
Vlaamse minister bevoegd voor het onroerende erfgoed, Dirk Van Mechelen, pleit reeds enkele jaren voor een vernieuwde aanpak op het vlak van beschermingen. Inmiddels zijn in Vlaanderen ongeveer 10.000 objecten als monument beschermd, wat ons kwantitatief op een aanvaardbaar niveau brengt in vergelijking met de ons omringende gewesten en landen. Deze beschermingen zijn meestal tot stand gekomen op basis van de zogenaamde ‘geografische beschermingen’. Die hebben het voordeel dat op korte termijn na het afronden van de inventarisatie van een gemeente, een omvangrijk aantal beschermingen kan worden gerealiseerd. Echter, in hun nadeel speelt het feit dat op deze wijze de intrinsieke waarde van het erfgoed op Vlaams niveiau te weinig kan vergeleken worden met andere gelijkaardige erfgoedobjecten.
Minister Dirk Van Mechelen heeft daarom samen met zijn administratie een legislatuuroverschrijdend plan voor thematische bescherming uitgewerkt. 2006 was een overgangsjaar waarin vooral gewerkt werd aan de inventaris van de verschillende thema’s.
Momenteel komt de beschermingsaanpak, dankzij de inzet van de administratie en inzonderheid de erfgoedconsulenten van het Agentschap R-O Vlaanderen, op kruissnelheid.
Eén van de thema’s die op korte termijn volledig worden uitgewerkt, is dat van het erfgoed van de Eerste Wereldoorlog en bij uitbreiding alle oorlogserfgoed in Vlaanderen. Vorig jaar kondigde minister Van Mechelen de ‘Inventaris 1914-2014′ aan, een grootschalig inventarisatie- en beschermingsproject van het WO I-erfgoed in Vlaanderen dat uiteindelijk moet leiden tot de erkenning van de slagvelden uit de Eerste Wereldoorlog als Unesco-werelderfgoed.
Uiteraard is oorlogserfgoed een zeer ruim begrip en daarom worden achtereenvolgens verschillende deelthema’s geëvalueerd. Voor 2007 staan de militaire begraafplaatsen op het programma. Het pakket van Belgische militaire begraafplaatsen is dan ook het eerste in de rij, later op het jaar volgen nog pakketten rond de begraafplaatsen van het Gemenebest, en die van de Franse en Duitse militaire begraafplaatsen.
Militaire begraafplaatsen zijn een recent fenomeen, waarvan het ontstaan nauw verbonden is met de Eerste Wereldoorlog. Tot in de 19e eeuw werden gesneuvelde soldaten doorgaans in massagraven verzameld op de plaats waar ze sneuvelden. Alleen officieren werden gerepatrieerd en individueel begraven. Door de lange duur van de krijgsverrichtingen en de stellingenoorlog waardoor soldaten erg verspreid sneuvelden en bijvoorbeeld ter plaatse werden begraven, veranderde deze praktijk en kreeg iedereen een individueel graf. Zo ontstonden er her en der, bijvoorbeeld bij individuele hulpposten, kleine begraafplaatsen.
Na de oorlog werden de gesneuvelden gegroepeerd herbegraven op speciaal aangelegde begraafplaatsen, die getuigen van de eigenheid en visie van de verschillende betrokken partijen. Vaak werd aan de nabestaanden de keuze gelaten om hun overleden familielid te repatriëren naar het land of plaats van herkomst. Het is bovendien veelzeggend dat de meeste betrokken landen ervoor opteerden om hun overledenen zonder onderscheid van rang of stand te begraven door het gebruik van eenvormige zerken.
In ieder geval getuigt de zorg die besteed werd en wordt aan de aanleg en de instandhouding van de militaire begraafplaatsen aan de maatschappelijke wens om de herinnering aan beide wereldoorlogen nog levendig te houden.
Als eerste deelpakket beschermt Vlaams minister Van Mechelen nu 15 Belgische militaire begraafplaatsen als monument, met name de begraafplaatsen van Lier in de provincie Antwerpen, van Halen en Leopoldsburg in de provincie Limburg, van Eppegem, Veltem-Beisem en Sint-Margriete-Houtem in Vlaams-Brabant en van Westvleteren, Hoogstade, Oeren, Steenkerke, Adinkerke, De Panne, Ramskapelle, Keiem en Houthulst in de provincie West-Vlaanderen. De minister heeft nu de besluiten tot voorlopige bescherming getekend. Dit wil zeggen dat de procedure tot definitieve bescherming wordt opgestart, met inbegrip van een openbaar onderzoek en het inwinnen van de nodige adviezen, zoals het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. Binnen het jaar moet de definitieve beslissing genomen worden.
Enkele jaren na het einde van de Eerste Wereldoorlog startte de Belgische overheid met de aanleg van de militaire begraafplaatsen. Na enkele omzwervingen is het dagelijkse beheer en het onderhoud sinds 2004 opnieuw een verantwoordelijkheid van het ministerie van defensie.
Ongeveer de helft van de Belgische gesneuvelden werd gerepatrieerd naar de plaats van herkomst en werd daar herbegraven op het erepark van de kerkhoven of burgerlijke begraafplaatsen. Deze ereperken werden overigens bij de beoordeling buiten beschouwing gelaten en worden pas in een later stadium of bij de globale beoordeling van een begraafplaats mee gewaardeerd. Daarom ook dat de militaire begraafplaats van Brugge, omdat ze deel uitmaakt van de gemeentelijke begraafplaats die als geheel zeer waardevol is, niet werd opgenomen. Maar voor de ganse Brugse begraafplaats wordt een afzonderlijk beschermingsdossier opgestart.
Belgische militaire begraafplaatsen hebben doorgaans een strak symmetrisch aanlegpatroon, met een bakstenen voormuur afgewerkt met natuursteen en sierelementen, een vlaggenmast met driekleur, (meestal) een gedenkkruis of religieus symbool en een houten schuilhuisje waarin zich ook het grondplan, het register en het bezoekersboek bevindt. Vanaf 1925 werd een standaard grafsteen, naar ontwerp van architect Fernand Symons, veralgemeend: arduinen stenen versierd met krullen met een bronzen grafplaat met de gegevens van de overledene. Tenzij de nabestaanden dit niet wensten, werden de oorspronkelijke graftekens zoals houten kruisen of de zgn. heldenhuldezerkjes, door het standaardtype vervangen. Van de ongeveer 800 heldenhuldezerkjes blijven er vandaag nog circa 75 bewaard.
De plaats waar de verschillende militaire begraafplaatsen zijn ontstaan verwijzen doorgaans naar de krijgsverrichtingen, zoals Halen, Lier, Sint-Margriete-Houtem, Veltem-Beisem, Eppegem, Ramskapelle, Keiem en Houthulst, of naar de plaats waar medische posten of hospitalen werden uitgebouwd, zoals Westvleteren, Hoogstade, Oeren, Steenkerke, Adinkerke en De Panne. In het geval van Leopoldsburg betreft het vooral graven van krijgsgevangen, politieke gevangenen, gefusilleerden,… die hier werden gegroepeerd.
“Negentig jaar na de Eerste Wereldoorlog is de herinnering aan deze gruwelijke loopgravenoorlog en aan de Tweede Wereldoorlog nog altijd levendig en actueel. Het is dan ook belangrijk dat de begraafplaatsen en hun graven van een ganse generatie jonge mensen blijvend symbool kunnen staan voor de gruwelen en de zinloosheid van de oorlog. Niet alleen om niet te vergeten, maar ook om lessen te trekken naar de toekomst. De bescherming van de Belgische militaire begraafplaatsen – en later van de militaire begraafplaatsen van de andere mogendheden – bevestigt de enorme maatschappelijke relevantie ervan. Ik hoop dat deze bescherming meer dan ooit een aanzet mag zijn, voor de blijvende en niet aflatende inzet voor het behoud van ons oorlogserfgoed. Dat het tevens een uitgangspunt kan vormen voor nieuwe initiatieven, die bijvoorbeeld jongeren bewust maken van het voorrecht om te leven in een vrij en welvarend Vlaanderen”, aldus nog de minister.
Bron: http://www.dirkvanmechelen.be/2007/minister-van-mechelen-beschermt-15-belgische-militaire-begraafplaatsen/ - 2 augustus 2007
1 reactie op dit bericht
Herdenkingsprentje oeren
Op dit prentje is toch geen verwijzing ernaar te vinden
Wim