Kleine man.

Kleine man.
Kleine Jan, kleine man
gezeten op een bankje
onder de lindeboom,
naast hem een vrouwtje,
zedig zittend op het randje,
houdt ze haar blik in toom,
haren saam gehouden
met een roze touwtje.
Vrank vroeg vrijpostig
die lieve kleine man,
‘wil je mijn liefje zijn’
wat een vraag, dacht ze,
helemaal bijkomstig
haar schroom maar schijn,
ze waren echt ‘op’ elkaar.
Twee paar kleine voeten
dansten over het grote plein
het leven zonneklaar,
zo zou het altijd moeten,
gouden zonneschijn.
Op zeven is de wereld simpel,
leven met vlag en wimpel.
bomi.


Pluizenbollen