Mijn eerste belevenissen op een fiets voor volwassenen kan ik me nog levendig herinneren. Het
is vlak na de oorlog. Mijn vader heeft een verroestte, zware herenfiets
weer opgelapt en van nieuwe banden voorzien. Op zondag, als onze ouders
naar hun ouders in Kraainem rijden, mogen mijn broer (8) en ik (9)
samen met papa op zijn stalen ros plaats nemen; ik vooraan op de buis
en mijn broer achteraan op de bagagedrager. Met
haar oude vrouwenfiets kan mama ons nauwelijks volgen en wij schokken
van het lachten als vader sneller begint te trappen telkens als ze ons
bijna heeft ingehaald.
Het is met de fiets van ma dat pa ons leert rijden. Het zadel wordt in de laagste stand gezet, maar toch zijn onze beentjes nog te kort om zittend tot bij de pedalen te geraken. Dan maar op de trappers blijven rechtstaan zeker? Na een korte leerperiode kunnen we, al heen en weer waggelend, het tuinpad op en af fietsen zonder te vallen. Als
pa en ma uit werken zijn naar Brussel proberen we om zelfstandig de
straat op te rijden en zo tot bij Tenne in Kraainem te geraken. Er
is echter één groot probleem; we hebben maar één fiets waar we kunnen
mee rijden, en die grote herenfiets van pa staat daar maar... en kijkt
uitnodigend naar ons! Mijn
broer Mil heeft al moeite om het vehikel gewoon recht te houden als hij
er gewoon naast loopt maar af en toe plaatst hij nu al zijn linkervoet
op een pedaal en duwt zich met zijn andere voet voort. Een paar keer rijdt hij op die manier het tuinpad op en af. ‘Zo komen we niet vooruit,’ zegt hij ‘het gaat te traag, dan kunnen we beter te voet gaan.’ Na
enkele pogingen wil hij het opgeven maar plots steekt hij zijn
rechterbeen door de opening tussen buis en kader en zoekt met beide
voeten op de pedalen al kwakkelend zijn evenwicht. De
kleine rakker is altijd al haantje de voorste geweest en na enkele
valpartijen in de graskant langs de weg lukt het hem toch om zich recht
te houden. We
rijden zo weinig mogelijk langs de straat en komen langs de Groeneweg,
een weg dwars door de velden, in Kraainem bij Tenne aan. Die valt bijna achterover van het verschieten als ze ziet op welke grote fietsen we tot daar zijn geraakt. ‘Niet aan ma en pa zeggen hé Tenne? Anders mogen we nooit meer komen.’ ‘Ja, het is al goed, als jullie beloven van voorzichtig terug te rijden.’ Dat beloven we plechtig maar op de terugweg naar huis wil ik ook wel eens met die grote fiets rijden. Onder
de buis door lukt het me niet maar mijn benen zijn iets langer dan die
van mijn kleinere broer en boven op de Warandeberg klauter ik over de
buis terwijl Mil me recht houdt. 'Hop! Loslaten!' Daar ga ik hotsend en botsend de kasseistraat af. Met
grote moeite kan ik mijn stuur vasthouden en van remmen is al helemaal
geen sprake. Tot overmaat van ramp schiet mijn linkervoet van de
trapper en komen mijn edele delen met een onzachte kwak op de buis
terecht. 'Ai,
ai, ooo aaa iii' Schokkend en schreeuwend als een speenvarken
blijf ik over de buis hangen tot mijn vaart wat vermindert op de
helling naar de kerk toe. Ik
ben blij dat ik me kan laten neervallen in de graskant en wanneer ik
van pijn mijn ogen dichtknijp zie ik voor het eerst in mijn leven
sterren bij klaarlichte dag. Voorzichtig schuif ik mijn linker broekspijpje naar omhoog om te kijken hoe erg het met mij gesteld is. De
ravage tussen mijn benen is niet om aan te zien. Het zakje wordt
stilaan helemaal bauw en het slangetje vertoont sporen van
mishandeling!
Al
bij al heb ik nog geluk. Bij de eerste slag op de fietsbuis schoten
mijn balletjes omhoog in mijn buikholte en bleef ik gespaard van een
onvermijdelijke castratie. Later is alles nog goed gekomen. Tenminste, mijn vrouw heeft nooit geklaagd en wij hebben drie kinderen waarvan er toch twee sterk op mij gelijken... zegt men.
De tijd van toen... 1940 - 1960
eindigt hier en ik begin een nieuw blog
Na... de tijd van toen. - Vanaf 1960 https://blog.seniorennet.be/fikskes_verhalen2/
Maar toch komen er nog nieuwe herinneringen Die plaats ik dan maar hierboven...
‘Haast je wat,’ zegt mijn vrouwtje, ‘Om 10 uur begint de mis en ze worden al om kwart vóór in de kerk verwacht.’
Greta, de dochter van Bert - mijn
kersverse schoonbroer - doet vandaag haar Plechtige Communie en ik heb
beloofd om zijn gezin naar de kerk te brengen met de ‘voiture’ van mijn
vader.
Ik heb mijn paasbeste kleren aan, mijn trouwkostuum, een nieuw wit hemd met bijpassende das en nieuwe schoenen.
Vinnig stap ik naar het huis van mijn ouders om de Borgward op te gaan halen.
Pa was niet erg happig om mij zijn nieuwe auto uit te lenen maar stemde uiteindelijk toch toe.
Een beetje buiten adem kom ik de
hoek om en zie dat de auto al uit de garage is gereden en klaar staat
om te vertrekken. Mijn vader veegt nog even met een vod over het chroom
van het koetswerk en overhandigt me dan plechtig de autosleutels.
‘Al goed dat het voor je
schoonfamilie is,’ mompelde hij, en wanneer ik instap drukt hij me
nogmaals op het hart; ‘Wees maar voorzichtig hé, en maak geen brokken
...’
‘Nee pa, ik zal wel oppassen.’
Oef, eindelijk weg. Nu niet
overhaasten, zeg ik tegen mezelf, het is amper negen uur en alles bij
mekaar is het slechts twee kilometer rijden.
Bert heeft me zien aankomen en spoort zijn vrouw, zoon en dochter aan tot spoed.
Ik parkeer de auto met twee wielen op het voetpad, leg de motor stil en zeg met een plechtig gebaar naar de blinkende auto;
‘A votre service monsieur!’
Bert lacht dankbaar.
De communicant mag vooraan plaats
nemen, achteraan zullen ze wel met zijn drieën zitten. Gaby houdt het
kleed van haar dochter omhoog zodat het niet teveel over de grond
sleept en helpt haar bij het instappen.
Bert en Jos zitten al achteraan in de auto. Vlug slaat Gaby het autoportier met een klap dicht.
‘Pas op ma! Mijn kleed zit er
tussen!’ - Te laat. Als haar moeder de deur weer haastig openrukt ziet
Greta een zwarte streep dwars over de onderkant van haar wit kleed. Ze
kan wel huilen van woede en spijt.
‘Zie nu eens wat je gedaan hebt! Zo kan ik toch de kerk niet binnenkomen?’
‘Wacht, ik haal vlug wat water en
zeep ...’ Nerveus trippelt Gaby op haar hoge hakken naar de voordeur
maar keert zich bruusk om.
‘De sleutel,’ kirt ze.
Bert zoekt koortsachtig zijn zakken af en vindt hem uiteindelijk.
‘Hier, haast je!’
Een minuut later is ze bezig met het behandelen van de catastrofe.
‘Maar, je maakt die vlek alleen
maar groter!’ Zegt Bert die zich nu ook met de zaak gaat bemoeien.
‘Laat dat nu, seffens komen we nog te laat!’
‘Voilà, ge ziet het bijna niet meer.’ Gaby loopt vlug naar binnen om doek en zeep weer op te bergen.
‘Haast je mama,’ roept haar zoon en maakt het portier al open.
‘Hier! Je sleutels.’ Gaby werpt de sleutels naar Bert, propt zich op de achterbank en trekt voorzichtig de deur dicht.
‘Ze is niet goed gesloten...’ Probeer ik uit te leggen.
Een luide knal. Bang!
‘Nu wel!’
Voorzichtig rijd ik van het voetpad en als we vijftig meter verder zijn, slaat Gaby een hand voor haar mond.
‘God! Mijn sjakosch! Die heb ik op de keukentafel laten staan.’
Nog voor de auto helemaal stilstaat is ze er al uit, doet twee stappen en,.. ‘De sleutel!’
Bert tast in zijn vestzak; ‘Hier! Maak voort!’
Trippel, trippel. Op haar stelten huppelt ze naar de voordeur en glipt naar binnen.
‘Waar blijft ze nu?’ Bert kijkt geïrriteerd op zijn horloge en door de achterruit.
Trippel, trippel. Daar is ze terug; met handtas. De auto in. - Bang!
‘Rijden maar!’
‘We hebben alle tijd,’ zeg ik geruststellend. ‘Het is nog maar twintig na negen.’
Als we de hoek omdraaien horen we een scherp sissend gefluit.
Plots helt de Borgward een beetje over naar links.
‘Wat was dat?’ Vraagt Bert ongerust.
Ik stop, ga kijken en voel het koude zweet in mijn nek. ‘Platte band!’
‘Zeg dat het niet waar is!’ kermt mijn schoonbroer.
Allemaal uitstappen! Sorry.
‘We zullen moeten lopen. Nu komen
we zeker te laat.’ Bert bekijkt me met een boze blik en de familie
marcheert haastig in de richting van het dorp.
Hier sta ik nu. Een ogenblik aan de
grond genageld, maar dan schiet ik in actie, haal de krik en het
reservewiel uit de koffer en in geen tijd is het wiel vervangen.
De band is wel niet helemaal goed opgeblazen, maar dat kan wachten.
Zowat driehonderd meter vóór de kerk haal ik hen in.
‘Instappen!’ Zeg ik triomfantelijk en in geen tijd zitten ze weer allemaal in de auto.
Nog nahijgend maar tevreden en met
een stralende glimlach stappen ze twee minuten later uit de Borgward.
Iedereen heeft zag met welke dikke voiture ze naar de kerk werden gebracht.; Opdracht volbracht!
Diezelfde namiddag op het feest wordt er hartelijk gelachen met onze pech.
Het heeft me wel wat moeite gekost om mijn handen opnieuw proper te krijgen.
En mijn trouwkostuum? Dat heeft Tineke naar de droogkuis gebracht zeker?
Ik durf er niet aan denken dat er
misschien elk jaar opnieuw een periode zonder werk komt en ik zal
moeten gaan stempelen. Negen maand geleden zijn we
getrouwd en nu al wordt ik door mijn nieuwe werkgever (nonkel Fik) bij
de eerste vrieskoude voor onbepaalde tijd op den dop gezet. Vorstverlet noemen ze dat in de bouw. Er wordt beloofd dat ze zullen
verwittigen als we opnieuw aan de slag kunnen maar ondertussen moet
iedereen wel elke dag een stempel halen op het gemeentehuis. Dit is de eerste keer dat we van de werklozensteun zullen moeten leven. Tien jaar lang heb ik bij mijn vader gewerkt, zonder één dag verlet, hoe kan dat nu? Gelukkig hebben we nog een beetje extra inkomen van het kruidenierswinkeltje dat Tineke van haar moeder heeft overgenomen. Ik schaam me om iedere dag, met
mijn dopkaart, te moeten aanschuiven in de lange rij stempelaars. Na
drie weken kan ik het niet langer uithouden en zoek ander werk. Wanneer de vrieskou voorbij is en
we opnieuw mogen beginnen, bedank ik mijn nonkel en zeg dat ik al een
week, als halve gast loodgieter, aan het werk ben bij de firma Van
Elewyck te Brussel. In de weken en maanden die nu
volgen dub ik me suf over hoe ik in de toekomst zou kunnen vermijden om
nog zonder werk te geraken.
Dan gebeurt er iets waar ik nu nog altijd dankbaar voor ben. Ondanks het feit dat we krap bij
kas zitten koopt Tineke voor mijn verjaardag een boek dat grotendeels
mijn leven zal veranderen... Meulenhoff geïllustreerde elementaire encyclopedie: Natuurwetenschap. Doordat ik slechts lagere school
heb gelopen weet ik bijna niets over al hetgeen daar in staat. De leer
der atomen, de moleculen, energie, de kracht van elektriciteit en
magnetisme, onderzoek van het heelal enz. … het is een openbaring! Bovendien koopt Tineke me voor
Nieuwjaar nog een kleine microscoop omdat ik daar zo zot van ben en
dingen die in mijn boek beschreven staan wil ‘onderzoeken’. Plots vind ik alles fantastisch en wil allerlei proeven doen. Mijn interesse gaat vooral uit naar elektriciteit en elektronica. Achter het huis in het fietsenhok
van mijn schoonvader ga ik nu eens onderzoeken hoe het mogelijk is dat
men door elektrolyse, water in twee soorten gas kan splitsen. Waterstof
en zuurstof. Het lijkt me ongelooflijk. Met zelfgemaakte elektrodes uit koperplaatjes en een oude autobatterij bouw ik mijn elektrolyse toestelletje. Groot is mijn verbazing als ik aan
de twee polen in het water de gasbelletjes zie opstijgen. Met behulp
van twee omgedraaide lege limonadeflesjes vang ik de gassen op. Zuurstof ken ik al maar waterstof? Het schijnt zelfs dat het brandbaar is! Een gas dat uit water komt brandbaar? Dat wil ik wel eens zien! Voorzichtig houd ik de brandende lucifer bij de opening van het omgedraaide limonadeflesje… PANG!!!
Als mijn schoonpa me van de grond opraapt en verschrikt vraagt of ik niet gewond ben weet ik nog niet goed wat er gebeurd is. Gelukkig heb ik enkel maar een paar schrammen op mijn handen. Als ik uitleg hoe alles gegaan is, schudt mijn vrouwtje met haar hoofd. ‘Ongelovige Thomas toch!’ Ik moet haar beloven dat ik vanaf nu alles geloof wat er in dat boek staat en niet meer zal experimenteren.
Nog meer dan tijdens onze lange
verloving zijn mijn schoonouders in de weer voor ons. Terwijl mijn
vrouwtje in het kruidenierswinkeltje werkt schilt schoonmoeder, Julia,
de aardappels of snijdt de groenten voor de soep.
Als schoonvader 's avonds van zijn
werk thuiskomt eten we met zijn allen in dezelfde eetkamer en na het
afruimen vouwt Richard zijn krant open en bedekt er de halve tafel mee.
Gedurende de acht jaren die we bij hen inwonen is er nooit één woord ruzie of wordt er geen minuut gepruild.
Het is bij Richard en Julia altijd
'de zoeten inval' en bijna elke zondagavond komen hun kinderen en
schoonkinderen met hun gezin en wordt er in de grote eetplaats taart
gegeten, koffie en bier gedronken en daarna met de kaarten gespeeld en
vooral veel, héél veel gelachen.
Het eetmaal met kerstnacht is nog zo één van de tradities die absoluut in ere moet worden gehouden.
Al vanaf negen uur 'valt' iedereen
binnen en drinkt een paar glazen vooraleer zich naar de
middernachtmis te begeven. Na de mis - rond één uur - begint het
uitgebreide feestmaal en dit duurt meestal tot iedereen gaat slapen,
want blijven slapen is een must. Het is wel kamperen met matrassen en
kussens op de grond, zelfs tot in de keuken toe, maar het is vreselijk
gezellig en we lachen tot we in slaap vallen.
Onze schoonzus Margriet, de vrouw van Willy, komt met een idee aandraven.
'Op het werk zeggen ze dat kalkoen niet meer zo duur is en dat het toch héél wat beter is dan die traditionele kip altijd.'
'Ja maar, waar kunnen we zo 'n
beest gaan kopen? Ik heb die nog nooit bij onze beenhouwer gezien
hoor.' Zeg ik een beetje ongelovig.
'In de Grand Bazar, dat nieuw grootwarenhuis, daar zullen er wel zijn.'
'En als jij ze gaat kopen maken wij ze klaar hé, Clementine?'
Mijn vrouw knikt instemmend en ik begeef me op pad.
Stokkel is eigenlijk een
deelgemeente van Brussel en in de “Grand Bazar de Stockel” sprak men
toen (1960) nog bijna uitsluitend Frans, terwijl wij op school nooit
veel Frans hadden geleerd en hoe kalkoen in het Frans genoemd wordt
wist ik toen helemaal niet.
De beenhouwer van dienst vraagt nogal onvriendelijk.
'Qu'est-ce que tu veux, jeune homme?'
'Een kalkoen alstublieft ...' probeer ik schuchter.
'Un quoi?'
Ik slik even en zeg met gedempte stem: ' Un Kalkon ...s' il vous plait.'
'Quel poids?'
'Euh, Cinq kilos.' en ik steek vijf vingers in de lucht.
De man grijpt een beest en legt het op de weegschaal.
'Celui-ci pese 3 kilo, ca va?'
Door mijn handen te spreiden wil ik hem aan het verstand brengen dat ik een dikker exemplaar wil.
'Plus grand? Ca, je n'ai pas ... Deux alors?' vraagt hij, omdat ik blijft aarzelen.
'Euh, oui ... zeker?'
Hij grijpt een tweede vogel en legt hem bij de andere.
'Cinq kilos et demi. Voilà!' Hij pakt ze in, ik betaal en begeef me op weg naar huis.
Daar staan de twee jonge vrouwen al op mij te wachten.
'Laat eens zien hoe ze er uit ziet.' Zegt Tineke.
'Ik heb er zelfs twee' zeg ik fier.
'TWEE!' Schrikt mijn schoonzus. 'Wie gaat dat allemaal opeten?'
Griet grijpt de boodschappentas uit mij handen en legt het pak op tafel.
Haar mond valt open van verbazing.
'Maar ... maar, dat is geen kalkoen!'
Tineke beaamt dit en fronst haar wenkbrauwen - 'Wat heb je gevraagd?'
'Un kalkon ...' stotter ik en voel al dadelijk dat er iets mis is.
Griet proest het uit. ( ze werkt in Brussel en spreekt veel beter Frans dan ik. )
'Maar dat zijn twee eenden die je hebt!'
'Hoezo?' Ik moet haar schaapachtig hebben aangekeken want ze krijgt de slappe lach.
'Kalkoen, in het Frans, is niet 'kalkon' maar 'dinde'!
'Wat je hier hebt noemt men canard of canneton (eendenkuiken)!
Nu begint mijn vrouw ook te lachen en het 'kuiken' beseft plots zijn blunder en lacht hartelijk mee.
'Ja zeg, kalkON of cannetON, 't rijmt alle twee op -ON, hé?'
'Wat nu?' 'Het is te laat om nog terug te gaan, dus vandaag maken we eend, ook al verwacht iedereen kalkoen.'
'Weet je wat? We zeggen niks en maken die eenden klaar in de oven, misschien merken ze het niet eens ...'
Gabby mijn tweede schoonzus - een
struise boerendochter - komt, samen met haar kroost, langs de
achterkeuken binnen en snuift heel diep de braadlucht op.
'Mmm, dat ruikt hier al lekker naar kalkoen! Mag ik eens kijken?'
'Nee!' de twee kokkinnen springen
gelijktijdig voor de oven.
'Gaan jullie al maar aan tafel zitten,
het eten is bijna klaar.'
Iedereen heeft lekker gegeten en is vol lof over 'de kalkoen'.
Niemand heeft iets gemerkt en ze vinden het veel lekkerder dan kip.
'Het was een goed idee om eens iets
anders te eten dit jaar,' zegt Gabby,terwijl ze het laatste beentje
afknaagt. 'Ik wist niet dat kalkoen zo lekker is.'
'Weet je wat we volgend jaar zouden kunnen eten? Het schijnt dat het ook zeer lekker is; 'canard à l'orange' - En toen ging het licht uit ...
Twee dagen later komt de vrouw van de melkboer in de winkel.
Ze vertelt in geuren en kleuren dat
ze met kerstnacht bij haar pas gehuwde dochter mocht gaan dineren en
dat de kalkoen héél lekker was.
'Ja ons Christiane heeft eens iets nieuw uitgeprobeerd.'
'In 'Het Rijk der Vrouw' stond een recept van gevulde Kalkoen met truffels.'
'Het was allemaal héél lekker hoor, alleen, ... de saus was nogal zoet.'
'Ze zal volgende keer slechts 250 gram truffels van Leonidas gebruiken.'
Het is zover! De hele nacht heb ik liggen woelen
in bed maar vanavond,... slaap ik bij haar,... en laat ik met plezier
ons dubbelbed aan mijn broer die voortaan alléén zal moeten slapen. Ik kijk op de wekker en zie dat het
half vier is. Met een vlugge beweging spring ik uit bed en ga me
aankleden. Daarna rijd ik met de auto van pa naar de vroege markt in
Brussel om te halen wat Marie-van-de-consièrge - de kokkin - mij op een
papiertje heeft geschreven. Prinsessenboontjes, wortelen, erwten, tomaten, sla, etc. etc. Ik moet zo vlug mogelijk alle
koopwaar naar huis brengen want ze wil dadelijk al beginnen met
koken. Daarna moet ik me wassen en scheren want om acht uur verwacht de
pastoor ons in de kerk om te biechten zodat we 'vrij van zonden' in
onze trouwmis de communie kunnen ontvangen. Tweeënveertig genodigden zullen aan
het feestmaal deelnemen, hoofdzakelijk familie van Tineke. Van mijn
moeders kant komen haar drie zusters met hun man, maar van mijn vaders
familie komt er niemand. Nochtans zijn Tineke en ikzelf de
twee broers en drie zussen van pa persoonlijk bij hen thuis gaan
uitnodigen, maar ze vinden ons zeker niet belangrijk genoeg om naar het
trouwfeest te komen. 'Ach, als ze niet komen kost het je
minder.' Zeg ik luchtig tegen mijn schoonvader, maar ik weet dat hij
het zich aantrekt en die weigering opvat als een affront.
Vier jaar nadat we mekaar voor het eerst hebben gekust gaan we uiteindelijk trouwen. Mijn meisje is pas twintig en ik
amper twee jaar ouder, maar het wachten heeft lang genoeg geduurd en we
willen eindelijk, ... kindjes maken.
Het feest zal doorgaan in het huis
van haar oudste broer Bert. Hij is de enige van de familie wiens woning
groot genoeg is om alle genodigden te kunnen ontvangen. Bovendien is
het een nieuw huis en de familie uit “de Vlaanderen” zullen hun oogjes
nogal opentrekken.
Richard is in zijn nopjes. Zijn enige dochter gaat trouwen met
een kerel die hem wel aanstaat en waarmee hij goed kan opschieten.
Aanvankelijk zal het jonge paar, net als zijn twee zonen eerder, bij
hem komen inwonen en zodoende kunnen ze de huishuur uitsparen. De dag voordien is hij al naar het gemeentehuis geweest om te gaan ‘tekenen’ voor zijn minderjarige dochter. De ziekte van Parkinson belet hem om op de dag zelf, terwijl iedereen toekijkt, het trouwregister te ondertekenen.
Het is een drukke dag en ik ren van
hier naar ginder, maar om 9u30 sta ik met mijn bruidsboeket in de hand
aan de voordeur van mijn toekomstige schoonouders. Met een brede glimlach komt Tineke opendoen.  Ze is gekleed in haar zelfgemaakt wit kleedje en mijn bruidje ziet er stralend uit. Haar blauwe ogen schitteren zoals
ik ze nog nooit heb weten schitteren en als ik haar een zoen wil geven
trekt ze zich verschrikt terug. 'Pas toch op Roger, mijn lippen zijn pas geverfd!' Maar het is al te laat, een rode streep ontsiert de kol van mijn wit hemd. 'Zie nu eens. Gij altijd met uw
wild gedrag.' Zegt ze met een boze blik, maar dadelijk herpakt ze zich
en roept haar moeder die me komt helpen om opnieuw toonbaar te worden. Het euvel is vlug verholpen en in de
allerbeste stemming stappen we in de gehuurde autocar en rijden naar
het gemeentehuis voor het burgerlijk huwelijk. De burgemeester heeft
zich laten vervangen door de eerste schepen en deze is blijkbaar
gehaast om terug naar zijn paarden en koeien op de boerderij te gaan
want de plechtigheid is zeer kort. Hierdoor komen we veel te vroeg aan in de kerk en moeten nog wat wachten. Het wordt een prachtige
huwelijksmis en de kerk is mooi versierd met veel bloemen, kaarsen en
witte linten. Het lijkt wel een sprookje. Alles verloopt perfect en met een
brede glimlach en een ring aan de vinger stappen we fier door de poort
naar buiten waar enkele kinderen de weg afspannen met een dikke koord. Hierop ben ik echter voorbereid en
grijp in mijn vestzak naar een handvol éénfrankstukken en gooi ze
kwistig over de hoofden van de bengels die uit elkaar stuiven om ze op
te gaan rapen. De weg is nu vrij en we rijden naar
Jezus-Eik waar mijn vader nog absoluut een kriek wil betalen voordat we
naar het feest afzakken.
Bij het binnenkomen stijgen de
dampen al uit de keuken en ruiken we de verse tomatensoep met
balletjes. Het is wel krap zitten aan de geïmproviseerde tafels maar
uiteindelijk vindt iedereen zijn plaats. Er wordt gegeten en gedronken
en vooral heel veel plezier gemaakt tot laat in de nacht... De traditie wil dat het bruidspaar
blijft tot de laatste feestgangers vertrokken zijn en speciaal daarom
blijven enkele nonkels 'plakken' om ons een beetje te pesten. Pas rond vier uur kunnen mijn kersvers bruidje en ik naar huis wandelen. De nacht is mooi en onderweg maken we plannen voor de toekomst. We zijn echter doodmoe en wanneer
we uiteindelijk in ons bedje belanden besluiten we om met de uitvoering
van die plannen maar te wachten tot de volgende ochtend …
Onze trouwdag komt steeds
dichterbij en alle voorbereidingen voor het feest zijn al getroffen.
Mijn toekomstige schoonouders zijn fantastische mensen, en al hebben ze
zelf niet veel, toch willen ze ons op alle mogelijke manieren helpen.
Tineke mag het kruidenierszaakje
van hen overnemen en voor het betalen van de winkelvoorraad krijgen we
alle tijd. Bovendien kunnen we, net als haar twee broers
voordien, de eerste jaren van ons huwelijk bij hen gratis ‘inwonen’.
Met het oog op komende kinderen krijgen wij zelfs de grootste slaapkamer.
Mijn familie trekt zich van al die
drukte niet veel aan want zoals het vroeger altijd ging wordt het feest
gedaan bij, en betaald door, de ouders van het meisje,... punt uit.
Ik werk nu al bijna tien jaar bij
mijn ouders in het atelier en nog nooit hebben ze mij een 'pree'
(wedde) betaald. Mijn broer en ik werken eigenlijk voor ‘kost en
inwoon’ en zijn tevreden met 300 frank zondag.
Op de vraag of ik er na mijn huwelijk kan blijven werken zegt mijn vader.
‘Als ge content zijt met 25 frank per uur, dan wel ja.’
Verder wordt daar niet meer over
gesproken maar vier weken vóór de trouwdatum wil ik toch wel weten hoe
ik ga betaald worden en of mijn gezin kan genieten van
ziekteverzekering, kindergeld, en zo meer ...
Hierop kan pa niet dadelijk een antwoord geven maar zal het vragen aan de man die zijn belastingpapieren invult.
Die bewuste vrijdag namiddag komt
hij terug in het atelier en zegt onomwonden dat ik maar zelf moet
opdraaien voor al die - sociale - extra's, want volgens de ‘boekhouder’
is hij niet verplicht om dat voor mij te betalen.
Bovendien is er op dit ogenblik
niet zo veel werk in het atelier en vermits ze met hun drieën het werk
wel aankunnen mag ik gerust gaan ...
Om zijn besluit kracht bij te
zetten telefoneert hij dadelijk naar zijn broer, die aannemer is en
vraagt of hij me niet kan gebruiken als loodgieterhelper.
De maandag daarna ben ik al aan het werk bij mijn oom en verdien er 20 frank netto per uur.
Mijn schoonouders begrijpen niet
hoe mijn pa dit kan doen maar ik maak me geen zorgen en bovendien, in
het vooruitzicht van ons huwelijk kan mijn geluk niet stuk.
Als huwelijksgeschenk krijg ik van mijn ouders vijfentwintigduizend frank en daarmee is voor hen de kous af.
Toch zijn we er blij mee want we kunnen nu een slaapkamer en een eetkamer kopen.
De verhouding met mijn ouders was
wel enigszins afgekoeld maar nooit zijn Tineke en ik bij ons thuis
weggebleven en minstens één keer per week gingen we hen opzoeken.
Later zal blijken dat wij door deze
teleurstelling gesterkt werden en dat mijn vader, mij ongewild een héél
grote dienst heeft bewezen.
‘Proficiat iedereen, het was een overweldigend succes!'
Na afloop van de voorstelling komt Jules Tegenbos, onze regisseur, naar beneden in de “kleedkamers” om ons te feliciteren.
Onder het podium is een diepe kuil, een soort kelder, die wij als kleedkamer gebruiken.
Jongens en meisjes, mannen en vrouwen, iedereen kleedt zich om in diezelfde ruimte.
Op de aarden vloer wordt krantenpapier opengelegd om onze kleren niet vuil te maken bij het aan- en uitrekken.
Twee dagen na elkaar zat de
parochiezaal afgeladen vol.
Slisse en Cesaer is een kaskraker. Als 't
maar om te lachen is dan komen de mensen wel graag kijken.
'Het bestuur van de toneelkring van
Kraainem zou graag hebben dat we dit stuk ook bij hen komen spelen,
zij zelf spelen niet deze winter.'
Hij kijkt triomfantelijk om zich
heen en ziet goedkeurende blikken en jaknikkende hoofden.
'Wat denken jullie ervan?'
Overbodige vraag eigenlijk, want iedereen wil dit successtuk nog graag eens op de
planken brengen in het naburige dorp.
Vier weken later is het dan zo ver.
We zijn allemaal in opperbeste stemming en vinden het niet zo erg dat we eigenlijk slecht gelogeerd zijn.
De zaal is wel in orde en ze zit
afgeladen vol, maar achter het podium is het een echte ramp.
We moeten
ons omkleden achter de toneelschermen want van een kleedkamer of aparte
ruimte is er helemaal geen sprake.
Gelukkig hebben de organisatoren
voor een paar bakken bier en frisdrank gezorgd en ook voor twee zakken
pistolés met hesp en kaas.
Honger en dorst zullen we niet hebben, dat is toch al iets.
De opvoering loopt lekker en we vergeten het gebrek aan comfort achter de schermen.
Na het eerste bedrijf vraagt één van de meisjes waar ze ergens naar het toilet kan.
Goede vraag, maar niemand weet waar
het zich bevindt want achter het podium is er nergens een deur naar
achter te bespeuren.
'Dan zullen we maar naar het WC in het café gaan en moeten we maar door de zaal lopen, zeker?'
'Ha, nee dat kan niet als je gekleed en geschminkt bent.' Roept Jules.
'Ja, maar het wordt toch dringend zulle.'
'Ik moet precies ook gaan,' zegt een tweede.
Jules weet geen raad en kijkt zoekend in het rond.
'Is hier gene emmer of zo?'
'Allé Jules, dat gaat ge ons toch niet aan doen zeker?'
André heeft al een oplossing gevonden, tenminste voor de mannen.
'Hier zie, die flesjes bier zijn al leeg, je kan ze terug vol pissen, maar zet ze dan wel niet opnieuw in den bak hé!'
Hij voegt meteen de daad bij het woord, gaat achteraan in een hoek staan en pist een eerste flesje vol.
Jefke kijkt een beetje gegeneerd naar hem en maakt een afkeurend gebaar met zijn slap handje.
'Wel, ge kunt van mij zeggen wat ge wilt maar ik vind dat toch niet proper zulle.'
André trek zijn schouders op en grijpt al naar een tweede flesje.
'Nood breekt wet ...' zegt hij spottend.
'En wij nu? Wat moeten wij doen?' De vrouwen worden ongeduldig.
'Vooruit Jules, ga daar nu toch eens zien bij iemand van de organisatoren?'
'Ja, ja 't is al goed.'
Hij gaat de zaal in ... Twee minuten later staat hij daar weer.
'Er is een deur naar de achtertuin, zeggen ze. Daar in die hoek achter dat paneel.'
'Rechts, beneden aan de trap buiten moet er een WC zijn.'
En ja, nu ze goed zoeken vinden ze inderdaad een deur.
Lucienne is al weg, opent de deur, maar blijft staan en draait zich om.
'Zeg eens, er is geen licht, het is daar zo donker als in de hel!' 'Heeft er iemand een zaklamp?' - Niemand.
Op de tast dan maar zeker?
'Wacht, ik zal meegaan,' zegt Maria, 'hou mijn hand vast!'
'Zeg hier is alleen een betonen platform! Hoe geraken we hier beneden ...?'
Bij het schaarse licht van de maan vinden ze eindelijk de smalle stenen trap en zoeken hun weg naar beneden.
Tien minuten later zijn ze al terug.
'Pas maar op hé daar beneden want da's nog een boeren -W C ; een plank met een gat in over den beerput, goddomme!'
'Dan pis ik nog liever in mijn broek.' zegt Denise en iedereen lacht.
'Ja maar ik moet toch dringend hoor,' Haar zus Annette neemt haar bij de arm.
'Kom we gaan samen.' Voetje voor voetje schuiven ze langzaam naar buiten.
Tijdens de tweede pauze gaan de
mannen gewoon beneden plassen, achter in de tuin.
Kort vóór de aanvang van het
laatste bedrijf staan Willy en ik ook in de tuin ,beneden aan de trap, een sigaretje te
roken als ik plots een warme waterstraal op mijn hoofd krijg.
'Héla, wat is dat daar boven?' Willy heeft het ook gevoeld.
'Oei! Pardon jongens ik dacht dat jullie al weer boven waren.'
Bert en jules haasten zich om weg te komen.
'Zeg, dat het is niet waar is hé!' Ik zie ze binnenglippen.
'Smeerlappen!' Roept Willy.
'Ze doen geen moeite om naar beneden te komen en dan plassen ze maar op onze kop!'
Als we weer boven komen weet
iedereen het al en lachen ze kostelijk met die goeie 'grap'.
De aanvang van het laatste bedrijf
moet wel even worden uitgesteld want alhoewel Willy minder 'gedoopt' is dan
ik wil hij zich toch ook eerst goed opfrissen
voordat we op het podium kunnen verschijnen.
Het stond er al een tijdje aan te komen, maar toch overvalt het me wanneer ze het vraagt.
Die bewuste zondagavond in oktober heeft ze blijkbaar al haar moed bijeengeraapt en zegt: ‘Ik heb aan mijn ma beloofd dat je vanavond eens mee binnenkomt. Is ’t goed?’
'Nu al?' vraag ik zo gewoon mogelijk, en voel me een beetje bleek worden. Ze slaat haar ogen neer.
‘Ik heb haar gezegd dat we komen kennis maken.’
‘Waarom?’ Probeer ik voorzichtig, ‘ze kent mij toch al.’ Haar grote blauwe ogen kijken smekend naar me op.
‘Allé toe, ik heb het beloofd.’
‘Zal jou pa er ook zijn?’ Er klinkt ongerustheid in mijn stem maar ik wil haar niet teleurstellen.
‘Ik peins van wel.’ zegt ze terwijl ze probeert mijn gedachten te lezen. ‘Jij bent toch niet bang voor hem?’
‘Ikke? Nee helemaal niet!’ Het klinkt niet echt overtuigend. Ik slik even terwijl ik voel hoe mijn maag samentrekt.
De zitbanken op het blauwe buurttreintje dat ons van Brussel naar ons dorp brengt voelen koud aan. Zij rilt even. Ik leg mijn arm om haar schouder en trek haar nog iets dichter tegen me aan.
Het gesprek is stilgevallen en in gedachten probeer ik mijn ongerustheid weg te redeneren. Ik kom regelmatig bij haar thuis
want ze hebben een kruidenierswinkeltje. Ook in de woonkamer ben ik al
meermaals geweest om haar jongste broer - mijn vriend - Willy op te
halen wanneer we samen naar de repetitie van de toneelkring gaan.
Richard, haar vader is ook soms daar en leest de krant die breeduit voor hem op tafel ligt. Hij is weinig spraakzaam, trekt meestal een stuurs gezicht en ziet me amper staan.
Het is een reus van een vent en men zegt van hem dat het ‘gene gemakkelijke’ is. Een diepe zucht ontsnapt mij.
“Is er iets?” vraagt ze bezorgd. “Nee, niks!” Zeg ik even verschrikt maar herpak mij vlug en probeer onbezorgd te klinken.
“Gaan we volgende zondag weer naar de cinema of wil je liever gaan dansen?” Ze glimlacht.
“We zullen wel zien…” We gaan nu al geruime tijd met elkaar uit maar haar ouders weten officieel nog van niets.
Eigenlijk zijn we nog veel te jong om nu al aan een vaste verkering te beginnen denk ik. Mijn legerdienst zit er bijna op maar Tineke is pas zeventien en ik word in december twintig.
Binnenkomen is een verbintenis aangaan tegenover haar en tegenover haar ouders. Het besef dat dit het einde betekent van mijn jeugd maakt me wat terughoudend.
Toch weet ik nu al met zekerheid dat Tineke voor mij de ware is en wil haar in geen geval verliezen.  Mijn besluit staat vast en als de tram stopt neem ik resoluut haar arm en we stappen in de richting van de dorpskom.
Net als we de kerk passeren slaat het tien uur. Ze zal juist op tijd binnen zijn. Ik los haar pas wanneer we voor het winkeltje stoppen en met kloppend hart volg ik Tineke als ze de deur openduwt.
Het schelle gerinkel van de winkelbel kondigt luidruchtig onze komst aan. Ik begin al lichtjes te zweten.
‘ Ha ! Daar zijn ze!’ Hoor ik iemand roepen nog voordat we de deur achter ons kunnen sluiten. Het is Bert, de oudste broer van Tineke die mij met een brede glimlach en vol verwachting aankijkt.
Het kaartspel is gestopt en nu kijken alle aanwezigen in onze richting. Blijkbaar hebben ze op ons gewacht en willen niets missen van datgene wat nu komen gaat.
De enkele seconden stilte die volgen lijken mij een eeuwigheid. Mijn anders zo bedeesde Tineke, aarzelt niet lang, gaat naar haar vader en zegt:
‘Kijk pa, dat is nu Roger.’ Mijn kop is rood maar toch steek ik kordaat mijn hand uit en zeg:
‘Dag Richard...’
‘Dag... ’ mompelde hij en geeft mij een slappe handdruk. Hij lijkt nogal verrast en ik heb de indruk dat hij de enige is die niet op de hoogte is gebracht van mijn komst.
‘Aan wie is 't om uit te komen?’ Roept Willy luid en hij pinkt naar mij en zwaait veelbetekenend met zijn kaarten. Alle aandacht gaat onmiddellijk terug naar het spel en het ijs is gebroken.
Oef,...Bedankt Willy. ‘Pak die taart nu maar,’ zegt Bert tegen zijn moeder ‘we hebben al lang genoeg moeten wachten.’
Julia staat op en Tineke volgt haar
naar de keuken. Blijkbaar is dit voor haar het gepaste moment om even
aan haar moeder te vragen of alles naar wens verloopt. ‘Waar zijn jullie geweest?’ vraagt Bert.
‘Naar de cinema.’ Antwoord ik. ‘Als ge nog eens ne goeie film wilt zien, dan bezorg ik je wel twee gratis kaarten, ik krijg die van mijn klanten.’
‘Bedankt, 'k zal er aan denken.’ Ik volg schijnbaar geïnteresseerd
het kaartspel maar lonk af en toe naar de ‘peetvader’ van de familie.
Hij is aan het winnen en gaat geheel op in het spel.
Als de voorgesneden taart met
krieken en slagroom op tafel wordt gezet gebruiken de kaarters hun
vrije rechterhand om een stuk taart te nemen . Ondertussen gaat het
spel gewoon verder. ‘Allé Roger pak ook een stukje.’ zegt Julia.
Ik treuzel een beetje maar Willy maant mij aan. “Allé jong, pak vast ge zijt toch niet beschaamd zeker?” Aarzelend steek ik mijn hand uit en neem het kleinste stuk.
“Doe maar alsof ge thuis zijt.” Zegt Willy, ‘en kom hier naast mij zitten.’ Voorzichtig breng ik de taart naar mijn mond en… pardoes !
Willy geeft een forse duw tegen mijn elleboog waardoor de kersen met slagroom tegen mijn neus open spatten. Bulderend van het lachen slaan de twee broers met hun vlakke hand op tafel en Richard, die de handeling
eerst niet gezien had kijkt kwaad rond maar laat zijn serieuze houding
snel varen zodra hij mijn gezicht ziet.
‘Willy!’ krijst Julia, “ zijt ge niet beschaamd? Kijk nu eens die jongen zijn hemd is helemaal besmeurd !’ ‘Het spijt mij ma, maar het was sterker dan mezelf.’ Proest mijn vriend. Ik sta voor gek maar vind het niet zo erg en voel me eigenlijk opgelucht want, ... Richard kan lachen.
In de vierde compagnie is het soldatenleven heel wat gemakkelijker dan
in de tweede. De twee maanden zware dril-oefeningen zijn achter de rug
en met de driftige sergeanten van de tweede compagnie hebben we
voortaan niks meer te maken.
Nu kunnen die hun frustraties maar botvieren op nieuwe rekruten.
Ongeveer de helft van de miliciens uit de tweede kennen nu al
voldoende morse en radiotechniek om naar de vierde compagnie te
verhuizen, de rest moet naar een andere eenheid in Duitsland.
We zijn geen groentjes meer en zullen in de vierde serieus getraind
worden in het seinen met de morsesleutel en het tot stand brengen
van radioverbindingen.
De legerleiding heeft iedereen uitgenodigd op een klein afscheidsfeestje.
In de cinemazaal is het witte doek weggenomen en het podium opgeruimd.
Omdat er in onze kamer bijna elke avond muziek gemaakt wordt is men ons komen vragen om op te treden als gelegenheidsartiesten.
Julien heeft een paar muzikanten bereid gevonden om met hem een klein
orkestje te vormen, terwijl Fik - de lange -, en ik, - de korte - het
geschikte duo geacht worden om enkele sketches van de Woodpeckers na te
spelen.
Ook de sergeanten die ons twee maanden gepest hebben zijn aanwezig en schijnen bijzonder goedgeluimd te zijn.
De loeders zitten op de eerste rij en wij maken van de
gelegenheid gebruik om, tussen de teksten van de sketches en de
liedjes, spottende taal te verweven aan hun adres.
Dit valt bijzonder in goede aarde bij de soldaten die zich kostelijk
amuseren en luidruchtig beamen wat wij allemaal uit onze botten
slaan.
Na afloop van de voorstelling krijgen we onze soldij van de maand en
dat is voor sommigen véél geld. Tien frank per dag maakt al vlug
driehonderd frank.
Omdat er pas na het feest mag gedronken worden blijft de kantine vanavond uitzonderlijk lang open, tot twaalf uur.
En er wordt meer gedronken dan eigenlijk goed voor ons is ...
Goed aangeschoten komen we iets na middernacht op de kamer
binnengewaggeld. Slechts enkele droogstoppels en gierigaards zijn na
het feest al direct gaan slapen en proberen ons aan te sporen tot
stilte.
Heinz Van Doren, de korporaal kameroverste, is hun leider. Hij doet
nogal gewichtig, zoals gewoonlijk, en dreigt ermee dat hij ons zal
aanklagen bij de sergeant van wacht en dat er zware straffen zullen
volgen.
Dat afdreigen had hij, nu juist vandaag, beter niet gedaan.
Al twee maanden lang hangt dat ventje, met zijn autoritair gedoe en zijn heimelijke streken, ons de keel uit.
De eerste dagen van onze legerdienst werd hij tot kameroverste
gebombardeerd en kreeg dadelijk een héle dikke nek. Zonder de minste
aanleiding liet hij jongens op het rapport komen bij de commandant en
eiste dat ze gestraft werden. Dit maakte hem in de kortste keren tot de
meest gehate milicien.
Hij voelde zich onaantastbaar in zijn rol als ‘kameroverste’ en we konden hem niets doen zolang hij in functie was.
In functie?,... wás! Ha, maar nu niet meer hé?
Morgenvroeg moet hij samen met de anderen de trein van zeven uur halen
en naar Duistland vertrekken, zijn kitbag staat al klaar gepakt.
Dikke Morée (wij hebben nooit zijn voornaam gekend) gaat uitdagend vóór
het arrogante ventje staan en vraagt dreigend: ‘Is er iets Heinzke?’
Nog heeft de ezel het niet begrepen want hij maakt zich zelfs kwaad.
‘Stilte! Of ik zet jullie allemaal op het rapport! Dit is een bevel!’
Ik voel stilaan mijn bloed sneller stromen maar de Fik en Morée
nemen Heinz al bij zijn armen en benen en smijten hem onzacht op zijn
bed.
Nu wordt hij bang. Hij begint te roepen en tegen te spartelen maar het is te laat, ... niets kan ons nog tegenhouden.
‘Geef mij eens de doos schoensmeer.’ Zegt de Fik doodbedaard.
Morée heeft ondertussen zijn zware hand op de mond van het slachtoffer gelegd en het schreeuwen verstomt.
‘Trek zijn pyjamabroek uit.’ Beveelt de Fik.
Onmiddellijk zijn er tien gretige handen klaar om te helpen strippen.
Heinz spartelt, bijt en schreeuwt nu als een speenvarken, terwijl Fik
en ik dikke pakken zwarte schoensmeer aan zijn geslachtsdelen en
achterwerk wrijven. Daarna trekken we zijn broek weer omhoog, stoppen
hem in bed onder de lakens en trekken de dekens zo strak aan dat hij
zich niet meer kan verroeren.
Van Doren ziet vuurrood en van machteloze woede spuwt hij naar ieder van ons.
‘Luister nu goed,’ zegt Morée heel kalm, ‘ge moogt content zijn da’ ge
er daarmee vanaf komt, en zwijg maar want als ik je nu nog hoor, dan
smeren wij je helemaal in, van kop tot teen! Begrepen?’
Wanneer het kereltje is uitgeraasd, laten we de dekens los en vlug als de weerlicht springt hij de kamer uit.
‘Ge moet niet naar de waszaal gaan, die is al gesloten.’ Roept de Fik hem na.
De volgende ochtend voor zes uur zijn de vrachtwagens reeds daar om de soldaten naar de trein te brengen.
De waszaal ging pas om halfzeven open en het korporaaltje is naar Duitsland vertrokken,... met zijn zwart pietje.