Dinsdag 10 april 2007
Koekelberg

Vaak heb ik mijn hersens gepijnigd om te weten te komen wat nu eigenlijk mijn verste herinnering is die ik heb. Ik was nog heel jong toen de oorlog uitbrak, maar hoe hij voor ons eigenlijk begon weet ik niet meer.
Slechts één bepaalde gebeurtenis, die duidelijk nog moet hebben plaatsgevonden vóór het uitbreken van die oorlog, staat me nog vrij scherp voor de geest.
September 1939 : Algemene mobilisatie!
Ik ben bijna vier jaar en Mil, mijn broer, drie, als ma ons die zondagochtend meeneemt naar Koekelberg.
Dat het zondag is weten we omdat ma ons vandaag een proper hemdje aantrekt en onze haren kamt.
‘Vooruit,’ zegt ze, ‘we moeten ons haasten. Geef mekaar de hand! Ik wil jullie onderweg niet verliezen.'
Ze pakt mijn jongere broer bij de arm en met haar andere hand grijpt ze de zware boodschappentas.
‘Treuzel toch zo niet Roger, kom buiten!’ Ze staat al met de klink van de voordeur in haar hand en ik kan nog maar net tussen de deur doorglippen voordat ze wordt dichtgeslagen.
Met zijn korte beentjes trippelt Mil aan haar hand. Hij moet wel lopen want ons moeder sleurt hem voort.
Ik heb moeite om hen bij te houden en wanneer ik het vrije handje van mijn broer kan vastgrijpen gaat het beter; we bengelen samen achter de locomotief aan ... Als we bijna aan de tramhalte zijn slaakt ma een gilletje en blijft even staan.
‘God! Ik vergat de deur op slot te doen!’ Even twijfelt ze of ze zal teruglopen maar de hoorn van het blauw trammetje klinkt al in de verte.
‘Ach, wat zou iemand nu bij ons komen stelen?’ Voegt ze er schouderophalend aan toe en versnelt haar pas.
‘Hij komt er aan ...’ Met een laatste spurtje halen we hem nog net.
Buiten adem laten we ons op de houten zitbanken neervallen. Oef, dat was op het nippertje. Nu wordt ma wat rustiger.
In Brussel moeten we nog een andere tram nemen, hij is geel en schokt veel meer dan het vertrouwde ‘blauwe treintje’ en bovendien doet hij niets anders dan bellen aan elke hoek van de straat.
Uiteindelijk rijden we voorbij een indrukwekkend bouwwerk en moeten uitstappen.
Op het grote grasplein rond de basiliek zitten vele Belgische soldaten in bosjes bij elkaar op de vochtige grond. Ze hebben hun geweren met de lopen tegen elkaar rechtop gezet. Het lijken wel kleine indianententjes.
Ma neemt ons bij de hand en gaat op zoekt tussen de vele groepjes. Ze vindt pa bij de kerk waar hij samen met enkele kameraden tegen de muur aanleunt. Hij heeft ons blijkbaar niet verwacht. Met een kreet van vreugde neemt hij ma even vast en daarna tilt hij mijn broer en ik gelijktijdig op alsof we twee pluimpjes zijn, zo licht.
Wij zitten nu elk op één van zijn armen. Onze gezichten héél dicht bij hem. De man ruikt naar aarde en nat gras.
Het kaki soldatenkostuum voelt erg ruw aan en schuurt onze blote billetjes rood. Wat ons aan pa het meeste opvalt is zijn soldatenmuts. Ze lijkt precies een omgekeerd bootje waar vooraan een rode flos bengelt die bij elke beweging heen en weer wiebelt over zijn voorhoofd.
We mogen tussen hem en ma op de grond zitten bij de soldaten en andere mensen met kinderen. Hij ravot met ons, rolt over het gras en wij springen bovenop hem en rijden paardje op zijn rug. Om beurten zet hij het rare bootje op zijn en onze hoofden. Wij schateren het uit.
‘Ik heb honger,’ zegt pa.
Uit haar tas haalt ma boterhammen die we samen snel verorberen.
Ze heeft ook nog een blikken doos met koekjes mee voor pa. De doos blijft dicht maar we mogen eens proeven van zijn rantsoen soldatenkoeken. Die koeken zijn beenhard en proeven naar karton.
Ma en pa strekken zich languit op het groene plein terwijl wij nog wat spelen met de andere kinderen.
Het wordt een kort afscheid want plots weerklinken de schelle tonen van een klaroen en moeten de mannen verzamelen. De soldaten lopen naar de indianententjes en breken ze snel af.
Haastig geeft pa een kus op de mond van ma en strijkt nog even met zijn zware hand door onze haren.
Daarna is hij weg.
Even later, in het gelid, de helm op het hoofd en het geweer op de schouder, marcheren alle soldaten de brede laan voor de Basiliek op.
Mijn broer en ik beseffen niet wat er gebeurt en weten niet wanneer we pa nog terug zullen zien.
Als ze uit het zicht verdwijnen merken we pas dat Mil nog steeds de soldatenmuts met rode flos op zijn kop heeft. Zijn witte haren steken fel af tegen de kaki kleur van het hoofddeksel.
Vliegensvlug ritst ma de muts van zijn hoofd en wil de soldaten achterna hollen maar ziet nog net de troep wegdraaien achter de hoek.
Er blinkt een traan in haar ogen wanneer ze ons bij de hand neemt Ze bijt op haar onderlip en zet de muts weer op Mil zijn witte kop.
‘Jij bent de kleinste,’ zegt ze, ‘ hou jij ze maar…’
Geschreven door Fikske om 00:00
Reageer op dit bericht



