Vandaag is het 102 jaar geleden dat Telesforo Monzón
geboren werd. Sommige Vlamingen herinneren zich misschien nog de IJZERBEDEVAART
van 1 juli 1973, die in het teken stond
van de vrijheidsstrijd van het Baskische Volk. In een intense hitte
sprak een statige man de massa toe. In
het Baskisch! Telesforo Monzón!
Monzón was niet enkel goed in toespraken, hij schreef ook gedichten
en zijn liedteksten werden méér dan eens op de legendarische “Baskenavonden”
gezongen.
Monzón werd in 1904 in
Bergara geboren in het machtige “torenhuis” “Dorretxea Olaso” (uit de 16de
eeuw).
Vóór zijn dertigste was
hij al schepen van zijn stad en in 1933, enkele jaren nadat voor het eerst de republikeinse vlag was gehesen op het balkon van het
stadhuis van Eibar (14 april 1931) werd hij verkozen in de Cortes in Madrid.
Monzón trok de hele provincie door en overal wist hij de massa te begeesteren.
In het memorabele jaar
1936, nadat het Baskisch Autonomiestatuut was uitgeroepen, werd Monzón Minister
van Binnenlandse Zaken van Baskenland in
de Regering van Lehendakari José Antonio Agirre (ze waren even oud). Zijn
eerste belangrijke daad begon met een tocht op een vissersboot die vanuit
Ondarroa de territoriale wateren opvoer.
Aan boord waren er vele kilo’s goud uit de banken van Bilbao. Eenmaal
buiten de actieradius van de Franquistische schepen werd er overgeladen. Het
goud werd geruild voor wapens.
Bij de val van het
Baskisch front, aan het einde van de Burgeroorlog, trok Monzón, net als vele
anderen, richting Noord-Baskenland, Iparralde. Bij het uitbreken van de Tweede
Wereldoorlog ging hij naar Zuid-Amerika.
Vanaf 1946 maakte Monzón
in Parijs deel uit van de Baskische
Regering in Ballingschap. Stilaan kon hij de passiviteit van de Regering
niet meer aanzien. Toen radicale jongeren vanuit het Zuiden hun ideeën kwamen
voorleggen, werden ze afgescheept als ordinaire bendeleden. Dit was het sein om
uit de regering te stappen.
Bij de dood van
Lehendakari Aguirre, in 1960, werd diens lijk opgebaard in Monzóns huis in
Donibane Lohitzune (Saint Jean de Luz).
De scheiding van ideeën
binnen de PNV werd groter naarmate er meer radicale jongeren vanuit het Zuiden
dienden te vluchten. Er was inmiddels een nieuwe generatie Gudaris (soldaten) aangetreden: “Euskadi Ta Askatasuna” “Baskenland en
Vrijheid”, ETA!
In 1969 was het
noodzakelijk geworden de diaspora te reorganiseren. Monzón en de pastoor van
Sokoa, Piarres Lárzabal, gingen over tot de stichting van “Euskaldunei Lagunt
Biltzarra” waaruit later “Anai Artea” (“Onder broeders”) zou ontstaan.
Bij Anai Artea konden de vluchtelingen, meestal ETA-leden, steeds terecht: voor
onderdak en wat geld.
Bij de start van het
Burgosproces ontvoerde ETA in Donostia de Duitse Ereconsul, Beihl die ze wilden “inruilen” voor het geval er
doodstraffen zouden vallen. Monzón trad op als tussenpersoon. Dit ging voor
Spanje echt te ver en het land van zon en Sangria zette Parijs onder enorme
druk met als gevolg dat Monzón het land
werd uit gezet, (samen met “Txillardegi”, medestichter van ETA, die later in
ons land terecht kwam.) Beiden gingen in hongerstaking in de kathedraal van
Baiona, samen met een groep van 35 sympathisanten. Monzón kreeg ten gevolge van
deze hongerstaking een hartaanval.
In 1977 bracht Monzón alle bestrijders van de rechtse dictatuur van
de inmiddels overleden Caudillo, Franco, bij elkaar in de legendarische (vijf) ronde tafelgesprekken van Xiberta-Chiberta.
In hetzelfde jaar stak Monzón, samen met de ETA-leiders die in het Burgosproces
de doodstraf hadden gekregen (maar kort voordien het land waren uitgezet),
onverschrokken de Muga (grens) over naar het deel van Euskal Herria waar hij
geboren was. In een zinderende velodroom, Anoeta, in Donostia werden ze als
helden ontvangen. Monzón voerde het woord, maar hij werd telkens onderbroken
door de massa die steeds maar weer scandeerde “ETA Herria zurrekin” “ETA, het
Volk staat achter U”!
Monzón stapte in dezelfde periode mee op in
de Mars voor de Vrijheid waarbij wel
elke dag incidenten met de politie te noteren vielen. In 1979 werd hij, samen met de leiding van Herri Batasuna, opgepakt en
opgesloten in de gevangenis van Langraitz. Gipuzkoa ging in
staking en de gevangenen kwamen vrij, op één na: Telesforo Monzón die
beschuldigd werd van “verheerlijking van het terrorisme”. Als protest begon
hij, inmiddels 74 jaar, opnieuw aan een
hongerstaking die hem bijna het leven zou kosten. Een maand later kwam hij
vrij, nadat hij opnieuw gekozen
was in het Spaanse Parlement, ditmaal
voor HB-Herri Batasuna.
Op 9 maart 1981overleed Telesforo Monzón in Baiona. Toen de lijkstoet enkele
dagen later, richting Zuid-Baskenland
reed, werd die in Pasaia, vóór
Donostia, tegengehouden door de Spaanse Politie. De kist werd in beslag
genomen, in een ziekenwagen overgeladen en onder “escorte” van de Spaanse politie overgebracht naar het kerkhof
van Bergara. Spanje vermeed op deze manier dat Monzón in elk dorp als een held
zou ontvangen worden, maar het leek nu wel op een Staatsbegrafenis!
Op 01.12.1970 voerde ETA voor het eerst een actie van “kidnapping” uit. De
“kid” was niemand minder dan de Duitse Ere-consul Eugen Beihl. Hij werd in
Donostia in een auto gestopt en waarschijnlijk meteen overgebracht naar het
laatste dorp van Noord-Baskenland aan de oostgrens met Bearn: Montory. Daar
werd hij ondergebracht in ….de pastorij. De bedoeling was hem in te ruilen
tegen de ETA-leden die in het Burgosproces dat twee
dagen later, op 3 december, de doodstraf riskeerden. De “tussenpersoon” van
ETA-kant in deze ontvoeringszaak was pastoor Piarres Larzábal, “Zoro de Sokoa”
(*)
Op een nacht toen de leden van de
plaatselijke toneelclub naar huis gingen zagen ze een man in pyjama door het
dorp lopen: Eugen Beihl! Ze brachten hem terug naar de pastoor met de opdracht
wat beter op zijn gasten te letten.
(*) Bij Pastoor Piarres
Lárzabal, konden Baskische vluchtelingen uit het Zuiden steeds terecht voor
“financiële en administratieve hulp”. Hij werd geboren in Azkaine in 1915. Zijn
vader kwam uit Urruña, zijn moeder uit Lesaka (Navarra). Zijn grootvader langs
vaderskant was naar het Noorden gevlucht om de Spaanse militaire dienst te
ontlopen. Zijn grootvader langs moederkant diende om dezelfde reden de
omgekeerde richting nemen! Op 19-jarige leeftijd had hij al een belangrijk
theatraal oeuvre bij elkaar geschreven. Na zijn studies in Parijs zag hij van
dichtbij de Spaanse Burgeroorlog aan de andere kant van de Muga. Zo werd
Aitzol, eveneens priester én schrijver door de Francotroepen opgepakt en
gefusilleerd nadat hij bij Lárzabal had ondergedoken gezeten. Na de inval van
de Duitse troepen in Frankrijk trad hij tot de Weerstand toe. Dit bracht hem in
concentratiekampen in Tsjecho-Slowakije, Polen en Duitsland. Nadat hij in 1943
werd vrijgelaten keerde hij consequent terug naar de “Résistance” en bracht het
tot commandant. Na de oorlog keerde hij terug naar zijn parochie Hazparne
en naar zijn engagement voor de Baskische Taal. Hij stichtte theatergroepen,
werkte mee aan vrijwel elke publicatie in het Baskisch en zelfs aan de
stichting van een boerenvakbond in Noord-Baskenland. In 1951 werd hij aangesteld
in Sokoa waar hij het witte kerkje bouwde. Maar vanuit zijn parochie
ontwikkelde hij een enorme activiteit. Zo verleende hij zelfs steun aan de
antikoloniale opstand tijdens de Algerijnse Oorlog. In 1960 was hij één der
stichters van Enbata, de politieke beweging die later in het tijdschrift Enbata
zou uitmonden. In 1968 stond hij met Telesforo Monzón aan de wieg van Anai
Artea, de organisatie die de ETA-vluchtelingen in het Noorden opving na hun
vlucht. (Waarschijnlijk kreeg hij toen de sympathieke bijnaam “Zoro de Sokoa”)
Ook werd hij lid van Euskalzaindia, de Baskische Academie.
Toen
tijdens het beruchte Burgosproces (1970) de Duitse ereconsul Beihl in San
Sebastián ontvoerd werd, trad Lárzabal op als tussenpersoon, waarbij hij
zich “Minister van Binnenlandse Zaken van een Vrij Baskenland” noemde. Toen
later bleek dat Beihl in een pastorie in Zuberoa had gezeten, werd het
duidelijk dat “Zoro” er wel eens meer van zou kunnen afgeweten hebben.
Intussen waagde hij het niet meer de Muga naar het Zuiden over te steken, uit
schrik gearresteerd te worden. Toen Frankrijk ETA-strijders aan Spanje begon
uit te leveren, stuurde Lárzabal alle eretekens die hij in de Weerstand
verdiende terug naar Parijs.
In
1978 schreef hij: “De strijd die ik met de pen en met het woord voer is ten
voordele van ETA. Ik wil hun objectieven bekend maken en verspreiden, maar ik
wil ook vechten tegen de vijanden van ETA.” Toen hij in 1979 op de hoogte werd
gebracht van de aanslag op zijn vriend “Peitxoto” werd hij het slachtoffer van
een blijvende gedeeltelijke verlamming.
Kort
vóór zijn dood (op 12 januari 1988) bleek dat de industriëlen uit het Zuiden
hun “revolutionaire belastingen” in zijn kerkje kwamen “overmaken”! Ze moesten
enkel vragen naar “señor Oxia”.