Woensdag 25 april 2007
De Nieuwe Laarsjes

1943 - 1944 ? Omdat de ruwe stof waaruit onze
korte broekjes gemaakt zijn aanvoelt als schuurpapier zien onze
billetjes na enkele dagen al vuurrood. Het weefsel is afkomstig van de
legerkapot waaraan pa nu toch niks heeft vermits hij opgepakt is om in
Duitsland te gaan werken.
Ons moeder is geen grote naaister
en ze moet zich bovendien nog behelpen met wat er voor handen is. Geld
uitgeven aan kleding kan ze niet omdat ze amper genoeg verdient om eten
te kopen voor haarzelf en haar twee jongens.Als ze een stukje voering krijgt van de Rozine, de buurvrouw, naait ze dit tegen de binnenrand van de broekpijpjes en na verloop van tijd geneest de roodheid vanzelf.
Weinig kinderen krijgen nieuwe kleren tijdens de oorlog, wij ook niet, maar we voelen ons allerminst ongelukkig.
Schoenen dragen we niet: we hebben er gewoon geen.
Bovendien lopen we tijdens de zomermaanden meestal op blote voeten, zowel op straat als in huis. Op die manier sparen we ook nog onze houten klompen waarmee we naar school gaan.
Klompen zijn een gemakkelijk en betaalbaar schoeisel en ze worden gemaakt door Blokske de klompenmaker.
Voor weinig geld maakt die man uit een ‘blok’ populieren of wilgenhout, een klomp. Het is wonderlijk hoe snel hij dat kan klaarspelen en we zitten met open mond te kijken naar zijn vaardige handen. Hij neemt de maat van onze voetjes met een meetstokje en na amper een uur wachten zijn de klompen klaar.
Ooit heb ik eens blokschoenen gehad. Deze ‘schoen’ heeft een houten zool met daarover een lederen kap, zodat hij beter aan je voet houdt en veel lichter is dan een klomp. Je kon er ook sneller mee lopen. Trouwens als je snel moet wegkomen, dan schop je beter de klompen uit, neemt ze in je handen en rent er blootsvoets vandoor, twee keer zo snel!
Onze klompen zijn regelmatig stuk. Het populierenhout is vrij licht maar niet erg sterk. Dikwijls moeten we weken lang naar school met klompen waar een stuk uit is of een barst in zit. Pa bindt er een ijzerdraad rond en dan houden ze het nog een tijdje uit.
Iemand die nooit klompen gedragen heeft is onze goede vriend en buurjongen Eugène. Hij woont in een bijhuis van de boerderij, rechtover de weide waar boer René zijn koeien laat grazen.
Eugène is enig kind en zijn moeder doet alles om hem te beschermen. Het gezin heeft vóór de oorlog een kind verloren, door ziekte, en nu mag ‘Ons Eugèneke’ niets gebeuren of te kort komen.
Zijn vader is trambestuurder in Brussel en moet niet voor een hongerloon in Duitsland gaan werken zoals vele andere vaders.
Alle jongens zijn stikjaloers op 'de Gène', wanneer deze op een mooie dag rubberlaarzen krijgt. Hij is niet weinig fier als enige jongen door plassen te kunnen stappen zonder natte voeten te krijgen.
‘s Avonds spelen we met de buurtjongens op de straat vóór het huis van Eugène, en zoals elke avond rond dezelfde tijd steekt Maria, zijn moeder, haar hoofd buiten de deur en roept:
‘Eugèneke ge moet uw papje nog komen eten!’
Het huis van Maria is altijd kraaknet en er mag nooit iemand naar binnen zonder eerst zijn klompen of schoenen uit te doen.
Eugène is goed opgevoed en doet plichtgetrouw zijn rubberen laarsjes uit, laat ze buiten op de stoep staan, en gaat op kousenvoeten naar binnen.
Boer René komt de straat over, doet het ijzeren hek open en haalt de koeien van de wei waarna hij ze naar de stal brengt om ze te laten melken. Het hek blijft openstaan tot de volgende ochtend als het vee terugkomt.
Dit is meteen het sein voor de jongens om in de wei te gaan voetballen.
Het is vrij koud en we houden onze klompen aan en bij gebrek aan een bal trappen we maar op een leeg conservenblik.
Den Elias, een voorvechter en kwajongen eerste klas, is ook van de partij en trapt het blik pardoes in een koeienvlaai.
‘Slim, hé?’ Zegt Verbiske, een andere schelm, ‘ge kunt het maar weer proper maken hoor!’
Den Elias zijn oogjes blinken.
‘Wacht, mannen... ik heb een idee!’
Voorzichtig vist hij het besmeurde blikje uit de verse koeiendrek en schept het tot aan de rand vol met de donkergroene smurrie. Dan sluipt hij naar de voordeur waar de laarsjes staan. Plots begrijp ik zijn bedoeling.
‘Nee Elias, dat gaat ge toch niet doen zeker?’
‘Jawel...’ grinnikt hij, en giet voorzichtig de helft van het vieze goedje in elke laarsopening.
Hij werpt de pot weg en begint dadelijk te roepen:
‘Allé Gène… waar blijft ge jong? Seffens is het donker en kunnen we niet meer spelen.’
‘Ik kom al.’ Horen we een gedempte stem achter de deur.
De schrik slaat mij in de benen en ik zie dat iedereen zich al stilaan uit de voeten maakt.
Nog nagenietend van zijn lekkere vanillepap veegt Eugène zijn mond schoon met de rug van zijn hand en springt bijna met beide voeten tegelijk in zijn nieuwe laarsjes.
Als uit een champagnefles spuit de stront langs zijn billen omhoog en dringt, via de pijpen van zijn korte broek, diep naar binnen.
‘Weeë!’ Schreeuwt hij en staat letterlijk aan de grond genageld.
‘Help mij, pa ..., ma ... help mij! Pa!’
Wij kunnen ons niet meer inhouden en schateren het uit.
Op een paar meter van hem ligt Elias kromgebogen van het lachen. Met beide handen slaat hij op zijn knieën van dolle pret.
Als de bliksem gaat de voordeur achter Eugène opnieuw open en de trambestuurder verschijnt in het deurgat.
‘Wat gebeurt er hier?’ Vraagt hij en zijn rode kop draait driftig heen en weer. Als hij beseft wat er gaande is wordt zijn hoofd zo mogelijk nog roder.
‘Wie heeft dat gedaan?’ Brult hij. ‘Wie doet er onze Eugène zoiets aan? Wie is die lafaard?’
Ziedend van woede vliegt hij naar de dichtstbijzijnde rakker: den Elias.
Deze kan hem maar net ontwijken en probeert weg te komen.
Dit gaat slecht aflopen.
De pestkop beseft dit ook, werpt vliegensvlug zijn klompen uit, en rent voor zijn leven.
Jean doet verwoedde pogingen om hem te grijpen maar Elias blijft telkens net buiten zijn klauwen. Daarop krijgt de tramman één van zijn bekende astma-aanvallen en staakt noodgedwongen de achtervolging.
Vol machteloze woede balt hij zijn vuisten.
‘Rotzak…! Gij vuile stinkende… ! Dat…dat… zult ge bekopen!’ Hijgt hij, terwijl hij steun zoekt tegen de muur van de graanschuur.
De rakker staat er op een veilige afstand naar te kijken. Het lachen is hem vergaan en vol spanning wacht hij af.
Nieuwsgierig naar al dat lawaai is nu ook Maria buitengekomen. Wanneer ze haar arme oogappel ziet wenen slaat ze van ontsteltenis de handen voor haar mond.
‘Maar jongen toch, hoe heb je dat nu toch gedaan?’ Ze begrijpt niet hoe het komt dat haar lieveling zo helemaal onder de viezigheid zit en stinkt als de pest.
Intussen hebben de andere jongens zich al teruggetrokken. Niemand had verwacht dat dit ‘grapje’ zulke felle uitbarsting van woede tot gevolg zou hebben.
Stilaan druipen we af naar huis terwijl het slachtoffer door zijn ouders wordt getroost en naar binnen gebracht.
Dagenlang loopt Elias met een grote boog rond het huis van Eugène. Hij blijft erg op zijn hoede, vooral als hij weet dat Jean thuis is.
Eugène heeft later nog heel wat pesterijen moeten ondergaan maar hij heeft er geen trauma aan overgehouden en bleef voor ons altijd een fijne kameraad.
Geschreven door Fikske om 00:00
Reageer op dit bericht




















2 reacties op dit bericht
Neem het maar weg ik schrijf wel een ander.
wat mooi en leuk