Slachten
De gezeten boer slachtte, al naar de grootte van het huisgezin, een of twee keer per seizoen en maakte de daarvoor bestemde varkens naar dezelfde maatstaf meer of minder zwaar. Waar het nodige voer en de geldmiddelen ontbraken, kon, al was het gezin talrijk, maar één keer geslacht worden; natuurlijk was in die huishoudens de vreugde bij het slacht-\"feest\" het uitbundigst. Maandenlang was aan het mesten van de krulstaart de nodige zorg besteed en evenlang was er reikhalzend uitgezien naar het ogenblik waarop hij zwaar genoeg werd bevonden om gekeeld te worden. Met Janus de slachter werd afgesproken, wanneer deze kon komen en tezelfder tijd werd er een \"literken Foezel\" gehaald bij de kastelein, want zonder een pierenverschrikkertje kon geen enkel slachtfeest doorgaan. Als Janus dan met zijn zware slachtbak en een koker vol moordtuig was gearriveerd, kreeg het slachtoffer een touw om een der achterpoten, de kooi ging voor de eerste en enige keer van zijn leven voor hem open en hij werd het erf opgedreven. Ondertussen was al het vrouwvolk, ver genoeg weg, hier of daar giechelend in een hoekje gekropen en stopte de oren toe om het erbarmelijk gejank niet te horen; aanstellerig natuurlijk! Was het varken gestoken en het laatste doodskreetje verstorven dan werd er even gepauzeerd om binnen een neutje door het keelsgat te wippen en het water dat in een grote ketel klaar gestoomd was op hitte te keuren.
Dan kwam het uitwendig schoon maken van \"den doje\". Met emmers vol heet water werd het haar geweekt en daarna \"geschrabd\", gewoonlijk onder toezien van een opdringerig hoopje \"kwajongens\". Wie van die kwajongens het verreken z\'n gat durfde te kussen werd het krijgen van het steertje in het vooruitzicht gesteld. Maar ook jongens hebben hun waardigheidsgevoel en zodoende waren er maar zelden liefhebbers voor het staartje. Was het varken geschrabd dan ging het op de leer (ladder) die dan tegen de buitenmuur werd gezet, waarna het opensnijden en uithalen kon beginnen.