Roddelen ontlaat je de plicht iets zinnigs te beweren om je bestaan te rechtvaardigen. Het laat de woorden 'freewheelen', het schudt het juk van de echte welsprekendheid van zich af en komt op adem in de hangmat van de taal.
Wie spreekt is de loonslaaf van zijn hersens, wie roddelt, is met vakantie.
Erg verheffend is het niet, maar het is een gezonde vorm van vermaak, bovendien geheel gratis.
Elk van ons droomt van een wereld, waarin hij als enige kan spreken omgeven door het hele mensdom dat, volkomen monddood, alleen maar in staat is tot ademloos luisteren.
Wij zijn meer gesteld op het oor dan op de mond van de anderen; meer dan die van een ander, zijn onze woorden vaak de enige waaraan wij ons kunnen warmen.
Daarom mij niet gelaten: babbel, hakkel, klets, kwebbel, stotter of ratel en . . . roddel er maar op los. Er komt een tijd dat wij geen woord meer waard zijn, geen van ons.