Dinsdag 3 maart 2009
VERHALEN VAN VROEGER


Het moet ergens tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870, of daaromtrent, geweest zijn, toen er Hollandse soldaten ingekwartierd lagen bij boer Klaasens, die zijn boerengedoe in het Rucphense, vlak tegen de huidige Belgische grens aan, had.
Op 'n avond zaten de boer en zijn familie samen met wat soldaten rond de plattebuis met elkaar te buurten, toen het gesprek op de kwade hand en meer van dergelijke spokerijen, kwam.
Boer Klaasens vertelde, dat hij dacht, ook met iets dergelijks van doen te hebben.
Want hij miste de laatste tijden diverse musterts uit de schelling en op z'n land verdwenen ook regelmatig enige kolen.
Hij vroeg zichzelf daarom af, wat er in 's hemelsnaam tegen te doen zou kunnen zijn.
Zou hij de pastoor eens moeten vragen, om zijn gedoeike eens te komen belezen?
Maar wat zouden de buren daar wel niet van denken?
Oew boerengedoe laten belezen, wilde zoveel zeggen, als dat ge de zaak niet vertrouwde.
Dat er iets goed fout zat.
Iets mee den duuvel!
En ging dat praatje eenmaal rond, dan kon dat alleen maar van kwaad naar erger gaan.
Tenslotte was geen koe bont of d'r zat wel een plekske aan!
Nee! Belezen was geen oplossing.
Maar wat dan?
"Wel," zei een van de soldaten.
"Ik wil wel eens een avondje de wacht betrekken in de schuur. Baat 't niet, 't schaadt ook niet."
"Adde da zoow wulle doen. Gèère!" hapte de boer toe.
"Heb je voor mij dan misschien 'n oud dubbeltje, om op m'n geweer te duwen?"
Er waren in die tijd namelijk nog oude zilveren munten in omloop, met kruisen en bijenkorven erop.
En tegen zilveren kruizen en "bieëkörve" kon noch het kwaad, noch de duivel, op.
Vandaar dat de boerin snel in de beddestee dook en uit een oude sok, onder de stromatras, vliegens vlug, 'n zilveren dubbeltje opscharrelde.
"Asteblief munne jonge, da den Heer oe maag bijstaon!" zei ze, de soldaat de munt toereikend.
Aldus uitgerust met het wapen van de moderne stijd - het geweer - en de munitie van Den Heer - 't zilveren dubbeltje - toog de soldaat op pad.
Hij stelde zich verdekt op in de schuur; zette de schuurdeur op 'n kier, zodat hij uitzicht had op zowel de houtschelf, als op het koolveld.
Het middernachtelijk uur had nog nauwelijks vanuit de kerkeklok geklonken, of de landsverdediger kreeg het kwaad in het oog.
Daar midden in het licht van de volle maan zat een konijn, prins heerlijk, van de kool te knabbelen.
Maar het was niet zo maar een gewoon konijn.
Nee! Het beest had de grootte van een haas!
De milicien hoefde zich niet lang te beraden
Hij legde aan en ... vuurde af!
Even klonk er 'n snerpend, door merg en been dringend zweepslagachtig fluitend geluid, waarna de nachtelijke stilte weer intrad.
Met een voldaan gevoel begaf de wapenbroeder zich ter ruste.
[wordt vervolgd]
Geschreven door W. Smeekens om 00:00
Reageer op dit bericht








