Naar de inhoud

Uitgeslapen wakker worden, informatie over slaap

Gids voor een betere nachtrust
akke.beakke.be

Archief

Slapeloosheid en depressie.

Wat is het verband tussen slaapgebrek en depressie? Slapeloosheid kan immers zowel een risicofactor zijn voor depressie als het gevolg ervan. Bevolkingsonderzoek toont aan dat maar liefst 70% van mensen met een psychiatrisch probleem ook klagen van slapeloosheid. Als andersom mensen met slaapproblemen ondervraagd werden, bleek bijna de helft te lijden aan psychiatrische klachten, terwijl dit bij goede slapers maar 1 op 6 was!

Slapeloosheid is niet alleen een risicofactor om een depressie te ontwikkelen, maar het heeft ook een voorspellende waarde. Een studie heeft aangetoond dat meer dan 40% van de patiënten al klachten had over de slaap voor hun stemmingsstoornis tot uiting kwam. Een andere studie kon aantonen dat een onopgeloste slapeloosheid het risico verdrievoudigt om binnen het jaar een psychische stoornis te krijgen! Het hoeft niet te verbazen dat het doorbehandelen van slaapproblemen erg belangrijk is om het ontstaan van depressies te verminderen. Behandel ze dan wel op een goede manier, best zonder slaapmedicatie want studies doen vermoeden dan net het gebruik van slaapmiddelen bijdraagt tot een hoger risico op depressie. In mijn volgend artikel kom ik terug op deze toch spectaculaire bevinding.

Dat zowel slapeloosheid als depressie moet worden behandeld blijkt uit de vaststelling dat wie van beide last heeft duidelijk aan levenskwaliteit inboet, zowel op het vlak van lichamelijk gezondheid als van emotioneel en geestelijk welbevinden. Daarnaast is slapeloosheid ook een risicofactor voor zelfdoding bij depressieve mensen. Slaaponderzoek toont een veranderd en onderbroken slaappatroon bij wie met zelfdodinggedachten rondloopt. Erg belangrijk is de rol van serotonine, dit was vaak verlaagd bij patiënten met een poging tot of een geslaagde zelfdoding. Serotonine speelt daarbij een belangrijke rol bij het begin en onderhouden van diepe slaap en remslaap.

In de behandeling van depressie is slapeloosheid  een van de meest hardnekkige klachten om te verbeteren en indien niet behandeld, kan dit een snel herval in de hand werken. Bij wie herviel in een depressie bleek in de helft van de gevallen nog aan slapeloosheid te lijden. Aangehouden behandeling van de geassocieerde slaapproblemen kan dus helpen om een herval van depressie te voorkomen.

In de behandeling van depressie met slapeloosheid kan medicatie een snelle verbetering geven op voorwaarde dan dit wordt gecombineerd met  meer geleidelijke lange termijn oplossing door gedragstherapie en de juiste slaaphygiëne. Als behandeling wordt dan meestal een combinatie gemaakt van antidepressiva en benzo- of nonbenzodiazepines. Langdurige slapeloosheid wordt uitsluitend niet-medicameteus behandeld, namelijk met een goede slaaphygiëne, stimuluscontrole, relaxatie of autosuggestietechnieken en cognitieve gedragstherapie. In een studie bij depressieve patiënten met slapeloosheid gaf trazodone een significant verhoogde totale slaapduur, een betere slaapefficiëntie, meer diepere slaap (stadium 3 en 4) en minder wakker worden. Er werden ook slechts minimale bijwerkingen vastgesteld.

Bron: Medscape 15/10/2008, Exploring the Relationship Between Insomnia and Depression W. Vaughn McCall, MD, MS.
         Kripke DF. Greater incidence of depression with hypnotic use than with placebo. BMC Psychiatry. 2007;7:42
         Singareddy RK, Balon R. Sleep and suicide in psychiatric patients. Ann Clin Psychiatry. 2001;13:93-101

Geschreven door Bruno Ariens om 00:00 Reageer op dit bericht

Sport en slaap tegen kanker.

Wie niet goed heeft geslapen voelt dat de dag erna, dat is best vervelend maar niet ernstig. Naast deze directe gevolgen heb je ook een weerslag op je algemene gezondheid, te weinig slaap geeft immers een verhoogd risico op hart- en vaatziekten, op overgewicht en diabetes. Je psychisch functioneren lijdt er ook onder, er is een duidelijk verband met depressie beschreven. En last but not least, vergeten we vooral niet de gevolgen op het gebied van veiligheid: denk maar aan de scheepsramp van de Herald of Free Interprise en de Exxon Valdez of aan de talrijke verkeersongevallen, veroorzaakt door slaapgebrek.

Nu wordt ook een verband tussen slaap en bescherming tegen kanker beschreven, zoals blijkt uit het volgende artikel uit de Artsenkrant.

Volgens een Amerikaanse studie verlaagt regelmatige lichaamsbeweging bij vrouwen het risico op kanker, maar enkel als ze ook goed slapen! Slaaptekort zou immers de weldaden van lichaamsbeweging neutraliseren.

Het juiste mechanisme is niet gekend, maar wetenschappers denken dat lichaamsbeweging een belangrijke invloed heeft op verschillende factoren zoals hormoonspiegels, immunologische weerstand en lichaamsgewicht. "We hebben dan ook het verband onderzocht tussen lichaamsbeweging en het ontstaan van kanker."

Het team van James McClain (National Cancer Institute, VS) stelde zijn resultaten voor op de 7de internationale conferentie 'Frontiers in Cancer Prevention Research' van de American Association for Cancer Research op 17 november. De studie mat het energieverbruik van lichaamsbeweging, de slaapduur en de algemene incidentie van kanker, evenals die van borst- en dikdarmkanker bij 5.968 vrouwen boven de 18 jaar bij wie nog geen kanker gediagnosticeerd was. Ze vulden in 1998 een vragenlijst in, en werden gedurende ongeveer tien jaar opgevolgd.

De resultaten wijzen op een duidelijk verband tussen slaap en lichaamsbeweging. Van de 5.968 deelneemsters kregen er 604 kanker, van wie 186 borstkanker. De meest actieve vrouwen liepen significant minder risico op alle soorten kankers en op borstkanker in het bijzonder. Vrouwen onder de 65 jaar die bijzonder actief waren, en minder dan 7 uur per nacht sliepen, liepen meer kans op het ontstaan van kanker, waardoor de beschermende invloed van lichaamsbeweging op dit risico in deze groep sterk gedaald was.

"Volgens onze gegevens verstoort de slaapduur bij vrouwen van jonge en middelmatige leeftijd het verband tussen lichaamsbeweging en risico op kanker van eender welke aard. Een volgende stap moet deze gegevens nog bevestigen en het onderliggende mechanisme van dit verschijnsel verder onderzoeken", concludeert James McClain.

Bron: Artsenkrant Nr. 1963 - 12.12.2008

Geschreven door Bruno Ariens om 00:00 Reageer op dit bericht

Nieuwste inzichten wiegedood.

Recentelijk hebben twee gezaghebbende Nederlandse verenigingen voor kinder- en jeugdgezondheidszorg een nieuwe richtlijn voor de preventie van wiegendood uitgebracht. Aan de basis van dit initiatief ligt de vaststelling dat bepaalde risicofactoren weer in frequentie toenemen, waarschijnlijk door een verminderde aandacht voor de problematiek van wiegendood.

Men denkt dat wiegendood wordt veroorzaakt door een combinatie van een eigen gevoeligheid bij het kind en externe factoren. Onderzoek wijst op een stoornis van de hersenstamkernen die een levensbelangrijke rol spelen bij de controle van de ademhaling, waardoor de wekreactie in gebreke zou blijven.

Preventieve maatregelen: zie het artikel: Wiegedood.

Laat je baby regelmatig op zijn buik spelen.
De belangrijkste risicofactor voor wiegendood blijft slapen in buikligging. Ouders leggen hun kinderen tegenwoordig in de overgrote meerderheid van de gevallen op de rug te slapen. Maar vanaf de leeftijd van ongeveer drie maanden kan een zuigeling zichzelf vanuit rug- naar buikligging omdraaien. Het risico van wiegendood is het hoogst bij kinderen die voor het eerst op de buik slapen, ook wel ‘onervaren buikslapers’ genoemd. Opvallend is dat bij wiegendood van een onervaren buikslaper, het kind zeer vaak met het gezicht naar beneden wordt aangetroffen. Mogelijk is het beschermingsmechanisme om het hoofd opzij te draaien onvoldoende ontwikkeld bij onervaren buikslapers. In de herziene richtlijn wordt daarom aangeraden om baby’s regel matig onder toezicht op hun buik te laten spelen. Zie ook wiegedood en buiklig.

Op de rug slapen geeft geen vervorming van de schedel.
Sommigen vrezen dat hoofdzakelijk op de rug slapen bij het kind een vervorming van de schedel teweegbrengt. Dit kan verklaren waarom men vroeger zijligging niet afraadde tot de leeftijd van twee weken. Omdat ouders de zijligging mogelijk langer handhaven, waardoor omrollen naar buikligging steeds vaker kan vóórkomen, wordt de zijligging nu vanaf het begin afgeraden. De vrees voor vervorming van de schedel bij het slapen in rugligging is onterecht. Het risico bestaat slechts als er andere factoren aanwezig zijn, zoals een voorkeurshouding van het hoofd bij verzorging en een vertraagde motorische ontwikkeling. In de nieuwe richtlijn wordt daarom aanbevolen om tijdens verzorging het hoofd van het kind afwisselend naar links en naar rechts te leggen.

Passief roken bevordert het vóórkomen van wiegendood, met een duidelijke dosisresponsrelatie. Het effect is groter tijdens de zwangerschap dan vlak na de geboorte. Nicotine belemmert onder andere de expressie en de functie van bepaalde hartreceptoren die het hartritme versnellen. Daardoor ontstaat een verminderde respons op zuurstoftekort met als gevolg een verminderde hersendoorbloeding en een verhoogde kans op hartstilstand.

Nieuw is de vaststelling dat bij de ouders in bed slapen een verhoogd risico van wiegendood veroorzaakt. Vooral als de ouders onder een dekbed slapen en/of twee losse matrassen hebben waartussen het kind klem kan komen te zitten, is de kans op verstikking groter. Ook wanneer de ouders minder wekbaar zijn door vermoeidheid, medicatie of alcoholgebruik, is er een groter risico van wiegendood. De kans neemt af met leeftijd, tot de leeftijd van vier à vijf maanden; ze is hoger bij premature kinderen. Aanbevolen wordt om het kind tot de leeftijd van vier maanden niet bij de ouders te laten slapen. Deze termijn wordt verlengd tot zes maanden als de ouders roken en/of het kind prematuur is.

Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat zowat 20% van de gevallen van wiegendood plaatsvindt in de setting van een dagverblijf. Zelfs na een gerichte voorlichting, waardoor het vóórkomen van de hierboven beschreven risicofactoren niet meer verschilt van die in de thuissituatie, blijft de incidentie in dagverblijven ruim tweemaal hoger. Mogelijk veroorzaakt de onbekende omgeving meer stress bij zuigelingen, maar verder onderzoek moet dit bevestigen

Een kind in het bed van zijn ouders laten slapen is geen goed idee, maar in dezelfde kamer als zijn ouders is het veiliger dan waar ook. Europees onderzoek vindt een significant verschil in het risico van wiegendood tussen zuigelingen die op de kamer van hun ouders slapen en zuigelingen die dat niet doen. Het positieve effect is meer uitgesproken bij jonge zuigelingen. De kamer delen met andere kinderen blijkt geen bescherming te bieden. Aanbevolen wordt om tot de leeftijd van zes maanden het kinderbedje op de slaapkamer van de ouders te plaatsen.

Het kinderbedje kan maximaal beveiligd worden. Men raadt bijvoorbeeld aan het kind neer te leggen met zijn voeten tegen het voeteneinde van het bed. Het bed moet strak worden opgemaakt zodat het kind niet te veel beweegt. Ook overdag slaapt de zuigeling niet in een groot bed. Hoofdkussens en de aanwezigheid van grote knuffels moeten vermeden worden. Ten slotte moet men ervoor zorgen dat het kind niet in slaap valt buiten zijn bed terwijl het alleen is: jonge kinderen slapen niet in een box en worden ook niet alleen gelaten als ze in hun box aan het spelen zijn.

Lager risico bij gebruik van een speen.
Op het ogenblik dat het kind in zijn bedje wordt gelegd, kan het best een speen meekrijgen. Onderzoek laat eenduidig een lager risico van wiegendood zien bij kinderen aan wie een speen wordt toegestopt. Over het mechanisme achter dit effect bestaan slechts hypothesen. Mogelijk bemoeilijkt de aanwezigheid van de speen het omrollen naar buikligging. Daarnaast stabiliseert de speen de tong en voorkomt op die manier de obstructie van de luchtweg. Misschien werkt de speen geruststellend en gaan zuigelingen daardoor minder bewegen in hun slaap. Ook wordt verondersteld dat speengebruik misschien gastrooesofagale reflux beperkt. Ten slotte geeft onderzoek aanwijzingen dat het gebruik van een speen de auditieve wekdrempel zou verlagen. Omdat speengebruik mogelijk nadelig is voor de borstvoeding, wordt aanbevolen een speen bij kinderen met borstvoeding pas aan te bieden als de borstvoeding op gang gekomen is.

Een verder positief effect kan worden verwacht van borstvoeding. Retrospectief onderzoek heeft aangetoond dat kinderen die aan wiegendood overleden, minder vaak borstvoeding kregen. In 2007 nog werd een meta-analyse uitgevoerd van alle studies die sinds 1993 de correlatie tussen wiegendood en borstvoeding hebben onderzocht. Onderzoek toont aan dat kinderen met borstvoeding een lagere wekdrempel hebben. Het effect van borstvoeding zou onder andere toe te schrijven zijn aan de samenstelling van de vetten in de moedermelk, die de rijping van de hersenen bevordert.

Niet oninteressant is dat het overzicht van de nieuwe richtlijn in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde terloops wijst op een conceptueel verschil tussen wiegendood en wat in de Angelsaksische literatuur wordt aangeduid als Sudden Infant Dead Syndrome (SIDS). Wiegendood wordt gedefinieerd als de plotselinge, onverwachte dood van een kind onder de twee jaar, bij wie geen lichamelijke afwijking wordt vastgesteld die het overlijden kan verklaren. Van SIDS spreekt men als het postmortaal onderzoek, inclusief een volledige autopsie, nog steeds geen verklaring biedt. SIDS is dus een subcategorie van wiegendood.

We komen ook te weten waarom buikligging moet vermeden worden: in buikligging is de intrinsieke wekdrempel hoger. De prikkel om een wekreactie tot stand te brengen moet tot 1,5 maal sterker zijn bij een kind in buikligging dan bij een kind in rugligging. De reden is dus niet dat een kind in buikligging een hoger risico heeft om op zijn neus te gaan liggen, wat men misschien intuïtief zou verwachten.

Bron: De Huisarts 4/12/08, nr 900, Dr. M. Langdries
         Ned Tijdschr Geneeskd. 2008;152(24): 1370-1374
         Canadian Paedriatric Society (www.cps.ca):  Recommendations for the use of pacifiers.

Geschreven door Bruno Ariens om 00:00 Reageer op dit bericht

Dutje voorkomt brokken.

Een kwartiertje pitten. Dat kan een slaperige bestuurder voor onheil behoeden. Slaperigheid en vermoeidheid zouden een factor zijn in tot een vijfde van de ongevallen.meldt De Standaard.

Het gebeurt in de late nacht of de vroege ochtend. Een slaperige bestuurder houdt minder goed koers, stuurt bruusker, houdt een minder constante snelheid aan, reageert niet alert op onverwachte situaties. Als hij even in slaap valt, al is het maar een seconde, kunnen de gevolgen desastreus zijn.

 

'Slaap dringt zich op, je kunt het niet uitstellen zoals honger', zegt slaapexpert professor Raymond Cluydts (VUB). 'Vandaar dat het ook zo gevaarlijk is op de weg.'

In hoeveel van de ongevallen vermoeidheid of slaperigheid een oorzaak is, kan niet teruggevonden worden in de statistieken. Europees onderzoek gaat ervan uit dat het een factor is in 10 tot 20 procent van de ongevallen.

Vermoeidheid vormt een probleem voor wie te lang achter het stuur zit. Maar ook wie te weinig of een slechte nachtrust gehad heeft, loopt gevaar. Ook tijdens korte ritten. Het effect van 24 uren zonder slaap staat gelijk met 1 promille alcohol in het bloed. 17 uur niet slapen is 0,5 promille, de wettelijke limiet. 'Vermoeidheid is zelfs een groter probleem dan alcohol achter het stuur', meent Cluydts', 'wie in slaap valt, is meteen alle controle kwijt. Vandaar dat Bob behalve nuchter ook goed wakker moet zijn.'

Er zijn vier risicogroepen: beroepschauffeurs, mensen die in ploegen werken, mensen die aan een slaapstoornis lijden en jongeren (vooral mannelijke).

Vooral bij die laatste groep is het probleem zorgwekkend, omdat hun levensstijl ertoe leidt dat ze vaker moe in de auto stappen. 'Jongeren bouwen een slaapachterstand op tijdens de week door systematisch te laat op te blijven', legt Cluydts uit. 'Zaterdag werken ze, nadien gaan ze uit en tegen de vroege ochtend slaat de vermoeidheid toe.'

Voor ouderen ligt het anders. Zij krijgen een dipje na de middag en doen dan beter een dutje dan de auto te nemen. 'Dit staat lijnrecht op het advies dat ze soms van een politierechter meekrijgen: rij alleen buiten de spits, wanneer het niet druk is', aldus Cluydts.

Het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid (BIVV) liet in maart van dit jaar een enquête uitvoeren bij bestuurders tussen 18 en 34 jaar. 41 procent van hen gaf toe het afgelopen jaar minstens één keer te moe te hebben gereden. Bij de andere leeftijden is dat 28 procent.

Om de slaperigheid te verdrijven zijn koffie, luide muziek of frisse lucht lapmiddelen. Het enige wat echt helpt, is even halt houden op een veilige stopplaats en een kwartiertje tukken. Waarom 15 minuten? Omdat de slaap dieper wordt als het langer duurt en je dan minder fris ontwaakt. Wel nuttig kunnen twee koppen koffie zijn. Die maken dat je na een slaapje sneller weer alert bent.

Professor Cluydts is voorstander van striktere Europese medische voorschriften bij de toekenning van het rijbewijs aan beroepschauffeurs. 'De chauffeurs zijn bang voor hun baan, maar dat is onterecht. Stoornissen zoals slaapapneu zijn te behandelen.'

Het BIVV heeft in samenwerking met de Europese Commissie en de verzekeraar Axa een mediacampagne gestart, die vooral op jongeren mikt. Die gaat onder de slogan 'niet storen, ik neem een pitstop'. Een verwijzing naar de haltes van racewagens en ook een woordspeling met pitten, slapen.

Guy Van Hyfte (47 jaar) is al 22 jaar autocarchauffeur. 'Vermoeidheid zit ingebakken in ons werk' legt hij uit.

'De mens is een dagdier. Plots omschakelen naar nachtwerk is niet gezond. Dat is wat autocarchauffeurs moeten doen als ze vrijdagavond aan een trip beginnen.'

'Vermoeidheid is een groot probleem op de pendelreizen die autocars afleggen op en af naar het zuiden of naar de skigebieden. Ik erken dat nachtritten een economische realiteit zijn. Veel chauffeurs vragen ernaar. En de klanten evenzeer.'

'Ik heb nog geen ongeval door vermoeidheid meegemaakt. En voor zover ik weet, ook geen van mijn collega's. Maar ik heb wel al dergelijke ongevallen zien gebeuren.'

Merk je aan jezelf dat je in gevaar komt?
'Plots begin je beestjes te zien. Je dommelt in, soms heel kort, maar die ene seconde van onoplettendheid kan fataal aflopen. Als je wakker wordt, merk je dat je over de witte lijn gegaan bent. Die microslaapjes vormen een groot risico in ons vak.'

'Het gevaarlijkste moment is het einde van de nacht, de vroege ochtend. Je merkt dat ook aan de ongevallen met vrachtwagens. Die doen zich vaak voor op dat tijdstip. De eentonigheid van de weg doet ook geen deugd.'

Jullie rijden toch met twee chauffeurs?
'Ja, terwijl de ene rijdt, rust de andere. Maar als je een slaapaanval krijgt, kun je je collega niet zomaar wakker schudden en vragen over te nemen. Stel dat hij zelf nog maar een uur geslapen heeft. Dan is hij niet uitgerust.'

'Chauffeurs die de nachtshift gedaan hebben, worden verondersteld overdag te slapen. Maar dat lukt niet altijd in de hotels waar we ondergebracht worden. Autocarchauffeurs mogen 15 uur werken. Als ze met twee zijn, 21 uur. Daarvan rij je tien uur. Da's langer dan een gewone dagtaak, hé. Vermoeidheid zit gewoon ingebakken in ons werk.'

Word je ooit op vermoeidheid gecontroleerd?
''s Nachts is er sowieso weinig politiecontrole. En hoe zouden ze dat controleren? Je ziet het niet aan een mens. Je kunt er doodmoe uitzien, maar je toch kiplekker voelen. Het enige wat ze kunnen controleren, zijn de rij- en rusttijden.'

Heb je trucjes om wakker te blijven?
'Het beste is even te stoppen en de benen te strekken of een sigaretje te roken. Maar de reizigers appreciëren dat niet altijd. Zeker die van de korte skitrips willen geen tijd verliezen. Ze willen zo lang mogelijk op de latten staan. Je hebt overtuigingskracht nodig om uit te leggen dat het belangrijk is voor ieders veiligheid.'

'Koffie drink ik niet. Je moet sowieso opletten met eten, drank en snoep. Een raampje opendraaien voor frisse lucht geeft dan weer veel lawaai voor de eerste rijen.'

'Muziek beluisteren helpt. Maar als de passagiers slapen, kun je ze niet op de luidsprekers zetten. De iPod is voor mij een zegen. Die stelt me in staat naar mijn favoriete songs te luisteren, zonder dat ik iemand in de bus stoor. Abba, Beatles, Presley. Geen klassieke muziek. Daarvan val je in slaap.'

Zie ook: Dutjes overdag, zalig of af te raden?

Bron: De Standaard 13/11/2008, Tom Ysebaert
www.pitstop.be

Geschreven door Bruno Ariens om 00:00 Reageer op dit bericht

Zomeruur verhoogt risico op hartinfarct.

In de lente leidt de uurverandering tot meer hartinfarcten, terwijl het winteruur het omgekeerde effect heeft, dit meldt de Artsenkrant.

Twee Zweedse onderzoekers, Imre Janszky en Rickard Ljung (Stockholm), onderzochten de invloed van de uurverandering op het aantal diagnoses van hartinfarct. Hiervoor hebben ze het aantal hartinfarcten gedurende de eerste zeven dagen na de uurverandering vergeleken met die van de weekdagen twee weken ervoor en erna. Ze maakten daarbij gebruik van het Zweedse infarctregister dat deze hartinfarcten sinds 1987 bijhoudt.

De onderzoekers ontdekten dat tijdens de eerste drie dagen na de uurverandering in de lente het aantal infarcten significant gestegen was met 5%. Deze uurwisseling treedt in Europa op de laatste zondag van de maand maart, waarbij de tijd een uur later wordt ingesteld. Daarentegen noteerden ze na de uurwisseling in de herfst, het laatste weekend van oktober, als de tijd met een uur vertraagd wordt, op maandag een risicodaling. Over de hele week is deze daling minder belangrijk dan de stijging die in de lente wordt waargenomen.

Het effect van de uurwisseling in de lente is iets meer uitgesproken bij vrouwen dan bij mannen, terwijl in de herfst het omgekeerde wordt waargenomen. De invloed van de uurwisseling is veel duidelijker merkbaar bij mensen onder de 65 jaar dan bij oudere personen.

Gevaarlijke maandag
Volgens de auteurs is de meest plausibele uitleg het tekort aan slaap met zijn nadelige werking op het hart- en bloedvatenstelsel. Experimentele studies hebben aangetoond dat dit negatieve effect gepaard gaat met een overheersing van het stressgerelateerde zenuwstelsel en met een stijging van ontstekingsveroorzakende stoffen in het bloed. "Volgens onze gegevens zouden kwetsbare personen bruuske veranderingen van hun biologische ritme moeten vermijden."

Waarom zijn er meer risico’s op maandag? Door de mentale stress van een nieuwe werkweek en de verhoogde activiteit die ermee gepaard gaat, zeggen de Zweden. Het kan echter ook het gevolg zijn van het verstoorde slaap-waakritme tijdens het weekend.

De onderzoekers leggen ook de nadruk op het feit dat Westerlingen een chronisch slaaptekort hebben: tijdens de 20ste eeuw daalde de gemiddelde duur van de slaap van 9 naar 7,5 uren. "Daarenboven moet worden nagegaan of langere slaap wel voordelen biedt. Het feit dat bijkomende slaap tijdens de eerste werkdag na de overgang naar het winteruur een beschermende functie heeft is wel een eigenaardige ontdekking."

Studies over slaapagenda suggereren dat tijdens het weekend de mensen meestal later gaan slapen en opstaan. Het vroegere opstaan de eerste weekdag, evenals het kleine slaaptekort dat ermee gepaard gaat, zijn een mogelijke verklaring van de nadelige invloed op hart en bloedvaten bij bepaalde personen. Het zou dan ook logisch zijn dat deze werking minder uitgesproken is tijdens de winteruurwisseling.

Studies moeten uitmaken of een stabieler ontwaak- en inslaapmodel tijdens de week of een later ontwaken op maandag een aantal hartinfarcten kan voorkomen.

Meer over de gevolgen van de zomertijd: klik hier.

Bron: Artsenkrant 18/11/2008, nr 1956. Martine Versonne
          NEJM 2008;359:1966-8

Geschreven door Bruno Ariens om 00:00 Reageer op dit bericht

Zwaarlijvige kinderen en slaapapneu.

Herhaaldelijk snurken, een typische uiting van verhoogde weerstand in de bovenste luchtweg, komt vaak voor bij kinderen; ongeveer 10 % snurkt regelmatig. Na de leeftijd van negen jaar vermindert dat gevoelig. Van de snurkende kinderen ondervindt 2 tot 3% een lichaamlijke weerslag.

Zowat twintig jaar geleden waren te grote keelamandelen de belangrijkste oorzaak van slaapapneu bij kinderen. In het begin van de jaren 90 leed amper 15% van de snurkende kinderen aan zwaarlijvigheid. Tijdens de laatste twee à drie jaar vinden Amerikaanse onderzoekers in bevolkingsonderzoek meer dan 50% gevallen van zwaarlijvigheid bij kinderen die naar gespecialiseerde centra worden doorverwezen met een vermoeden van slaapapneu. Daarom wordt nu voorgesteld twee groepen van slaapapneu bij kinderen te onderscheiden, naargelang er sprake is van zeer grote keelamandelen zonder zwaarlijvigheid, of van zwaarlijvigheid met matig vergrote keelamandelen. Slaapapneu komt ongeveer evenveel voor bij jongens als bij meisjes, hoewel jongens tijdens de puberteit in sommige onderzoeken een iets grotere groep vormen.

Slaapapneu veroorzaakt ook bij kinderen ernstige complicaties. Meer dan bij volwassenen staan bij het kind gedragsstoornissen op de voorgrond: hyperactiviteit en agressiviteit kunnen optreden, zelfs als er op andere momenten van de dag slaperigheid wordt genoteerd. Daarnaast hebben kinderen met slaapapneu cognitieve stoornissen, wat zich uit in slechte schoolresultaten. De hyperactiviteit en de slechte schoolresultaten kunnen samen aanleiding geven tot het verkeerdelijk stellen van de diagnose ADHD. Zie ook ADHD, slaap en ademhaling.

Hart- en vaataandoeningen doen zich voor bij kinderen met slaapapneu, voornamelijk onder vorm van hoge bloeddruk en een verdikking van de linker hartkamer. Net zoals bij volwassenen stelt men vast dat slaapapneu bij kinderen een onafhankelijke risicofactor is voor het ontstaan van suikerziekte en daaraan gerelateerde stoornissen in de stofwisseling: kinderen met zwaarlijvigheid én slaapapneu hebben dus een hoger risico dan kinderen met slechts één van beide. Ook groeistoornissen zijn beschreven bij slaapapneu, maar men weet nu dat de frequentie hiervan in het verleden overschat is: ten hoogste 5% van de patiëntjes is erdoor getroffen.

Aangezien kinderen met slaapapneu bijna altijd te grote keelamandelen hebben, is het wegnemen ervan in de meerderheid van de gevallen van matige tot ernstige slaapapneu aangewezen (als de adempauzes meer dan 5x/u optreden), ook bij zwaarlijvige kinderen. Toch zal dit de slaapapneu niet in alle gevallen doen verdwijnen. Volgens de literatuur bedraagt het succespercentage 85%, en mogelijk is het lager in de subgroep van de zwaarlijvige kinderen. Als de slaapapneu niet volledig verdwijnt en de symptomen matig tot ernstig blijven, dan neemt men zijn toevlucht tot CPAP. Bij kinderen met een lichte vorm van slaapapneu is niet duidelijk aangetoond dat het verwijderen van de amandelen meer voordelen dan risico’s met zich meebrengt. Toch hebben ook deze kinderen een verhoogd risico op lichamelijke afwijkingen door slaapapneu. CPAP biedt hier niet echt een oplossing omdat deze techniek in aanwezigheid van te grote keelamandelen niet erg doeltreffend is. Bij deze kinderen wordt soms een plaatselijke behandeling, bijvoorbeeld met corticoïden, voorgesteld.

Ernstiger in Azië
Te grote amandelen en zwaarlijvigheid zijn de belangrijkste determinanten van slaapapneu, maar een hele reeks andere factoren kan het ontstaan van de aandoening bepalen, zoals de structuur van schedel en aangezicht en de manier van ademen. Dit kan mogelijk verschillen tussen bevolkingsgroepen  verklaren. Men heeft bijvoorbeeld vastgesteld dat Aziatische kinderen voor een bepaalde graad van zwaarlijvigheid meteen een ernstiger vorm van slaapapneu ontwikkelen dan kinderen uit Europese bevolkingsgroepen. Bij het zoeken naar een verklaring hiervoor moet men niet alleen rekening houden met erfelijke factoren, maar ook met een mogelijke rol van laattijdige diagnose in streken met een minder ontwikkelde medische infrastructuur. Net zoals in de volwassen populatie wordt slaapapneu bij kinderen gediagnosticeerd aan de hand van een slaaponderzoek.

Bron: De Huisarts, 6 november 2008, nr 896, Dr. M. Langendries.
Bronnen:
Proc Am Thorac Soc. 2008;5:274-82.
Ann Acad Med Singapore 2008;37:701-5.

Geschreven door Bruno Ariens om 00:00 Reageer op dit bericht

Hersenen blijven actief tijdens diepe slaap.

Wanneer je slaapt zijn je hersenen het meest actief tijdens de droomslaap, zo dachten we toch, dat blijkt namelijk niet zo te zijn. Luikse onderzoekers toonden aan dat tijdens de diepe slaap de hersenactivitiet niet vermindert, maar dat bepaalde specifieke hersenzones een hogere voorbijgaande en zich herhalende activiteit vertonen. Meer info over slaapfasen: klik hier.

De diepe slaap (non-REM) treedt op bij het begin van de nacht, terwijl de droomslaap (REM) vooral tegen de ochtend voorkomt. De diep slaap wordt meestal als een rustperiode beschouwd waarbij de hersenen kunnen recupereren na hun intense activiteit overdag. Beeldvorming van de hersenen heeft immers aangetoond dat de hersenactiviteit tijdens de diepe slaapfase minder intens is dan tijdens de wakkere periode.

Een onderzoeksteam onder leiding van Dr. Thanh Dang-Vu en Prof. Pierre Maquet (Cyclotron en dienst neurologie van de ULg) heeft aangetoond dat de hersenactiviteit in feite sterk beïnvloed wordt door spontane trage ritmes die de werking van de hersencellen tijdens de diepe slaap beheren.

"REM-slaap wordt beschouwd als een zeer actieve toestand met een verhoogd glucose- en zuurstofverbruik, een toegenomen doorbloeding van de hersenen, en waarbij de mentale activiteit tot dromen leidt en tot al wat met de droomwereld te maken heeft"¸ zegt Pierre Maquet, onderzoeksdirecteur in het centre de recherche du Cyclotron (Luik). "Bij de mens daarentegen werd de trage slaapfase steeds geassocieerd met een verlaagd endergieniveau van de hersenstoswisseling. Dit aspect van de trage slaap bij de mens kwam niet overeen met hetgeen gekend was over de trage slaap bij dieren. Wanneer in de hersenschors van een slapende kat elektroden geplaatst worden, zien we dat de gemiddelde ontladingsactiviteit van de zenuwcellen niet erg verschillend is van die tijdens de waakfase, maar dat ze een ander tijdspatroon vertoont. In plaats van een constante activiteit gaat het om een gepulseerde activiteit met trage trillingen, die alle andere trage slaapritmen beheert."

Door de combinatie van verfijnde scanners en EEG hebben de Luikse onderzoekers deze hogere voorbijgaande activiteit tijdens de trage slaap in het licht gesteld. Ze scanden jonge gezonde personen met een normaal slaappatroon tijdens het eerste deel van de nacht, met de meeste periodes van diepe slaap. Zo konden ze zones aantonen met een significant hogere activiteit die telkens met een trage golf op het EEG overeenstemde. "De trage slaap die we bij dieren reeds kenden komt dus volledig overeen met die bij de mens. Het is niet langer een toestand waarbij de hersenen hun activiteit sterk verminderen, zich van de wereld afsnijden en hun bewustzijn van de buitenwereld op een laag pitje zetten... Het is een toestand waarbij de hersenactiviteit in de tijd anders georganiseerd is, met trage trillingen en om de seconde een impuls."

Micro-ontwaakperiodes
Met activatie van zones zoals de hersenstam, die meestal in verband gebracht wordt met het wakker zijn en met het ontwaken, kunnen deze diepeslaaptrillingen in feite beschouwd worden als 'micro-ontwaakperiodes' tijdens dewelke de hersenen cruciale functies kunnen vervullen, zelfs tijdens de diepste slaap.

Zijn de activiteitsimpulsen verschillend bij slaaptekort? Deze vraag staat bij de Luikse onderzoekers op het programma. In een samenleving waar de slaaptijd in gevaar komt, is het antwoord op deze vraag van cruciaal belang. "Volgens een recente peiling in de Verenigde Staten zouden de Amerikanen gemiddeld zes uur per nacht slapen tijdens de week, en zeven uur en een half tijdens het weekend. Alleen het verschil tussen beide slaaptijden bewijst dat de mensen tijdens de week een zeker slaaptekort opstapelen, maar vooral dat ze gemiddeld een uur minder lang slapen dan hun grootouders. Te weinig slaap verstoort echter niet alleen de cognitieve vaardigheden, maar heeft wellicht ook een invloed op het geheugen. Dit is vooral nadelig voor kinderen en adolescenten tijdens het leerproces. Het gaat echter niet alleen over de hersenfunctie, aangezien slaaptekort ook negatieve effecten heeft op de suikerstofwisseling bijvoorbeeld. Indien een gezonde, magere persoon gedurende zeven dagen te weinig slaapt, bevindt hij zich in een pre-diabetische toestand. Rekening houdend met de pandemie van diabetes en obesitas, moeten we ons daar toch grote zorgen over maken. Slaap mag zeker niet als tijdsverlies beschouwd worden, maar kan ons wel degelijk tijd doen winnen, met een hogere productiviteit, meer cognitieve vaardigheden en ook een beter geheugen. De huidige tendens streeft naar een activiteit van 7 dagen/7, 24u/24, met een permanente blik op de computer voor binnenkomende e-mails… We weten echter niet of onze genen in staat zijn om zo'n belangrijk slaaptekort te verwerken", concludeert Pierre Maquet.

bron: Artsenkrant Nr. 1951 - 24.10.2008; Martine Versonne
         PNAS 2008;105(39):15160-5

Geschreven door Bruno Ariens om 00:00 Reageer op dit bericht

Slaapmiddelen, moeilijker gestopt dan gestart.

Hoe ontstaat langdurig benzodiazepinegebruik (slaap- en kalmeermiddelen) en welke rol speelt hierin het eerste voorschrift? Dit werd onderzocht bij patiënten die voor het eerst een voorschrift kregen voor benzodiazepinen. Om langdurig gebruik te voorkomen is het belangrijk dat huisartsen de voor- en nadelen van het opstarten van een benzodiazepinebehandeling duidelijk uitleggen en van bij het begin grenzen stellen.

Al snel na de introductie van de benzodiazepinen als een veiliger alternatief voor oudere slaap- en, kalmeermiddelen in de jaren ’60 werden talrijke ongewenste effecten gerapporteerd: een ‘hang over’, geheugenstoornissen, afvlakking van emoties, gewenning, afhankelijkheid, toegenomen valrisico en meer kans op verkeersongevallen (zie ook bijwerkingen slaapmedicatie). Toch is het gebruik van benzodiazepinen de laatste decennia niet verminderd. Een internationale studie uit de jaren ’80 toonde aan dat België één van de landen was met het hoogste verbruik van slaapmiddelen en angstverlagende medicatie. Het gebruik van benzodiazepinen is sindsdien nog toegenomen.

Internationale aanbevelingen voor huisartsen wijzen niet alleen op de problemen van het chronische gebruik van benzodiazepinen, maar ook op het eerste voorschrift dat langdurig gebruik in de hand werkt. Dit onderzoek over het eerste benzodiazepinevoorschrift bij een patiënt ging na of de opvattingen van eerste gebruikers konden leiden tot het chronische gebruik van benzodiazepinen en of dit op zijn beurt de voorschrijvende artsen beïnvloedde.

Uit de resultaten bleek dat de deelnemers het gevoel hadden ten einde raad te zijn en dat hulp noodzakelijk was. Zij hadden het gevoel dat de situatie buiten hun controle lag en namen een hulpeloze ‘help me’-attitude aan. Zij gaven aan dat zij de situatie niet meer de baas konden en dat hun problemen zo ernstig waren dat hieraan een einde moest komen. Medicatie werd gezien als de enige oplossing. De medicatie bracht ook werkelijk grote opluchting: “Ik nam de medicatie omdat het mijn laatste redmiddel was. Ik denk ook dat het voor mij de enige oplossing was op dat moment.”

Patiënten suggereerden dat ze het benzodiazepinegebruik wilden stoppen om niet afhankelijk te worden, maar vreesden anderzijds te hervallen in hun slapeloosheid of spanningen. Zij waren dus ‘tegen’ de medicatie, maar tegelijkertijd ook bevreesd voor de gevolgen van het staken, omdat zij dachten dat de behandeling de situatie had verbeterd.

Patiënten pasten twee strategieën toe om hun gebruik van benzodiazepinen te rechtvaardigen. De eerste bestond erin hun problemen te maximaliseren en zichzelf ervan te overtuigen dat er geen andere oplossing bestond. Zij rechtvaardigden hun benzodiazepinegebruik door hun klachten als ‘heel erg’ te bestempelen en te zeggen dat zij de grens van hun lijden hadden bereikt. Patiënten beschreven het gebruik van medicatie als ‘essentieel’ of beschouwden het voorschrijven van benzodiazepinen in hun geval als een bevestiging dat slaapmiddelen noodzakelijk zijn. Iemand zei: “Ik kon het niet meer houden.” Een andere patiënt zei: “Ik zag op dat ogenblik geen andere mogelijkheid om de situatie de baas te kunnen. Ik had het moeten zien aankomen, maar toen was er geen andere uitweg… als het nodig is, is het nodig.”

De tweede strategie bestond in het onderschatten van hun benzodiazepinegebruik. De deelnemers zeiden dat zij maar een kleine dosis gebruikten, dat zij minder innamen dan voorgeschreven en dat zij enkel hun benzodiazepine namen als het nodig was. Iemand zei: “Het zijn toch maar kleine pilletjes.” Een ander voegde daaraan toe: “Het is in feite maar een licht pilletje. Ik denk dat ik daarom niet heel de nacht door kan slapen, omdat het zo’n kleine pillen zijn.”

De patiënten vermeldden erg weinig over hun medicatie te weten: “Ik weet niets over dit medicament, behalve dat ik er kalmer van zal worden.”  Tegelijkertijd drukten ze geen behoefte aan informatie uit: “Ik wil er niet meer over weten. Het belangrijkste voor mij is dat het mij helpt.” De patiënten bevestigden dat hun relatie met hun arts op vertrouwen gestoeld is en op die manier verklaarden ze waarom ze niet meer informatie nodig hadden. Ze zeiden dat ze ervan uitgingen dat hun dokter altijd het beste met hen voorhad: " Ik heb vertrouwen in mijn dokter en in wat hij mij voorschrijft.”

Zelfs in deze groep van eerste gebruikers bleek psychologische afhankelijkheid zeer snel op te treden. Er werden een aantal kenmerken vastgesteld die typisch zijn voor mensen die afhankelijk geworden zijn van benzodiazepinen. Zo werden ze angstig als hun vervolgvoorschriften voor benzodiazepinen niet tijdig voorhanden waren, hielden zij hun medicatie steeds op zak en namen ze reeds vóór een voorziene stresserende gebeurtenis preventief een extra dosis in. Eén patiënt zei: “Ik moet het bij mij hebben, niet om in te nemen, maar gewoon voor het geval ik het nodig zou hebben.” Een ander zei: “Maar ik zal zeker niet voldoende pillen over hebben. Ik heb het hem gezegd. Ik heb al uitgerekend dat ik met mijn pillen toekom tot 3 april. Dat  betekent dat ik er 23 over heb, dus ik zal halve tabletten moet nemen. Dan ga ik zeker terug naar de huisarts.”

Wij merkten een conditionering op in verband met de vrees voor een terugkeer naar de toestand van stress of slapeloosheid, als zij de medicatie zouden stoppen: “Ik denk dat hij weet dat ik de medicatie niet zou nemen als ik ze niet nodig had. Maar als ik ze niet neem, lig ik meer dan een uur wakker; ik denk echt dat ik ze niet kan laten.”

De proefpersonen gaven aan dat hun relatie met hun arts berustte op vertrouwen. Een goed gesprek met hun huisarts hielp de patiënten een heel stuk verder en werd als zeer positief ervaren. Vooral het feit dat de huisarts hun voorgeschiedenis en hun familiale situatie kende, vonden ze een voordeel: “Ik vind het wel goed dat ik af en toe met mijn huisarts kan praten. Hij heeft zijn beroepsgeheim en je kunt toch niet alles aan je familie vertellen. Hij kent ook mijn familiale geschiedenis. Er bestaat dus al een band en ik voel me er veilig bij. Als je naar iemand anders gaat, moet je heel de zaak van voor af aan herbeginnen.” De patiënten stelden zelf geen expliciete vragen naar niet-medicamenteuze alternatieven. Door de goede arts-patiëntrelatie waren zij meer geneigd de voorstellen van hun arts te aanvaarden. Zij waren echter terughoudend voor het initiatief om een psychotherapeut te raadplegen, omwille van de daarmee samenhangende stigmatisering: “De huisarts stelde mij voor een psycholoog te raadplegen. Maar je denkt eerst ‘ik ben altijd gezond geweest’, dus je denkt niet om te gaan.” Als ze door hun arts in zo’n therapie terechtgekomen waren, waren ze ook actief betrokken bij hun gedragsverandering, wat ze als positief ervaarden: “De dokter stelde voor dat ik een psycholoog zou raadplegen. Ik denk dat het zeer belangrijk is de patiënten daarvoor te motiveren, hen voldoende informatie te geven en hen te zeggen dat het wérkt en écht kan helpen. Mensen zijn er bang voor en hebben er veel grote vragen bij, maar eigenlijk is het zo erg nog niet.”

Patiënten legden de verantwoordelijkheid voor het voorschrift bij hun huisarts, omdat zij meenden geen controle meer te hebben over hun situatie. Zij veronderstelden dat de voorschriften noodzakelijk waren omdat zij voorgeschreven werden door hun huisarts die zij vertrouwden. Op deze manier rechtvaardigden zij hun benzodiazepinegebruik. Het is voor artsen belangrijk zich van dit proces bewust te zijn en hun patiënten te begeleiden naar realistischere verwachtingen over de behandeling.

In de literatuur wordt gewaarschuwd voor het probleem van afhankelijkheid dat zich reeds na enkele weken of maanden kan ontwikkelen bij regelmatig of herhaald benzodiazepinegebruik. De behandelingsduur is een belangrijke factor in de blootstelling van patiënten aan dit afhankelijkheidsrisico. Uit deze studie blijkt dat psychologische afhankelijkheid zeer snel kan optreden. Artsen en patiënten zouden zich daarvan meer bewust moeten zijn. Er treedt blijkbaar een verschuiving op van een focus op de symptomen naar een focus op de behandeling (inname van medicatie). Het is belangrijk dat artsen ook rekening houden met de mechanismen die patiënten gebruiken om hun benzodiazepinegebruik te rechtvaardigen, als zij willen praten over de afbouw ervan. Patiënten zouden kunnen denken dat artsen de ernst van hun problemen niet voldoende inschatten, wanneer zij hun benzodiazepinen ‘afnemen’.

Besluit:
Patiënten die voor het eerst benzodiazepinen gebruikten, vroegen hulp voor hun lijden, maar legden de verantwoordelijkheid voor de oplossing bij hun huisarts. Zij rechtvaardigen hun benzodiazepinegebruik door hun problemen te maximaliseren. Ook al bestaat bij eerste gebruikers de vrees voor afhankelijkheid, toch vragen zij geen informatie noch voelen zij de nood aan meer informatie. Het is belangrijk dat huisartsen de voor- en nadelen van het opstarten van benzodiazepinebehandeling duidelijk uitleggen en van bij het begin grenzen stellen. Dit zal hen helpen om eerste gebruikers van benzodiazopinen effectiever te begeleiden en om langdurig gebruik te voorkomen.

Bron: Huisarts Nu, september 2008; 37(7) 383 Benzodiazepinen opstarten in de huisartsenpraktijk, S. Anthierens, H. Habraken, M. Petrovic, M. Deveugele, J. De Maeseneer, T. Christiaens.

S. Anthierens is als socioloog verbonden aan de vakgroep Huisartsgeneeskunde en Eerstelijnsgezondheidszorg van de Universiteit Gent;
H. Habraken is als psycholoog verbonden aan het Projekt Farmaka te Gent;
M. Petrovic is als geriater verbonden aan de afdeling Geriatrie van het Universitair Ziekenhuis Gent en aan de vakgroep Farmacologie van de
Universiteit Gent;
M. Deveugele is als psycholoog verbonden aan de vakgroep Huisartsgeneeskunde en Eerstelijnsgezondheidszorg van de Universiteit Gent;
J. De Maeseneer is huisarts en voorzitter van de vakgroep Huisartsgeneeskunde en Eerstelijnsgezondheidszorg van de Universiteit Gent;
T. Christiaens is als huisarts verbonden aan de vakgroep Huisartsgeneeskunde en Eerstelijnsgezondheidszorg en aan de vakgroep Farmacologie van de
Universiteit Gent.

Geschreven door Bruno Ariens om 00:00 Reageer op dit bericht

1 op 4 Belgen slaapt slecht.

Slaapproblemen komen vaker voor dan we denken, zo blijkt uit een enquête van het onderzoeksbureau Ipsos,  meldt De Standaard.

Drieëntwintig procent van de Belgen, of ongeveer een Belg op de vier, heeft problemen met het slapen en die problemen zijn zo ernstig dat ze invloed hebben op het dagelijks functioneren. Belangwekkender is dat de helft van de personen met slaapproblemen zich niet laten behandelen. Nochtans leiden slaapproblemen tot gezondheidsproblemen, waarschuwen de onderzoekers.

Moeite hebben om in te slapen, te vroeg wakker worden, moeilijk opnieuw in slaap raken als je 's nachts wakker wordt of gewoon te weinig slapen zijn veel voorkomende situaties. Wie daar echter minstens driemaal per week mee geconfronteerd wordt, en dat gedurende een half jaar, kampt met een slaapprobleem.

'Uit de Ipsos-enquête bij 967 personen blijkt dat drieëntwintig procent van de Belgen met dergelijke problemen kampt en die problemen hebben invloed op hun functioneren overdag', zegt Elke De Valck van de Vrije Universiteit Brussel. 'Het gaat voornamelijk om vijftigplussers. Mensen die een partner hebben, zijn minder vatbaar voor slaapproblemen, vrijgezellen nog minder. Gescheiden mensen hebben er blijkbaar meer last van. In het algemeen blijkt trouwens dat achtenzestig procent van de mensen met slaapproblemen vrouwen zijn.'

Nog opvallender is dat de helft van de mensen die met slaapproblemen kampen, zich niet laat behandelen. 'Dat is zorgwekkend omdat het verband tussen slaapproblemen en gezondheidsproblemen vaststaat', gaat De Valck voort. 'Zo is het bekend dat chronische insomnie kan leiden tot depressie en andere psychologische problemen en tot fysieke kwalen. Vandaag heeft vijf procent van de Belgen problemen met het geestelijk en lichamelijk functioneren, maar zij maken wel een derde uit van de groep mensen die slaapproblemen heeft.'

Mensen grijpen ook vaak naar slaappillen, terwijl er andere manieren zijn om een slaapprobleem aan te pakken. Zie ook een van de vorige artikels, 'Mijn partner slaapt slecht'.

We kunnen niet genoeg benadrukken dat wie slecht slaapt best hulp zoekt. Je kunt terecht bij je huisarts, een gedragstherapeut of  je kunt groepslessen volgen in een van de academische ziekenhuizen.

Het zelfhulpboekje 'Uitgeslapen wakker worden' legt in klare taal uit wat belangrijk is om te weten en wat je moet doen of best laat om beter te slapen. Het geeft je daarbij via de cd met autosuggestieoefeningen een fantastisch hulpmiddel in handen om het piekeren in die mate af te leiden dat je toch ontspannen genoeg raakt om in slaap te vallen.

bron: De Standaard woensdag 29/10/08, Belga
         Uitgeslapen wakker worden, Bruno Ariens, Standaard Uitgeverij. 2007.

Geschreven door Bruno Ariens om 00:00 Reageer op dit bericht

Wakker liggen.

Ik vind het belangrijk om de reactie van Yessie op de voorgrond plaatsen omdat dit een alsmaar terugkerend probleem is, dat prima kan worden behandeld.

Zeg Bruno, als ik na 20 minuten al terug moet opstaan als ik dan nog niet in slaap ben, dat is rap hoor, ik lig meestal uuuuuuuren in bed voordat ik de slaap te pakken heb. In mei ll.heb ik een fietsongeval gehad met drie polsbreuken en Sudeck tot gevolg, nu ben ik gewend aan slaappillen (anders kon ik niet meer slapen van de pijn) en raak er nog moeilijk vanaf. Maar als ik terug ok ben, ga ik toch proberen want ook ik wil niet verslaafd zijn aan die rotzooi.


GROETJES UIT TURNHOUT. YESSIE - Geschreven op 24-10-2008 door Yessie
 
Dag Yessie,
Jouw slaapprobleem is een mooie illustratie van hoe de meeste slaapproblemen ontstaan. Het begint met een medisch probleem, een ziekenhuisopname, piekeren over ernstige familiale problemen of dikwijls een combinatie van meerdere factoren. Daardoor slaap je uiteraard slecht, en als dit meer dan 3 weken duurt zit je opgezadeld met een conditionering waarbij het bed automatisch de betekenis krijgt van de plaats waar ik wakker lig.  Je gaat in je bed liggen en automatisch voel je een wakker gevoel, soms gespannen of zelf een angstig gevoel. Conditionering wil zeggen: prikkel, en automatisch een reactie, zonder erbij te hoeven nadenken. Net zoals de honden van Pavlov begonnen kwijlen bij het horen van een belletje.

Het komt er dus absoluut op aan om dit te doorbreken, en dat kun je alleen maar doen door te vermijden om lang wakker te liggen in je bed. Wat je zeker moet vermijden is het opbouwen van spanning. Daarom is het essentieel om uit je bed te stappen voor je onrustig wordt of voor je angst voelt opkomen. Je staat dus op en je gaat naar een andere kamer waar je iets saais doet, een tijdschrift doornemen, een stripboek lezen, wat je maar wil, maar geen leuk tv-programma opzetten, of een activiteit waar je wakker van wordt. Als je dit keer op keer doet, bouw je een andere conditionering op: het bed krijgt terug de betekenis van de plaats waar ik mij comfortabel, ontspannen voel, en dat heb je nodig om in slaap te vallen, want slaap is een natuurlijk gevolg van diepe ontspanning.

Ik hoor je al zeggen, 'ja, maar als ik zo elke keer moet opstaan kom ik helemaal niet aan slaap toe, en ik slaap nu al zo weinig'. Weet je, als je zoals nu toch al uren wakker ligt in bed, slaap je ook niet, dus waarom zou je het niet proberen, je kunt er niets mee verliezen.

Handig is om autosuggestieoefeningen toe te passen als je de slaap niet goed kunt vatten. Je doet die oefening zelf in bed, dus zonder de cd, zo heb je meer kans om voldoende ontspannen te raken en ben je beter in staat om het piekeren in die mate af te leiden dat je er geen last meer van hebt. Val je niet in slaap, sta dan op.

Dit blijf je 3 weken volhouden, en na die periode heb je een nieuwe conditionering ontwikkeld: je stapt in je bed en je voelt automatisch een gevoel van ontspanning, comfort en slaperigheid.

Uiteraard zijn alle andere tips om goed te slapen van belang, zoals koffie- en alcoholgebruik, het afbouwen van je activiteiten naar de avond toe en het toepassen van een bedtijdritueel. zie: '10 tips om beter te slapen'.

Eens je dit goed hebt ingeoefend kun je in samenspraak met je huisarts je slaapmedicatie afbouwen en stoppen. zie ook 'Stoppen met slaapmedicatie'.

Veel succes.

Geschreven door Bruno Ariens om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van Uitgeslapen wakker worden, informatie over slaap

↑ Terug naar de berichten