Donderdag 26 april 2007
Mathileke Vis
De pastoor verschiet geen klein beetje wanneer hij hoort dat ze opnieuw wil gaan trouwen. Na de vroegmis houdt hij haar staande en valt dadelijk met de deur in huis.
‘Wat hoor ik nu Mathileke,’ zegt hij berispend, ‘uwe man is nog geen drie maanden gestorven en gij wilt al opnieuw gaan trouwen!’
‘Luister eens hier meneer pastoor,’ zegt ze bedaard, ‘van een dood varken kunt ge eten maar van een dode man niet.’ Die zit!
Een stoute tong heeft ze altijd al gehad, dat weet de priester. Toch beseft ook hij dat ze met de opbrengst van haar vishandeltje met moeite haar vier kinderen kan grootbrengen. Maar nu al voor de dérde keer gaan trouwen? 't Is toch rap.
Mathileke blijft nochtans niet bij de pakken zitten want na de dood van haar éérste man zoekt ze dadelijk een inkomen door thuis vis te verkopen. Haar kinderen, Victor en Lisa, zijn nog te klein om alleen gelaten te kunnen worden.
Uit haar tweede huwelijk worden Jef en Louis (mijn vader) geboren maar ondertussen heeft ze een jong meisje bereid gevonden om op de kinderen te passen terwijl zij haar viskarretje door de straten van Kraainem en de omliggende dorpen stoot.
‘Vis! Verse vis!’ Al van ver herkennen de mensen haar schelle stem.
Het duurt niet lang voor ze van haar spaarcentjes het huisje kan inkopen dat ze tot nu toe gehuurd heeft. Dan sterft haar tweede...
Weer staat ze er alleen voor maar ze is er de vrouw niet naar om lang te treuren.
Met dubbele ijver duwt ze haar kar en schreeuwt luider dan ooit.
‘Vis! Verse vis!’
Op één van haar rondes leert ze Mon, de steenbakker, kennen.
Mon Vitesse - zoals de mensen hem noemen - is een harde werker die goed geld verdient. Meer moet Mathileke niet weten.
Toch blijft ze, eens opnieuw getrouwd, verder haar vis verkopen.
Pas als alles verkocht is gaat ze naar huis. Wanneer er iets overblijft moet zij of de kinderen het opeten.
Haar derde vent lust gene vis ... maar toch krijgt ze bij hem opnieuw twee kinderen, Yvonne en Julia.
Mon Vitesse was mijn dooppeter.
Het enige wat ik me van hem kan herinneren was die vermoeide blik waarmee hij me roerloos zat aan te staren als ik mijn Nieuwjaarsbrief voorlas.
Daarna diepte hij twee vijffrankstukken op uit zijn vestzakje en gaf ze met een plechtig gebaar. ‘Hier zie, en niet op doen hé!’ ‘Nee peter. Dank U peter.’
Ieder jaar hertzelfde ritueel. Ik hield er minstens de helft aan over want de brief kostte nooit meer dan vijf frank.
Eén keer, ik weet niet wat mij bezielde, had ik een heel mooie brief gekocht van zeven frank! Die dag was Mon viesgezind of dronken want ik kreeg slechts één geldstuk.
Toen ik mijn hand opendeed moest ik op mijn onderlip bijten om niet te huilen van spijt: Twee frank verlies!
Wat peinst gij wel wat dat is, als ge maar één frank zondag krijgt?
Het was meteen de laatste Nieuwjaarsbrief die hij gekregen heeft.
Ondanks het harde werken leefde mijn grootmoeder nog vijftien jaar langer dan haar derde man.
Toen ze begraven werd spraken de mensen vol bewondering over haar; ‘Het moet toch een sterke vrouw geweest zijn hé,... zes kinderen groot kunnen brengen en ondertussen nog eens drie mannen verslijten ook,...’
Geschreven door Fikske om 00:00
Reageer op dit bericht




















1 reactie op dit bericht
Ben hier nog eens..
Ja, eens dat ik begin te vertellen weet ik van geen ophouden, maar gij ook niet zie ik, want dat van uw grootmoeder(?) stond er gisteren nog niet. Een Fikse vrouw zou ik zo zeggen...en goed vertelt.
t'Is dat er nog ander dingen te doen zijn ook, en dat met diene pc niet altijd alles op wieltjes loopt. Allez ik wil zeggen dat hij niet altijd doet wat IK wil.
In elk geval ik ben toch blij dat ik met dat blog begonnen ben, een echte uitlaatklep. Ik heb er juist nog een verhaal bijgeplaceerd, en ga aan een nieuw beginnen werken zie....
Ik ga mij nu niet riskeren van die logo nog eens te zetten, ge weet gij toch wie ik ben
Groetjes....en tot ....