumont verwijderd. In onze ogen was het slechts een hoopje aarde; als een vossehol was de ingang. Daarachter leidde een helemaal door aarde bedolven trap naar de ruimte waarin we vier dagen lang hebben gelegen. Er lagen doden onder het puin, van een ervan staken de benen naar buiten tot aan de knieën. Beneden waren er drie ruimtes, één vol met Franse lichtkogels en vuurpijlen; een ruimte zo groot als onze keuken, die waarin we verbleven, lag ten dele vol met Franse munitie, de derde was gevuld met Franse explosieven. Heel de tijd was het stikdonker, omdat we maar een paar kaarsen hadden. Dan was er nog die verschrikkelijke stank, een bedorven lucht van doden. Ik heb die vier dagen bijna niets door mijn keel kunnen krijgen. Op de derde dag schoot de Franse artillerie met 28'ers zo op onze schuilplaats, dat wij dachten dat alles in elkaar zou storten. Op de vierde dag, een vrijdag, ging het al vroeg erop los met die zware artillerie, tot 's avonds half 10. Dat wil zeggen, tien uur in een schuilplaats liggen onder granaatvuur, tien uur de dood van levend worden begraven, onder ogen zien of het vooruitzicht in de lucht te vliegen voor het geval een granaat daar inslaat waar de explosieven liggen; maar het zou nog anders gaan: één gat was al helemaal in elkaar geschoten, het ander zozeer bedolven, dat er ternauwernood een man door kon kruipen. Wij kregen dus, doordat onze kelder 6 m achter het gat lag en daarna nog 2 m in de diepte, bijna geen lucht meer. Tot slot schoten de Fransen waarschijnlijk gasgranaten op ons af. Opeens kijkt de sergeant-majoor op, hij wordt niet goed; nog een paar staan op en vallen flauw. Dan schreeuwt ook de sergeant-majoor: "Eruit, naar boven, wie dat nog kan!". Ik en de andere liggen op onze ransels. Als we opstaan, vallen we zonder meer om. Er ontstond een onbeschrijflijke wirwar. Iedereen snakte naar lucht. Iedereen wilde eruit. Iemand viel en dan bleven allen steken. Velen hadden niet meer de kracht zich naar boven te werken. Ik had die kracht nog wel. God zij dank, en hielp nog iemand naar buiten. Buiten gekomen, doken we de volgende granaattrechter in! We waren allemaal krijtwit. We bleven er liggen en verroerden ons niet meer, ondanks de granaten die links en rechts insloegen. Een paar kwamen vrij gauw weer op krachten en haalde de anderen, die niet meer naar boven konden komen. Ze werden allemaal gered. Bij drie of vier moesten we kunstmatige ademhaling toepassen. Na een half uur, om tien uur 's avonds, begonnen we aan de terugweg, dat wil zeggen wij wankelden terug. Niemand kon er meer lopen, om de vijf minuten stopten we."
Het onderkomen waar zij hoogstwaarschijnlijk verbleven is hoogstwaarschijnlijk T.D. 1. De resten van dit onderkomen bevinden zich onder het Ossuaire.
Anton Steiger zou kort daarop ingezet worden bij de slag aan de Somme. Op 14 oktober 1916 zou hij sterven te Sailly-Saillisel. Hij rust op het Duitse oorlogskerkhof in Rancourt in een "Kameradengrab".
Woensdag 12 juli: De aanval van de Duitsers gaat door alleen waren er geen versterkingen meer om de aanval daadkracht bij te zetten. Ook is er onduidelijkheid over waar de lijn nou precies lag. Het bevel voor de aanval op het fort Souville wordt gegeven. Er zijn slechts twee compagnieën van het Duitse140e Infanterie Regiment beschikbaar om de aanval in te zetten. In de vroege ochtend wordt het kruispunt La Chapelle Sainte Fine ingenomen door de Duitsers van waaruit zij tegen 06:00 uur doortrekken. Vanaf La Chapelle Sainte Fine is het 400 meter naar fort Souville. Tegen 06:00 uur worden de Duitsers door de Fransen in fort Souville waargenomen. Ze zijn ongeveer met 150 man. De troepen zijn twee compagnies van het I.R.140. De ene helft uitgerust met steelhandgranaten de andere met geweren met bajonet erop . De aanval wordt geleid door een vuurwals een kruipende beschieting waarachter de mannen optrekken. De ingevallen gracht wordt direct overgestoken. Zodoende klimmen zij op de bovenbouw van het fort. Duitse observatoren nemen, niet veel later, op het fort van Souville soldaten waar die met een Duitse vlag zwaaien. Dit betekende dus dat er zich tussen de Duitse infanterie en het fort geen Franse soldaten meer bevinden. Er is echter geen enkel regiment beschikbaar om deze situatie uit te buiten. Meteen wordt het gebied ten zuiden van het fort onder vuur genomen.
Commandant Piffre de Vaubon noteerde;
"Fort Souville werd de hele dag van de 11e op de 12e onder zwaar vuur genomen. Onophoudelijk sloegen de 21 cm projectielen in.
Luitenant Dupuy had het goede idee gehad, bij de uitgang van de gewelven, waar de dappere mensen van het 7e regiment en de territoriale soldaten verzameld waren, en waar zij een voorraad handgranaten hadden klaargezet.
Op 12 juli tegen 3 uur 's morgens liet ik alarm slaan, verklaard hoofdman Decap in zijn bericht. Het grootste deel van de 3e compagnie bevond zich op de bovenbouw van het fort met de drie machinegeweren van de landweersoldaten.
Tegen 05:00 uur versterkt het Duitse vuur op het fort zich tot een ongelooflijke kracht. Om verliezen te vermijden, besloot kapitein Decap zijn mensen in de gewelven terug te trekken. Een paar wachtposten liet hij op hun plaats. Zij stierven allemaal!
Tegen 06:00 uur, zo melde kapitein Popis mij, dat de Duitsers vanaf Sainte Fine naar het fort doortrokken. Hoofdman Popis, adjudant van de majoor Darré, die twee machinegeweergroepen van de 3e compagnie van het 7e regiment aanvoer, bevond zich met twee colonnes in de buurt van een ten oosten van fort Souville liggende Batterij.
Ik stuurde met het oog hierop een verkenningspatrouille erop uit: luitenant d'Orgemont, onderofficier Guisnier met 8 mensen richting Sainte Fine.
De ongeveer 30 Duitse soldaten, van het I.R.140, die zich op het dak van fort Souville bevinden zijn hoogstwaarschijnlijk de eerste en laatste vrije Duitse soldaten die in de Eerste Wereldoorlog de stad Verdun zullen zien liggen. Zij zien Verdun in de verte liggen maar er komen geen versterkingen! Tot op dat moment houden de Franse soldaten op de bovenbouw zich stil. Dit tot dat luitenant Dupuy samen met onderofficier Guisnier het teken geeft om de bovenbouw te bestormen. Tegelijkertijd begint een geschut ergens anders vandaan op de bovenbouw te schieten. Er volgt een fel gevecht met handgranaten. De Duitse soldaten houden een ogenblik in. Dan beginnen de drie machinegeweren te schieten. De Duitse soldaten moeten dekking zoeken. Nu vallen alle Poilus aan. Er volgt een gevecht waarbij beide partijen constant met handgranaten gooien. Ten oosten van het fort ligt een batterij die de tegenaanval doeltreffend ondersteund.
Plotseling geven drie Duitse soldaten zich over waarop de anderen terugwijken. De Fransen krijgen de overhand, dit bemerken zij zelf ook. Daarom wordt er, door onderofficier Guisnier en luitenant d' Orgemont, een aanval uitgevoerd om de Duitse soldaten van de bovenbouw te verdrijven. De aanval slaagt en tien Duitse soldaten geven zich over. Om 08u30 is er geen Duitser meer boven op het fort. Het lukt enkele mannen van I.R. 140 nog wel wat om stand te houden in de gracht en de daaromheen liggende trechters. Maar de situatie wordt alsmaar zwaarder, vooral omdat de Fransen nu steeds meer versterking krijgen en de Duitsers geen.
De Duitse observatoren zien ook dat de soldaten van de bovenbouw weg zijn en dat de beschieting van het fort weer begint. Vreemd is dat de Fransen nu ook de bovenbouw beginnen te beschieten. Luitenant Dupuy neemt onmiddellijk contact op met batterij Tourelle en verzoekt hen om het vuur naar voren te leggen.
Het volgende gesprek vindt plaats:
Hallo, Hallo, batterie Tourelle?
Ja!
Hier Dupuy, we worden door de eigen artillerie beschoten, het vuur naar voren leggen!
Waar ben je?
In het fort.
In het fort! En de Duitsers?
Die zijn van het fort geslagen! Enkele gevangenen... We houden vol!... Verleg het vuur naar voren!... naar voren leggen!...
De Duitse soldaten van I.R. 140, die ondanks dat zij onder vuur liggen van zowel de Franse als de Duitse kanonnen, toch nog de gracht weten te behouden. Worden nu met behulp van handgranaten door de Fransen verdreven. 23 Duitse soldaten geven zich over, de rest van de soldaten sneuvelt. De aanval op fort Souville is definitief afgeslagen. Andermaal is de Duitse aanval op Verdun mislukt.
Achteraf zal blijken dat de aanvallen van 11 en 12 juli 1916 niet hadden hoeven plaats te vinden. Want op 11 juli 1916 had generaal Falkenhayn zich immers bedacht en gaf hij het order in de verdediging te gaan. Het was echter al te laat om dit bevel nog op tijd bij de bevelhebbers van de divisies te krijgen! Op 14 juli 1916 krijgen de Duitsers alsnog het bevel de aanval te staken!
Generaal Nivelle vaardigt op deze dag een ontroerende dagorder uit waarin de Franse troepen worden geprezen voor hun doorzettings- vermogen en hun standvastigheid. Hij besluit met de beroemde passage: 'Ils ne passeront pas!'.
De Duitse opperbevelhebber Falkenhayn meldt aan het Ve Leger dat er een periode van rust aan het front moet intreden. De veroverde linies moeten wel worden verdedigd, ook tegen zware Franse tegenaanvallen. Er wordt opdracht gegeven zuinig om te springen met munitie. Nog steeds worden manschappen en artillerie overgeplaatst naar het Sommefront en naar het oostelijke front. De strijd aan het Verdunfront gaat op kleinere schaal onverminderd door en speelt zich vooral af rond de versterkingen en bunkers die behoren tot het oorspronkelijke Franse verdedigingsysteem rond Verdun. Hier wordt dagelijks vurig gevochten waardoor de frontlijn van dag tot dag verandert. Generaal Mangin zet op 15 juli nog een grote aanval in op Fleury. De 37e Afrikaanse Divisie wordt hierbij ingezet maar slaagt er niet in het dorp in te veroveren. Opnieuw is er sprake van een overhaaste aanval zonder artillerieondersteuning en de Franse verliezen zijn enorm.

