Infiltranten


De rol van de “mollen” in ETA
Vanaf de jaren 1970 was er sprake van infiltratie in de rangen van ETA. Guardia Civil Andrés Pastrana, werd op zending gestuurd naar Irún. Pastrana vertrok naar Frankrijk en nam contact op met de toenmalige leiders van ETA, Txomin Iturbe en Javier Aya Zulaica, aan wie hij zich voorstelde als lid van de Guardia Civil die radicaal gekant was tegen de politieke situatie in Spanje. Hij bood dan ook zijn samenwerking aan, werd onderworpen aan harde ondervragingen, en werd uiteindelijk toegelaten. De samenwerking omvatte een periode van verscheidene maanden, waarin Pastrana, door zijn informatie, een groot aantal Etarras kon laten arresteren.
De belangrijkste infiltratie in de rangen van ETA is die van Mikel Lejarza Eguia, “El lobo”, in de jaren 1973-1975. Hij infiltreerde in de commando’s van ETA-pm en was verantwoordelijk voor de arrestatie van meer dan 40 leidinggevende figuren van deze organisatie, in Madrid en Barcelona in 1975. Eind 1975 werd hij door ETA ontmaskerd, maar door toedoen van de geheime diens SECED werd hij in veiligheid gebracht.
Een andere infiltrant was Jesús Arrondo Martín, “Cocoliso”, die er in 1974 in slaagde een groep activisten, afgescheiden van ETA om een onafhankelijk commando te vormen, naar Spanje te brengen. De groep werd onderschept op 20 mei 1974. Cocoliso overleed later ten gevolge van verkeersongeval.
Nog een ander geval is dat van José Antonio Anido Martínez, die het tot chauffeur bracht van Mikel Albizu, “Antza”. Hij werd in 1995 ontmaskerd, maar wist te ontkomen.
Een laatste geval kunnen we situeren tijdens de periode van een het staakt-het-vuren door ETA afgekondigd tussen 16 de september 1998 en 27 de november1999.
Op 5 november 1998 bevestigt Aznar dat hij ter beschikking stond voor een dialoog met ETA. Na voorbereidende gesprekken te Burgos, werd verzamelen geblazen in Zürich (Zwitserland) op 19 mei 1999. Deze ontmoeting, die amper twee en een half uur duurde, leverde geen resultaten op, omdat Aznar weigerde het zelfbeschikkingsrecht van de Basken te aanvaarden en niet wilde onderhandelen over politieke kwesties. Alhoewel er een akkoord bereikt werd over een tweede ontmoeting, slaagde men er niet in een datum vast te leggen. Gevolg: geen tweede ontmoeting. Dit leidde tot het verbreken van het wapenbestand in juli 1999, pas bekendgemaakt in november 1999. Het ministerie van Binnenlandse Zaken, met als titularis Jaime Mayor Oreja, heeft altijd verklaart dat ETA het staakt-het-vuren had afgekondigd om de gewapende organisatie te kunnen herstructureren en de infrastructuur weer op punt te stellen. Hij verklaarde dat hij informatie uit eerste bron had. Tot maart 1999 immers, had de CNP, de Cuerpo Nacional de Policía, een infiltrant in ETA (commando “Donosti”), die opereerde onder de initialen E.T.B. (Aranzazu Berradre) en samenwerkte met Sergio Polo en Kepa Etxebarría. Hij kwam tot de overtuiging dat ETA het staakt-het-vuren had uitgeroepen om de organisatie weer op punt te stellen en na 1 jaar zonder aanslagen de afspraken te verbreken. Sergio Polo en Kepa Etxebarría werden gearresteerd. Het commando “Donosti” werd ontmanteld en de dag voordien werd de leider van het militaire apparaat, Francisco Javier Arizkuren Ruiz, “Kantauri”, aangehouden. Bij de in beslag genomen documenten was er bijzonder interessante informatie te vinden.
E.T.B. of Aranzazu Berradre verdween een paar uur voor de ontmanteling van het commando en kon op uiterst geheime plaatsen in Ceuta, Melilla, Madrid, Pamplona en Barcelona onderduiken.




















