ijs-Heiligen


|
I
IJsheiligen hebben harde koppen. | ||||||||
|
Het kan vriezen tot in mei, ·tot de IJsheiligen zijn voorbij, ·Mamertus en Pancraas, ·Servatius en Bonifaas. | ||||||||
|
Pancraas. Servaas en Bonifaas, ·geven ijs en vorst helaas. | ||||||||
|
Voor de nachtvorst zijt ge niet beschermd, ·totdat Servatius zich over u ontfermt. | ||||||||
|
Servaas moet verlopen zijn, ·voor de nachtvorst goed wel verdwijnt. | ||||||||
|
Als is Mamertus oud en grijs, | ||||||||
|
Vóor Servaas is men niet behoed voor nachtelijk vorst. | ||||||||
|
Is er met St. Servaas geen rijm te zien, ·dan zal Bonifaas geen sneeuw ons biên. | ||||||||
|
Tot bonifaas, die strenge baas, ·wees voor de vrucht, op vorst beducht. |
|
Rijpe aardbeien met Pinksteren, ·dan ook een goed wijnjaar. |
|
Voor ijsheiligen de bloemen buiten, ·veelal kun je daar naar fluiten, ·wacht af tot ze zijn voorbij, ·de bloemen zijn u daarvoor blij. |
|
Geen rijmken na Servaas, ·geen vloksken na Bonifaas. |
|
Voor Servaas geen zomer, ·na Servaas geen winter. |
|
St. Bonifaas die geeft, let op, ·de laatste zak de vriesman op. |
|
Wie zijn schaap scheert voor St. Servaas, |
|
St. Servaas, de groet van Maastricht, ·op wiens graf men nooit sneeuw zag. |
|
Van nachtvorst ben je nimmer vrij, |
|
|
















