Naast Tante Josee, kregen wij ook nog les van Mevrouw Hublou, (Ik hoop dat ik haar naam goed schrijf ) Meer bepaald godsdienstles. Wij mochten haar Tante Fienje noemen, Het was een klein madammeke dat een beetje leek op mijn oma langs moeders zijde. Tante Fientje gaf dus godsdienst, een van mijn favoriete vakken om dat zij prachtig vertellen kon over allerhande zaken en omdat we dan niks anders moesten doen dan luisteren, maar ook omdat ik dat kon gaan vertellen aan mijn mèt Adrienne. Zij kwam 1 of 2 maal per week bij ons. De rest van de dagen doceerde zij elders. Iedereen volgde gosdienst behalve Renee, die ging dan mee met tante Josee naar een ander lokaaltje waar zij zedenleer kreeg. Ik heb nog steeds mijn oude catechese boekje van toen met alle gebeden, en alle aktes: Van liefde tot berouw . Waar is God ? - God is overal, in de hemel, op de aarde en op alle plaatsen ! Dat wou zij horen en niks anders en... wee diegene die durfde afwijken van deze zin. Vreemd maar ik heb haar later nooit meer gezien.
Vanaf de eerste dag dat ik er was werd ik opgevolgd door de huisarts van dienst: Dokter Daelemans (wij allemaal trouwens) die trouwens ook de arts ws van de bond van spastische kinderen, om de vorderingen te kunnen bespreken en de remedies aan te passen daar waar nodig. Nu was de eerste keer ook weer zo'n hilarisch moment om aan terug te denken, dat ik u dit niet kan onthouden. Toen ik al een poosje in het internaat verbleef begon ik een aardig mondje frans te kennen maar dan wel de allernoodzakelijkste dingen zoals bol, assiette, fourchette, couteau, froid, chaud, en toen de dokter mij vroeg : ou tu as mal ? begon ik aan mijn franse woordenschat. De dokter lag dubbel. Hij heeft daarna de vraag in t nederands gesteld.
De grote vakantie brachten we meestal door in een huis gelegen in Villers-la-ville bekend als "La cité de la Croix Rouge" van het Rode kruis. Dat was een groot herenhuis dat gebruikt werd om kans arme jongeren te laten genieten van de natuur en het kampwezen. Er waren meestal een aantal groepen tegelijk aanwezig maar wel gescheiden. We sliepen in grote kamers in stapelbedden. Overdag hielden wij ons bezig met wandelen en spelen per groep. De kampvuren deden we dan samen. Dan werden er grote blokken hout gesprokkeld en na het avondeten en de afruim moesten we naar de slaapkamers een grote dikke trui aanpassen met dito broek. Daar werden dan liedjes gezongen en spelletjes gespeeld. In een ronde rond het kampvuur gezeten zongen we arm in arm al wiegend van links naar rechts:
Chante et dance la boheme Faria, faria oh! Vole et champe où Dieu te mène Faria faria oh! Sans souci au grand soleil Coule des jours sans pareils
(ref)Faria,faria faria,faria,faria faria oh 2x
Quand a faim se fait tenace, Faria,faria oh Dans le bois se met en chasse, Faria, faria oh Tendre biche en prompt chamois Lui feront un festin de roi
(ref)Faria.....
Sur la mouse ou dans la paile, faria,faria oh trouve un lit fait à sa taille, faria, faria oh Coeur leger, boheme dort qui n' eveille aucun remords
(ref)Faria....
Et si mince est son bagage Faria,faria oh que sans peine démenage,Faria,faria oh Dans le ciel quand Dieu voudra En chantant s' envolera
(ref) Faria......
Wanneer we uitgezongen waren kwamen de spelletjes: Dan werd er iemand aangeduid die "le pauvre petit chat" werd die moest dan bij de anderen gekke bekken trekkend miauwen, waaop de uitgekozen persoon 3 x "pauvre petit chat" moest zeggen terwijl de persoon aankijkend zonder te proberen lachen, lachte hij wel dan werd hij de "kleine arme kat" en moest hij op zijn beurt iemand aan 't lachen brengen. Voor we gingen slapen zongen we bij wijze van begroeting: Bonsoir ! Met 3 stemmen dwz. De eerste stem begon met zingen van de eenvoudige woorden en bij het begin van het 2 couplet voegde de andere groep in zodat we een soort van echo creeerden.
Bonsoir, bonsoir, La brume monte du sol, On entend le rossignol.
Bonsoir, bonsoir, La brume monte du sol On entend le rossignol
Bonsoir, bonsoir !
En telkens er een groep uitgezongen was stonden die op en gingen naar binnen.
Het is daar dat ik mijn totemnaam kreeg; Mits een aantal proeven qua doorzetting en volharding werden we behoordeeld en zocht de leiding naar een gepaste naam waar al je gebreken of je kwaliteiten uit spraken. soms ook een gelijkenis met iets of iemand. De mijne werd: "Gretel-Espiegle" Grietje - Uilenspiegel dus. Grietje omwille van mijn blonde haar en Uilenspiegel omwille van de fratsen die ik uithaalde.
Er was daar aanpalend een bos waar we wilde aardbeien en bramen gingen plukken en die we dan als avonddesert serveerden. en er was een feestzaal met zowaar een piano! Daar leerde de leider ons dan "Broeder Jacob" op spelen. Er liep ook een beekje met nogal fel stromend water en dat heb ik aan de lijve ondervonden. We zaten soms met onze voeten in het water en ik weet niet meer hoe het kwam maar plots viel mijn schoen "van mijn enige paar" in het water en was binnen de kortste keren meegesleurd. Daar zat ik nu met nog enkel sandalen. Ze hebben dan het home verwittigd en die hebben op hun beurt mijn ouders gecontacteerd en 2 dagen later kwamen zij mij mijn andere schoenen brengen. Wat ik daar ook geleerd heb is dat Zwanen stoute dieren zijn; er kwam daar soms een zwaan met kroost in het beekje zwemmen. Zo'n 6 kuikentjes achter haar aan, ik wilde het laatste eens vast nemen om te strelen maar het beestje zette het op een piepen en dat was buiten de mama gerekend, zij vloog op mij af en sloeg mij met haar vleugels. Het was al bij al een zalige tijd. En wanneer we afscheid moesten nemen vloeiden er steeds weer tranen bij het liedje:
Faut-il nous quitter sans espoir sans espoir de retour ? Faut-il nous quitter sans espoir de nous revoir un jour?
Ce n'est qu'un au revoir, mes frères ce n'est qu'un au revoir oui, nous nous reverons, mes frères Ce n'est qu'un au revoir !
Tournons de nos mains qui enlacent au déclin de ce jour tournons de nos mains qui enlacent Une chaine d' amour!
Terwijl we elkaar de hand gaven met gekruiste armen tot het liedje uit was. Dat gaf een gevoel van samenhorigheid en deed tevens zoveel pijn ! Het luidde het einde in van een mooie tijd.
In het jaar 1966 geloof ik was er zo'n dik pak sneeuw gevallen dat we al schuivend naar Brussel gingen. We moesten daarvoor zelfs 1 uur vroeger vertrekken dan normaal, om op tijd te zijn. Wij reden toen met van die dikke zwarte auto's ( het merk heb ik nooit geweten, maar type Londense taxi) Ter plaatse aangekomen konden we onmogelijk de oprit naar de foyer op, die lag immers op een helling. Dus liet mijn vader de auto op straat staan (die ook helde) groot was onze verbazing toen we uitgestapt waren en te voet met pak en zak de weg namen naar fraiteur. Er begon achter ons iemand te roepen op straat. We kijken achterom en zien de auto schuiven naar beneden. Gelukkig kon Pa nog hard lopen en kon hij hem tot stilstand brengen voor hij ergens tegen botste.