Wilde akelei komt in vrijwel heel Europa in het wild voor in bossen en zoomvegetaties. Naar wordt aangenomen zijn het oorspronkelijk planten, die vanuit tuinen zijn verwilderd. Het zijn overblijvende (vaste) planten. In de Alpen komt akelei vrij veel voor, maar dit is de
Alpenakelei (
Aquilegia alpina). Wilde akelei (
Aquilegia vulgaris) bloeit van mei tot en met juli. Het is veruit de sterkste en misschien wel de mooiste soort van het geslacht. Deze akelei wordt veertig tot tachtig centimeter hoog.
De akelei behoort tot de omvangrijke familie van de boterbloemachtigen (Ranunculaceae). De naam
Aquilegia komt van de Latijnse woorden aqua = water en legere = verzamelen.
Cultuur
| |
 |
| De bloem van wilde akelei heeft tal van nuances paars en diepblauw |
Akelei groeit op alle grondsoorten in de zon of halfschaduw. De plant groeit polvormig. De groene stengels dragen gelobde, iets blauwgroene bladeren; aan de top en zijstengels geknikte bloemen. Variatie in bloemtinten is normaal. De akelei kruist onderling heel gemakkelijk. Zuiverheid van ras of variëteit is hierdoor een moeilijke zaak (verbastering). De akelei houdt niet van een te vochtige grond en evenmin van een winderige plaats. Bloemen zijn goed op vaas te houden. Vermenigvuldigen van akelei kan door scheuren of zaaien. Scheuren van de pollen in het najaar, zaaien in maart - april onder glas. Amerikaanse soorten (
Aquilegia caerulea, Aquilegia canadensis, Aquilegia skinneri, Aquilegia chrysantha en de hybriden 'Mc Kana Giant Hybrids', 'Crimson Star', 'Haylodgensis') zijn onvoldoende winterhard in ons klimaat.