|
Onlangs een mooi verhaal gehoord van mijn buurman die bij de gemeente werkt.
Hij had dit verhaal van een collega die op het kerkhof werkt. Het speelde in de zomer, het was warm, héél warm, zo warm dat de mussen dood van het dak vielen, maar dat is een ander verhaal…
Er moest een put gegraven worden. De grafgraver nam halverwege de kuil even een rustpauze zoals alleen gemeentearbeiders dat kunnen doen. Leunend op het handvat van de schop, het zweet van zijn hoofd wrijvend en ondertussen mijmerend alsof hij in hangmat lag in plaats van in een half gegraven graf.
En toen gebeurde het.
Een ijselijk gegil sneed door het stille kerkhof. Het bleek afkomstig van een dame die een graf iets verderop wilde bezoeken. Ze had, vanaf een afstandje, de kale schedel van de doodgraver nèt boven de rand van de kuil zien bewegen. En waar een ander misschien even zou knipperen, koos zij voor de optie, gillend wegrennen alsof de doden daadwerkelijk waren opgestaan.
Later toen ze weer enigszins bij haar positieven was zei ze, dat ze “het leven had voelen wegtrekken” De grafgraver zei dat hij “het liefst óók was weggerend, maar ja, iemand moest die put afmaken.”
Sindsdien heeft de gemeente een nieuw protocol ingevoerd: Elke werknemer op het kerkhof is verplicht een fluorescerend hesje en een daarbij passend petje te dragen. Niet voor hùn veiligheid, maar om te voorkomen dat bezoekers denken dat de doden tegenwoordig ook aan reflecterende werkkledij doen. De administratie is zo al ingewikkeld genoeg zonder spontane wederopstandingen.
|