Winter nadert. Ik voel het aan de lucht En aan de woorden die ik schrijf. Alles wordt klaarder: de straat Is tot aan het eind te zien. De woorden Hebben geen eind.
Ik ben dichter Bij de waarheid in December Dan in Juli. Ik ben dichter Bij gratie van de kalender, lijkt het Soms wel. Toch, de woorden niet, de steden Nemen hun eind.
Als er ergens Zomer en winter, maar een ster Brandde die een fel wit licht gaf. Ik zeg een ster, maar het Mag alles zijn. Als het maar brandt en Woorden warmte geeft.
Maar ik geloof Niet, 's winters nog minder, aan Zo'n ster. In woorden moet ik geloven. Maar wie kan dat? Ik ben Een stem, stervend en koud, vol Winterse woorden.
Remco Campert.
|