Naar de inhoud

De tijd van toen ...

Nostalgische verhalen
akke.beakke.be
Over de oorlog, kindertijd, jeugd, verliefdheid, legerdienst en later leven.

Archief

Mathileke Vis

  1945 - 1946    


De pastoor verschiet geen klein beetje wanneer hij hoort dat ze opnieuw wil gaan trouwen. Na de vroegmis houdt hij haar staande en valt dadelijk met de deur in huis.
‘Wat hoor ik nu Mathileke,’ zegt hij berispend, ‘uwe man is nog geen drie maanden gestorven en gij wilt al opnieuw gaan trouwen!’
‘Luister eens hier meneer pastoor,’ zegt ze bedaard, ‘van een dood varken kunt ge eten maar van een dode man niet.’  Die zit!
 

Een stoute tong heeft ze altijd al gehad, dat weet de priester. Toch beseft ook hij dat ze met de opbrengst van haar vishandeltje met moeite haar vier kinderen kan grootbrengen.  Maar nu al voor de dérde keer gaan trouwen?  't Is toch rap.
Mathileke blijft nochtans niet bij de pakken zitten want na de dood van haar éérste man zoekt ze dadelijk een inkomen door thuis vis te verkopen. Haar kinderen, Victor en Lisa, zijn nog te klein om alleen gelaten te kunnen worden.
Uit haar tweede huwelijk worden Jef en Louis (mijn vader) geboren maar ondertussen heeft ze een jong meisje bereid gevonden om op de kinderen te passen terwijl zij haar viskarretje door de straten van Kraainem en de omliggende dorpen stoot.
‘Vis! Verse vis!’ Al van ver herkennen de mensen haar schelle stem.
Het duurt niet lang voor ze van haar spaarcentjes het huisje kan inkopen dat ze tot nu toe gehuurd heeft. Dan sterft haar tweede...
Weer staat ze er alleen voor maar ze is er de vrouw niet naar om lang te treuren.
Met dubbele ijver duwt ze haar kar en schreeuwt luider dan ooit.
‘Vis! Verse vis!’
Op één van haar rondes leert ze Mon, de steenbakker, kennen.
Mon Vitesse - zoals de mensen hem noemen - is een harde werker die goed geld verdient. Meer moet Mathileke niet weten.
Toch blijft ze, eens opnieuw getrouwd, verder haar vis verkopen.
Pas als alles verkocht is gaat ze naar huis. Wanneer er iets overblijft moet zij of de kinderen het opeten.
Haar derde vent lust gene vis ... maar toch krijgt ze bij hem opnieuw twee kinderen, Yvonne en Julia.

 
Mon Vitesse was mijn dooppeter.
Het enige wat ik me van hem kan herinneren was die vermoeide blik waarmee hij me roerloos zat aan te staren als ik mijn Nieuwjaarsbrief voorlas.
Daarna diepte hij twee vijffrankstukken op uit zijn vestzakje en gaf ze met een plechtig gebaar. ‘Hier zie, en niet op doen hé!’   ‘Nee peter. Dank U peter.’
Ieder jaar hertzelfde ritueel. Ik hield er minstens de helft aan over want de brief kostte nooit meer dan vijf frank.
Eén keer, ik weet niet wat mij bezielde, had ik een heel mooie brief gekocht van zeven frank! Die dag was Mon viesgezind of dronken want ik kreeg slechts één geldstuk.
Toen ik mijn hand opendeed moest ik op mijn onderlip bijten om niet te huilen van spijt: Twee frank verlies!
Wat peinst gij wel wat dat is, als ge maar één frank zondag krijgt?
Het was meteen de laatste Nieuwjaarsbrief die hij gekregen heeft.


Ondanks het harde werken leefde mijn grootmoeder nog vijftien jaar langer dan haar derde man.
Toen ze begraven werd spraken de mensen vol bewondering over haar; ‘Het moet toch een sterke vrouw geweest zijn hé,... zes kinderen groot kunnen brengen en ondertussen nog eens drie mannen  verslijten ook,...’


Geschreven door Fikske om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

De Nieuwe Laarsjes

 1943 - 1944 ?          


Omdat de ruwe stof waaruit onze korte broekjes gemaakt zijn aanvoelt als schuurpapier zien onze billetjes na enkele dagen al vuurrood. Het weefsel is afkomstig van de legerkapot waaraan pa nu toch niks heeft vermits hij opgepakt is om in Duitsland te gaan werken.
Ons moeder is geen grote naaister en ze moet zich bovendien nog behelpen met wat er voor handen is. Geld uitgeven aan kleding kan ze niet omdat ze amper genoeg verdient om eten te kopen voor haarzelf en haar twee jongens.
Als ze een stukje voering krijgt van de Rozine, de buurvrouw, naait ze dit tegen de binnenrand van de broekpijpjes en na verloop van tijd geneest de roodheid vanzelf.
Weinig kinderen krijgen nieuwe kleren tijdens de oorlog, wij ook niet, maar we voelen ons allerminst ongelukkig.
Schoenen dragen we niet: we hebben er gewoon geen.
Bovendien  lopen we tijdens de zomermaanden meestal op blote voeten, zowel op straat als in huis. Op die manier sparen we ook nog onze houten klompen waarmee we naar school gaan.
Klompen zijn een gemakkelijk en betaalbaar schoeisel en ze worden gemaakt door Blokske de klompenmaker.
Voor weinig geld maakt die man uit een ‘blok’  populieren of wilgenhout, een klomp. Het is wonderlijk hoe snel hij dat kan klaarspelen en we zitten met open mond te kijken naar zijn vaardige handen. Hij neemt de maat van onze voetjes met een meetstokje en na amper een uur wachten zijn de klompen klaar.
Ooit heb ik eens blokschoenen gehad. Deze ‘schoen’ heeft een houten zool met daarover een lederen kap, zodat hij beter aan je voet houdt en veel lichter is dan een klomp. Je kon er ook sneller mee lopen. Trouwens als je snel moet wegkomen, dan schop je beter de klompen uit, neemt ze in je handen en rent er blootsvoets vandoor, twee keer zo snel!
Onze klompen zijn regelmatig stuk. Het populierenhout is vrij licht maar niet erg sterk. Dikwijls moeten we weken lang naar school met klompen waar een stuk uit is of een barst in zit. Pa bindt er een ijzerdraad rond en dan houden ze het nog een tijdje uit.
Iemand die nooit klompen gedragen heeft is onze goede vriend en buurjongen Eugène. Hij woont in een bijhuis van de boerderij, rechtover de weide waar boer René zijn koeien laat grazen.
Eugène is enig kind en zijn moeder doet alles om hem te beschermen. Het gezin heeft vóór de oorlog een kind verloren, door ziekte, en nu mag ‘Ons Eugèneke’ niets gebeuren of te kort komen.
Zijn vader is trambestuurder in Brussel en moet niet voor een hongerloon in Duitsland gaan werken zoals vele andere vaders.

Alle jongens zijn stikjaloers op 'de Gène', wanneer deze op een mooie dag rubberlaarzen krijgt. Hij is niet weinig fier als enige jongen door plassen te kunnen stappen zonder natte voeten te krijgen.
‘s Avonds spelen we met de buurtjongens op de straat vóór het huis van Eugène, en zoals elke avond rond dezelfde tijd steekt Maria, zijn moeder, haar hoofd buiten de deur en roept:
‘Eugèneke ge moet uw papje nog komen eten!’
Het huis van Maria is altijd kraaknet en er mag nooit iemand naar binnen zonder eerst zijn klompen of schoenen uit te doen.
Eugène is goed opgevoed en doet plichtgetrouw zijn rubberen laarsjes uit, laat ze buiten op de stoep staan, en gaat op kousenvoeten naar binnen.

Boer René komt de straat over, doet het ijzeren hek open en haalt de koeien van de wei waarna hij ze naar de stal brengt om ze te laten melken. Het hek blijft openstaan tot de volgende ochtend als het vee terugkomt.
Dit is meteen het sein voor de jongens om in de wei te gaan voetballen.
Het is vrij koud en we houden onze klompen aan en bij gebrek aan een bal trappen we maar op een leeg conservenblik.
Den Elias, een voorvechter en kwajongen eerste klas, is ook van de partij en trapt het blik pardoes in een koeienvlaai.
‘Slim, hé?’ Zegt Verbiske, een andere schelm, ‘ge kunt het maar weer proper maken hoor!’
Den Elias zijn oogjes blinken.
‘Wacht, mannen... ik heb een idee!’
Voorzichtig vist hij het besmeurde blikje uit de verse koeiendrek en schept het tot aan de rand vol met de donkergroene smurrie. Dan sluipt hij naar de voordeur waar de laarsjes staan. Plots begrijp ik zijn bedoeling.
‘Nee Elias, dat gaat ge toch niet doen zeker?’
‘Jawel...’ grinnikt hij, en giet voorzichtig de helft van het vieze goedje in elke laarsopening.
Hij werpt de pot weg en begint dadelijk te roepen:
‘Allé Gène… waar blijft ge jong? Seffens is het donker en kunnen we niet meer spelen.’
‘Ik kom al.’ Horen we een gedempte stem achter de deur.
De schrik slaat mij in de benen en ik zie dat iedereen zich al stilaan uit de voeten maakt.
Nog nagenietend van zijn lekkere vanillepap veegt Eugène zijn mond schoon met de rug van zijn hand en springt bijna met beide voeten tegelijk in zijn nieuwe laarsjes.
Als uit een champagnefles spuit de stront langs zijn billen omhoog en dringt, via de pijpen van zijn korte broek, diep naar binnen.
‘Weeë!’ Schreeuwt hij en staat letterlijk aan de grond genageld.
‘Help mij, pa ..., ma ... help mij! Pa!’
Wij kunnen ons niet meer inhouden en schateren het uit.
Op een paar meter van hem ligt Elias kromgebogen van het lachen. Met beide handen slaat hij op zijn knieën van dolle pret.
Als de bliksem gaat de voordeur achter Eugène opnieuw open en de trambestuurder verschijnt in het deurgat.
‘Wat gebeurt er hier?’ Vraagt hij en zijn rode kop draait driftig heen en weer. Als hij beseft wat er gaande is wordt zijn hoofd zo mogelijk nog roder.
‘Wie heeft dat gedaan?’ Brult hij. ‘Wie doet er onze Eugène zoiets aan? Wie is die lafaard?’
Ziedend van woede vliegt hij naar de dichtstbijzijnde rakker: den Elias.
Deze kan hem maar net ontwijken en probeert weg te komen.
Dit gaat slecht aflopen.
De pestkop beseft dit ook, werpt vliegensvlug zijn klompen uit, en rent voor zijn leven.
Jean doet verwoedde pogingen om hem te grijpen maar Elias blijft telkens net buiten zijn klauwen. Daarop krijgt de tramman  één van zijn bekende astma-aanvallen en staakt noodgedwongen de achtervolging.
Vol machteloze woede balt hij zijn vuisten.
‘Rotzak…! Gij vuile stinkende… ! Dat…dat… zult ge bekopen!’ Hijgt hij, terwijl hij steun zoekt tegen de muur van de graanschuur.
De rakker staat er op een veilige afstand naar te kijken. Het lachen is hem vergaan en vol spanning wacht hij af.
Nieuwsgierig naar al dat lawaai is nu ook Maria buitengekomen. Wanneer ze haar arme oogappel ziet wenen slaat ze van ontsteltenis de handen voor haar mond.
‘Maar jongen toch, hoe heb je dat nu toch gedaan?’ Ze begrijpt niet hoe het komt dat haar lieveling zo helemaal onder de viezigheid zit en stinkt als de pest.
 

Intussen hebben de andere jongens zich  al teruggetrokken. Niemand had verwacht dat dit ‘grapje’ zulke felle uitbarsting van woede tot gevolg zou hebben.
Stilaan druipen we af naar huis terwijl het slachtoffer door zijn ouders wordt getroost en  naar binnen gebracht.
Dagenlang loopt Elias met een grote boog rond het huis van Eugène. Hij blijft erg op zijn hoede, vooral  als hij weet dat Jean thuis is.
Eugène heeft later nog heel wat pesterijen moeten ondergaan maar hij heeft er geen trauma aan overgehouden en bleef voor ons altijd een fijne kameraad.

Geschreven door Fikske om 00:00 2 reacties Reageer op dit bericht

Ons eerste fietsje

   1945        ’t Rood Veloke

Alsof het gisteren was, herinner ik mij ons allereerste fietsje ...
In de zomer na de tweede wereldoorlog worden mijn broer en ik, zeven en acht.
Waar die piepkleine tweewieler vandaan komt weten we niet. Hij is in elk geval niet nieuw en op een avond, na zijn werk komt pa er mee aandraven.
Toch heeft ons vader er nog heel wat oplapwerk aan eer we er mee kunnen rijden.
Eén enkel fietsje, voor twéé jongens? Als dat maar goed afloopt.
Nog voordat pa het vehikel goed en wel op de grond heeft gezet grijp ik het stuur en trek het naar mij toe. Maar dat is buiten mijn broer Mil gerekend die met beide handen het zadel beet heeft en al even hard naar de andere kant toe trekt.
‘Ikke eerst !’
‘Nee, Ikke !’
Pa komt dadelijk tussenbeide.
‘Hela, hela! Geen ruzie maken jullie, hé!. Elk om beurt of ik pak dat veloke terug mee.’
Met tegenzin laten we onze buit los.
‘Vooruit Mil, de kleinste mag eerst rijden.’
Ik wou dat ik voor één keer de kleinste was want Mil gaat altijd voor.
Pa helpt mijn broer om zich recht te houden als hij het tuinpad affietst.
Ik loop mee en wil dadelijk van hem overnemen maar pa laat hem eerst terug naar zijn vertrekpunt fietsen.
Ik sta te trappelen van ongeduld maar moet beloven dat we geen ruzie zullen maken.
Het kost me heel wat meer moeite om rechtop te blijven dan mijn jongere broer, maar pa heeft geduld en brengt mij ook terug tot bovenaan het tuinpad.
Heel de zondagnamiddag rijden we het tuinpad op en af en onder vaders oog wordt er mooi om beurt gereden.
De volgende dagen is het fietsje druk bezet en zolang één van onze ouders in de buurt is maken we geen ruzie maar zodra ze hun rug gekeerd hebben zitten we mekaar weer in de haren.
Na enkele weken is het nieuwe ervan af en blijft het veloke  soms uren onaangeroerd maar van zodra één van ons twee het vast neemt wil de ander het ook hebben.
Lang hebben we er niet op gereden omdat het fietsje eigenlijk een beetje te klein voor ons was en onze voeten meer over de grond sleepten dan dat ze op de trappers stonden.

Op een mooie dag is het rode tweewielertje nergens meer te vinden. We durven eerst geen van beiden iets tegen onze ouders zeggen maar na een week vruchteloos zoeken vragen we toch aan ons moeder of zij niet ergens ons fietsje heeft gezien.
Het verwondert ons dat ze niet kwaad wordt, alleen even haar schouders ophaalt en vraagt; ‘Zijn jullie al niet een beetje te groot voor zo ’n klein kinderveloke?’
Eigenlijk heeft ze wel gelijk en wij vergeten vlug het voorval.
Aan speelgoed hebben we echter geen gebrek want kinderen op den buiten spelen met alles wat er in de omgeving te vinden is.
Het afgedankte wiel van een oude fiets waar we de spaken hebben uitgehaald is een prachtige hoepel om mee rond te hotsen, straat in straat uit. Loopstelten worden gemaakt van twee stokken waar we een blokje op vastnagelen. Twee rietstengels kruiselings over elkaar gebonden, overspannen met oud krantenpapier met onderaan een lange staart uit touw en strikjes papier, en we hebben de mooiste en beste vlieger die er bestaat!
En de beek! Een prachtig speelterrein! Een zeilbootje maken we van een versleten klomp met een stokje als mast en onze zakdoek als zeil.
Een kamp maken, verstoppertje spelen, gaan zwemmen in de kweekvijvers van het kasteel etc. allemaal teveel om op te noemen.

Zes december nadert en onze verwachtingen zijn laag. Net als de voorbije jaren zullen we niet veel krijgen van de goede Sint.
Groot is echter onze verbazing wanneer we de ochtend van Sinterklaas twee kleine kruiwagens zien staan, naast onze lege schoentjes.
Dolgelukkig rijden we er dadelijk mee in de tuin. De groene verf is nog niet helemaal droog maar de rode wieltjes wel. Hé? Die rode wieltjes lijken verdacht veel op deze van ons verloren veloke ...

       
Geschreven door Fikske om 17:53 Reageer op dit bericht

De Brug over het Albertkanaal

  1944                Vroenhoven

Na de bevrijding werd pa een stuk rustiger en wilde hij eindelijk iets kwijt over de gebeurtenissen in mei 1940 aan het Albertkanaal.  
Pa vertelde ... maar toen begrepen we er nog niet veel van. Later wel.
 
In de nacht van 10 op 11 mei bij de aanval van de Duitsers op het Fort Eben-Emael, bevindt pa zich ergens in de buurt van een brug over het Albertkanaal te Vroenhoven.
Duitse zweefvliegtuigen landen op het dak van het fort dat vrij vlug wordt ingenomen.
Ook langs het kanaal komen Duitse soldaten in rubberbootjes en duiken plots op in de onmiddellijke omgeving van de brug. Overal dalen valschermspringers neer en de Belgische soldaten zijn totaal verrast door deze geluidloze aanval.
Wanneer ze op de vijand beginnen te schieten stellen ze vlug vast dat ze tegen de veel modernere wapens van de Duitsers geen kans maken.
Er ontstaat paniek en wie nog weg geraakt probeert te vluchten voor het moordend geweld.
Een groepje van zeven soldaten is tot in het dorp geraakt en besluit zich te verstoppen in een huis dat blijkbaar verlaten is. Pa is één van hen.
Ze kruipen weg in de kelder van het gebouw en proberen zich koest te houden.
 

Hoelang kunnen ze hier blijven zonder dat ze worden ontdekt?
Door het keldergat, dat op de straat uitgeeft komt wat verse lucht naar binnen.
Licht maken durven ze niet en ze stellen zich tevreden met het schamele licht van de opkomende dag dat door het gat naar binnen valt.
Ze zijn uitgeput en de meeste vleien zich op de aarde keldervloer neer.
Het is niet echt koud daar beneden maar pa rilt over zijn hele lichaam.
 

Hoelang ze daar gezeten hebben weet hij niet maar een zwaar gebrom doet hen opschrikken.
Door het keldergat zien de jongens
hoe enkele Duitsers op hun zware motoren de straat komen ingereden en rakelings langs hen passeren.
De mannen houden hun adem in maar even later volgt het af- en aanrijden van Duitse personenauto's en legervoertuigen.
Op het pleintje voor het huis waar ze zich schuilhouden zijn ondertussen enkele vrachtwagens blijven staan en meer dan dertig soldaten lopen rond de voertuigen en beginnen materiaal uit te laden.
 

Nu zitten ze als ratten in de val.
De kans om hier nog ongezien weg te geraken is heel klein.
Een peloton Duitse soldaten marcheert voorbij en plots beginnen ze te zingen.
Eén van de verstekelingen raakt hierdoor danig over zijn toeren dat hij recht springt, zijn geweer door het keldergat naar buiten steekt en sist:
'Ik zal die smerige Moffen eens een lesje leren, zie.'

In paniek vliegen de zes anderen op hem af en kunnen nog maar net verhinderen dat het heethoofd in zijn woede zou beginnen schieten.
'Ben je gek man! Als jij één schot lost werpen ze hier een handgranaat door het keldergat naar binnen en is het met ons allemaal gedaan!'
Terwijl drie man hem in bedwang houden nemen de anderen zijn wapen af.
 

Iedereen beseft nu wel dat verder oorlog voeren tegen deze overmacht geen zin heeft en ze besluiten wijselijk om zich over te geven.
Een witte zakdoek wordt aan de loop van een geweer geknoopt en door het keldergat naar buiten gestoken.
Even later worden ze uit hun schuilplaats gehaald, gevangen genomen, en de volgende dag op de trein naar Duitsland gezet...

                   


Geschreven door Fikske om 00:00 Reageer op dit bericht

Nonkel Jan ( 2 ) - De grappenmaker

1948 ?               

Onze is nonkel een echte pleziermaker.
Op bijeenkomsten en feestjes staat hij steeds in het middelpunt van de belangstelling.
Aan de tafel waar Janneke zit wordt er het meest van al gelachen. Iedereen is verzot op zijn moppen en kwinkslagen en als geen ander kan hij de boel op stelten zetten.

De goede tijden vangen weer aan en om de oorlog vlug te kunnen vergeten lachen de mensen graag en veel.
Iedereen doet mee als Nonkel een of ander spel in gang steekt.
Het spel met de flessen kan niemand hem nadoen, want telkens opnieuw vindt hij een gewillig slachtoffer dat zich laat beetnemen.
Het gaat als volgt: 
Nonkel zet enkele lege bierflessen willekeurig verspreid op de grond van de woonkamer en vraagt een vrijwilligster om even tussen de flessen door te lopen zonder deze te raken.
Dit gaat vrij gemakkelijk en iedereen kan blijven kijken.

Nu wordt aan een paar vrouwen gevraagd om zich af te zonderen en niet naar het spel te kijken tot zij aan de beurt komen.
Zijn medewerker, meestal mijn vader of nonkel Albert, bindt de vrouw een sjaal of keukenhanddoek voor de ogen, ze wordt bij de arm genomen en tot vóór de rij flessen gebracht.
‘Vooruit ga nu,’ zegt Janneke, ‘maar pas op, loop de flessen niet omver!’
 
Terwijl de vrouw langzaam stap voor stap vooruit gaat worden de flessen één voor één voorzichtig voor haar voeten weggenomen.
Er staan al helemaal geen flessen meer als de grappenmaker roept: 'Pas op!Benen wijd open nu, ge gaat een fles omver trappen!'.
Achter haar rug worden de flessen weer op hun plaats gezet en als de blinddoek wordt afgenomen lijkt het alsof de vrouw het parcours perfect had afgelegd. 
Dit geeft altijd aanleiding tot grote hilariteit.

Vervolgens is het de beurt aan één van de afgezonderde vrouwen. Het spel gaat op dezelfde manier verder, en de toeschouwers roepen maar steeds: ‘Pas op benen open! Let op de flessen!’
Net voordat de vrouw haar blinddoek wordt afgenomen gaat Janneke languit op zijn rug achter haar op de grond liggen.
Als ze omkijkt lijkt het net alsof ze met gespreide benen over Janneke is gestapt en hij heel die tijd onder haar rok heeft zitten loeren.
De omstanders spelen het spel mee en liggen dubbel geplooid van het lachen.
Meestal wordt de vrouw vuurrood van schaamte en kan er goed om lachen maar soms krijgt Janneke een paar oorvijgen of een ferme slag van haar sacoche.
Het kan hem allemaal niet schelen. Als er maar gelachen wordt.

Zo wordt er enorm gelachen als Janneke één van de feestvierders vraagt om, geblinddoekt, een kusje te geven aan een van de jonge vrouwen. Als de man niks meer kan zien wordt de jonge vrouw vervangen door een oudere 'dikke' madam die haar ontblote bovenarmen tegen mekaar drukt. Janneke duwt nu het hoofd van zijn slachtoffer tegen die twee velzige armen en iedereen roept: 'Kussen, kussen!'
Na de 'daad' gaat Janneke vliegensvlug op een stoel staan en stroopt zij broek half naar beneden.
Wanneer nu de blinddoek verwijdert wordt trekt Janneke ostentatief zijn broek naar omhoog en zegt: 'Gij zijt nu den eerst die echt mijn gat gekust heeft, zie!'
En dan... moet hij zich vliegensvlug uit de voeten maken!
Geschreven door Fikske om 00:00 Reageer op dit bericht

De Rode Zwembroekjes

1945 ?

Op de leeftijd van negen en tien jaar kunnen we al zwemmen, niemand heeft ons dat geleerd.
Het lijkt me dat de zomers toen warmer waren dan nu want we zochten geregeld de vijver of de beek op om er in te ploeteren en wat afkoeling te zoeken.
We zijn veel in het water en leren zwemmen op onze eigen manier, eerst nog met één voet op de bodem en daarna zijn we vertrokken.
Ook in Kraainem zijn er vijvers en deze die het gemakkelijkst toegankelijk is noemen we de ‘driehoek’.
Het is nochtans verboden om erin te zwemmen want tussen het riet staat een grote plaat waarop duidelijk in koeien van letters :
VERBODEN TE ZWEMMEN.
De veldwachter ( den ‘Tube’) rijdt regelmatig met zijn fiets voorbij en als hij ons betrapt lopen we zo hard we kunnen weg om uit zijn handen te blijven. Als je wordt gegrepen bezorgt hij je een pak slaag, zonder pardon.
 We zwemmen in ons blootje terwijl onze kleren onbewaakt langs de oever in het gras liggen. Wie gaat er onze schamele spullen nu stelen? Maar één keer loopt het bijna fataal af.
In het dorp zijn er regelmatig rondtrekkende zigeuners - ‘Bohemers’ noemen we hen - met hun woonwagens. Ze zoeken ergens een goed plaatsje om te blijven staan en vertoeven er enkele dagen. De mensen zien ze niet graag komen want, toeval of niet, er verdwijnt nogal een en ander als ze in de omgeving hun kamp opslaan.
Die warme namiddag zijn we weer allen in de vijver aan het stoeien, als plots een van de vrienden een luide schreeuw geeft.
‘Hé, mannen kijk daar, ze gaan er met onze kleren vandoor!’
Twee kleine zigeunerkinderen hebben elk een hoopje kleren opgeraapt en rennen ermee weg in de richting van de woonwagen die even verder langs de veldweg staat.
Zonder één ogenblik te aarzelen zwemmen we ijlings naar de kant en zetten de achtervolging in.
Gelukkig zijn de kinderen nog heel jong en kunnen ze niet snel genoeg lopen met al die kleren in hun armen.
Mil is als eerste bij hen en met een duiksprong heeft hij er één te pakken. De andere laat van schrik alles vallen en spurt zonder om te kijken naar huis.
Nu staan we allen, in adamskostuum, rond de kleine klerendief maar wanneer we hem willen afstraffen stuift hij er plots tussen ons vandoor en loopt als een haas naar de woonwagen. Hij schreeuwt zo hard om zijn papa dat we wijselijk besluiten om ons uit de voeten te maken.

Het zwemmen zonder zwembroek kan niet blijven duren want er komen ook meisjes in de buurt van de driehoek spelen en die lachen hartelijk om onze blote kont. Eigenlijk beginnen we ons een beetje te schamen.
Dé oplossing hebben we gevonden met ons onderhemdje. We trekken vóór- en achterzijde tussen onze benen samen en maken het aan mekaar vast met een veiligheidsspeld. Het geheel ziet er uit als een zwempak, maar dan wit van kleur, althans in het begin. Door het modderige vijverwater en het veelvuldig laten drogen wordt de kleur al vlug grauw - grijs .
Ons ma vraagt eens aan Tenne of zij weet hoe het komt dat er onder aan onze onderhemdjes zo veel kleine gaatjes en roestvlekken zitten?
Tenne zegt dat ze van niets weet maar legt ons nadien wel op de rooster om er het fijne van te weten. Door voortdurend in het water te zitten beginnen na verloop van tijd de stalen veiligheidsspelden te roesten, vandaar dus die vlekken.
Om te voorkomen dat ma nog meer vragen zal stellen wil Tenne voor ons een echte zwembroek maken.
Ze koopt enkele bollen breikatoen en kort daarna verschijnt ze heel triomfantelijk met twee zwembroeken, in elke hand één.
'Hier zie, wat denkt ge er van?' zegt ze trots.
Het zijn prachtexemplaren! Zoiets hebben we nog nooit gezien.
Twee rode broekjes met heel korte broekspijpen waarop een blauwe anker is geborduurd, en om het geheel op te houden; een broeksriem in dezelfde blauwe breiwol met een blinkende gesp!
Onze zwemmakkers zullen groen zien van jaloezie.
De volgende dag al gaan we te water ... maar wat een ramp! Al na enkele minuten voelen we iets eigenaardig tussen onze benen. Het is net alsof we door lang gras zwemmen. We waden naar de kant en schrikken van wat we zien.
Er lopen lange rode strepen - bloed??? - van onder uit het broekje over onze benen. De pijpjes zijn vier keer langer geworden en hangen tot over onze knieën. Ook het blauwe riempje is zodanig uitgerokken dat het niet meer in staat is onze zwembroek op te houden.
Met één hand houden we nu de broek omhoog en met de andere hand trachten we met water de rode vloeistof van ons af te spoelen.
De hilariteit is groot. De twee stoeferkes met hun nieuwe zwembroeken worden door de andere rakkers vierkant uitgelachen.
De schuld van alles is de slechte kwaliteit van de naoorlogse breiwol. Door de in mekaar gelopen kleuren zien onze broekjes er uit als één lange, natte, smerige opneemvod.
Tenne heeft met ons te doen als we wenend van spijt bij haar binnenvallen.
Veertien dagen later hebben we nieuwe broekjes. Tenne heeft zich weer aan het breien gezet, maar nu met een betere wolkwaliteit.
In afwachting geeft ze ons een ander soort 'zwembroekjes'. Deze keer zijn ze niet van breiwol en voelen zelfs heel zacht aan. Er zit ook nog een elastiekje in ons midden die het geheel ophoudt.

We vragen ons niet af waar deze broekjes plots vandaan komen maar toch vinden we dat ze, mede door hun licht roze kleur, nogal fel op smaller gemaakte vrouwenbroekjes gelijken.


Geschreven door Fikske om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Nonkel Jan

1948 -                                            

Hij is amper één meter vijftig groot maar heeft een stem als een klok.
Altijd, of toch bijna, is hij goed geluimd, voert het hoge woord en is steeds  klaar om een grap te vertellen of iemand een poets te bakken.
Wij vinden hem een toffe nonkel want hij doet ons dikwijls lachen met zijn apenstreken. 
Toch is Janneke soms een driftig baasje als hij zijn goesting niet krijgt.
Tenne is een kop groter dan haar man en moet hem wel heel graag zien, want wat zíj allemaal met hem meemaakt is geen klein bier.
En van bier gesproken, Janneke lust de pintjes wel, soms meer dan echt goed voor hem is.

Omdat onze ouders de hele dag uit werken gaan en bijna nooit thuis zijn, gaan Mil en ik in de vakantie meestal naar Kraainem,bij Tenne, en blijven er vaak logeren.
Tenne en Nonkel wonen in hetzelfde huis als haar jongere zus, tante Net, die samen met nonkel Albert twee kinderen heeft, Liliane en Jean.
Ons nichtje is drie en ons neefje ligt nog in de wieg. Ze zijn zeven en tien jaar jonger dan wij en dus nog geen echte speelkameraadjes voor ons maar aan kameraadjes hebben we in Kraainem geen gebrek.
 

Vandaag is het de eerste dag van de grote vakantie en ik zit samen met mijn broer Mil  en Tenne  aan de ontbijttafel.
Nonkel staat al klaar om naar zijn werk te vertrekken. Jan is Wattman /trambestuurder - in Brussel.
Vandaag is hij blijkbaar niet goed uitgeslapen en vraagt knorrig aan zijn vrouw:
‘Julia, wat hebt gij tussen mijn boterhammen gelegd?’
Tenne, die hem kent en het met haar ellebogen aanvoelt als hij vies gezind is, zegt:
‘Kijk zelf maar eens, ze steken in je kabas.’
Hij haalt de, in fijn boterhampapier verpakte, sneden brood uit zijn lederen schoudertas en kijk wantrouwig naar wat er tussen zit.
‘Miljaardedju , wééral spek! Ge weet dat ik die vettigheid niet moet hebben.’
’Ik heb vandaag niks anders in huis Jan.’
Tenne is niet van plan om veel complimenten te maken.
Hij wil nu haar volle aandacht.
’Ha nee hé, dat vreet ik niet op,’ gromt hij, ‘ik krijg daar altijd het zuur van!’
De sneden brood vallen uit het papier wanneer hij ze op de tafel werpt.
’En toch zult ge ze moeten opeten,’ zegt Tenne doodkalm, ‘anders kunt ge maar op uw kin kloppen.’
’Wablief?’ Roept hij kwaad. ‘Kijk maar eens wat ik met uw boterhammen doe zie!’
In een flits rist hij de sneden van de tafel en smijt ze met volle kracht tegen de keukendeur.
Mijn broer en ik krimpen in mekaar van schrik en zien hoe de boterhammen met het vettig spek even aan de deur blijven kleven en dan heel langzaam naar beneden glijden.
Ziedend van woede neemt Janneke zijn lege kabas, trekt de deur open en slaat ze met volle kracht achter zich toe.
De boterhammen vallen op de grond.
Langzaam raapt Tenne alles weer mooi op. ’Hij kan maar zijn plan trekken ,’ zegt ze, ‘straks als hij thuis komt zal hij weer sterven van de honger. Ik ken dat.’

Maar 's avonds heeft hij helemaal geen honger. Zijn stap is onzeker en hij komt lachend binnen en spreekt met een dikke tong.
‘Julia, ik heb gewonnen met de voetbalpronostiek samen met enkele mannen van den tram!’
‘Ha ja?’ Zegt Tenne. ‘Dan is er toch iets voor mij bij zeker?’ Ze steekt haar hand uit.
‘Niks van! Dat is mijn geld.’ Stottert de tramman.
‘Ook goed, koop er dan een schoon kleedje mee voor mij!’ Zwanst Tenne.
‘Hoeveel heb je eigenlijk gewonnen?’ Ze knipoogt naar ons.
‘Tweehonderd frank!’ Zegt hij triomfantelijk ... ‘Maar ze is al op.’
‘Als ik het niet gedacht had…’ Tenne schudt meewarig met haar hoofd. Ze kent haar ventje door en door en laat hem maar lullen.
De ruzie van vanmorgen is hij al lang vergeten en het is beter van hem gerust te laten als hij te veel babbelwater gedronken heeft.
Morgen, als hij zijn roes heeft uitgeslapen, is hij weer de plezante nonkel Jan.

Geschreven door Fikske om 00:00 1 reactie Reageer op dit bericht

Bij 'Tenne' met vakantie

 1945 – 1949

Tijdens de grote vakantie, die zes weken duurt, zijn we heel vaak in Kraainem bij Tenne en mogen er ook af en toe blijven slapen.
Tenne is onze allerliefste tante want niemand anders verstaat zo goed wat kinderen nodig hebben om gelukkig te zijn.
Ons moeder is de oudste van de vier zussen welke als enigen overbleven van een gezin dat ooit uit elf kinderen bestond. Hun zeven broers en zussen hebben ze allemaal jong verloren, de oudste was pas achttien toen hij stierf.
We moeten Tenne eigenlijk tante Julia noemen, maar omdat de kinderen van haar jongste zus het woord 'tante' nog niet goed kunnen uitspreken en er 'tenne' van maken blijven we haar verder altijd zo noemen.
Zijzelf heeft nooit kinderen gehad omdat ze een zware baarmoederoperatie moest ondergaan toen ze amper 19 was - pas getrouwd -  en bijgevolg geen kinderen meer kon krijgen.
Misschien juist door dat gemis houdt ze zo veel van ons; de kinderen van haar drie zussen.
Een eigen kamertje hebben we bij haar niet maar dat lost Tenne wel gauw op.
Op de overloop van de trap op de eerste verdieping, sleept ze een kafzak, (soort matras gevuld met gehakt stro) en daarop slapen we zonder moeite.
Hele dagen kunnen we gaan spelen met de vrienden, die al bijna even talrijk zijn in onze vakantieverblijfplaats als thuis.
De pret kan niet op en Tenne is heel wat toleranter dan onze ouders. Vaak gaat ze met ons wandelen in de ‘diepe straat’, een holle weg tussen de velden waar heel veel braambessen -‘krokebaaze’ - staan. We nemen een rieten mandje of een lege confituurpot en al zingend plukken we de rijpe bessen. Ik ken het liedje nog altijd:
“Krokebaaze, duimen diii…k !”
“Iedereen heeft zijn potteke vol,”
“Behalve ik en Jan-de-schrik,”
“en Jan-de-luierik!”
Veel gaat er echter niet in ons potje want de meeste rijpe braambessen verdwijnen onmiddellijk achter onze kiezen en na een tijdje zijn onze lippen blauw van het kleurrijke sap.
Een andere keer maken we een vlieger van oude kranten en rieten stokjes. We bedelen om een klosje garendraad dat dik genoeg is om onze vlieger op te laten en trekken naar het pas afgemaaide korenveld van ‘Mon Pareing’.
Die boer jaagt ons dikwijls weg omdat hij bang is dat we niet enkel onze vlieger oplaten maar ook nog wat graanhalmen zullen sprokkelen - 'oogsten' - die op de grond zijn blijven liggen.

Dikwijls trekken we naar ‘laag Kraainem’ om achter het oude papierfabriekje te gaan ravotten tussen het riet en rond de Woluwe, een waterloop van ongeveer vier meter breed. Deze beek is erg vuil omdat nogal wat rioolwater van de gemeente Sint Lambrechts Woluwe er in wordt geloosd.

Jef ‘van Nee van Stans’, - altijd haantje vooruit - heeft een lange boonstaak meegebracht en daagt iedereen uit om na te doen wat hij kan.
Door de boonstaak als een polstok te gebruiken kan hij over het riviertje springen.
Jef neemt een lange aanloop, plant de stok in het midden van het snel stromend water en wipt zijn lenig lichaam omhoog waardoor hij in zweefvlucht op de andere oever belandt. Hij werpt het springtuig als een speer weer naar de overkant en roept: ‘ Vooruit het is aan jullie nu . Wie is de volgende?’
De eerste die het ook eens gaat uittesten is mijn broer Mil natuurlijk. Hij is de kleinste van de groep maar altijd de eerste als er iets nieuws te proberen valt. Iemand van de andere rakkers heeft weer gezegd: ‘Dat durf jij niet hé Milleke?’,  en dat is meer dan genoeg om hem te laten bewijzen dat hij het wel durft.
Milleke neemt een krachtige aanloop en ploft de stok in het water. Zijn kleine lichaam gaat met een soepele boog de hoogte in - maar op die plaats is de bodem van de beek nogal zacht en de stok zakt diep in de modder - en blijft halverwege steken.
Nu hangt hij daar, pal in het midden van de Woluwe  en houdt zich krampachtig vast aan zijn polstok om niet in het stromende water te vallen.
‘Hé, help mij, ik zit vast!’ , brult hij.
Ja, dat zien wij ook, maar wat gedaan? Niemand durft in het stromend water gaan, dat bovendien nog verschrikkelijk stinkt ook.
Mil slaat zijn benen om de stok en probeert wat hogerop te kruipen.
‘Ik krijg krampen.’ Krijst hij , ‘ik kan het niet lang meer uithouden...’
Hij glijdt al een stukje naar beneden.
‘Waggel met uw lijf!’ Roept Jef, ‘ge zult wel omvallen.’
Milleke probeert nu heen en weer te bewegen en uiteindelijk begint de stok door te buigen en kantelt heel langzaam, als in een vertraagde film, naar de overkant toe.
Op het laatste nippertje laat de waaghals de stok los en valt pardoes in het water. Nog net kan hij zich vastgrijpen aan het gras op de oever waar een paar helpende handen hem uit het stinkende water trekken.
We trekken hele bussels gras en proberen de viezigheid van zijn kleren te schrapen. Dat lukt maar half en we besluiten terug te keren naar het oud fabriekje waar we via het voetgangersbrugje opnieuw samen komen aan het pad langs de andere kant van het water.
Thuis bij Tenne vertellen we maar de halve waarheid en beweren dat Mil is uitgeleden en in het water gesukkeld.
Nadat Tenne ons flink geschrobd heeft en we, blinkend als een hesp, op onze kafzak liggen, zien we er uit als twee engeltjes die nog nooit enig kattenkwaad hebben uitgehaald.

Geschreven door Fikske om 00:00 Reageer op dit bericht

Het Koffieservies (deel 2)

Langzaam dondert nu de hele inhoud op mijn hoofd en schouders en stort kletterend neer op de rode stenen keukenvloer. Mil krijgt ook een deel over zijn rug want hij zit pal achter mij aan tafel te schrijven.
’Hé, wat doe jij nu!’ Schreeuwt hij. In een reflex is hij recht gesprongen en met vereende krachten slagen wij erin om de kast terug op haar plaats te krijgen.
’Aai, aai, aai,’ zijn de enige woorden die we de eerste ogenblikken kunnen uitbrengen en bij het zien van al die scherven op de grond beginnen we gelijktijdig hartstochtelijk te wenen. Mijn hoofd doet pijn, maar dit is niets in vergelijking met de schade die ik heb aangericht. Alles wat in de kast gezeten had ligt nu in honderdduizend stukjes op de grond. Heel de keukenvloer is bezaaid met gebroken porselein. Kwistig over de grond verspreid liggen een vijftal bankbiljetten die enkele oude briefjes van tien miljoen Duitse oorlogsmarken blijken te zijn. Een kleine blikken doos met koffiebonen is opengevallen en ook een grote fles met zuurstofwater heeft de crash niet overleefd.
Door mijn tranen heen zie ik enkele koffiebonen drijven in de zuurstofwaterplas. Ze beginnen te sissen. Mijn broer heeft het ook gezien. We kijken er verbaasd naar en vinden het zelfs een beetje grappig. Het duurt echter maar even want bij het zien van de chaos lopen we naar buiten waar we op de stoep gaan zitten huilen van miserie.
 
Na verloop van tijd ziet Marie-Louise, een buurvrouw, ons daar zitten en vraagt bezorgd wat er gebeurd is. Wij kunnen geen woord uitbrengen maar als ze door het raam naar binnen kijkt slaat ze vol verbijstering de hand voor haar mond. ‘Jongens toch, wat hebben jullie uitgestoken?’ Opnieuw barsten we in tranen uit. We durven niet meer naar binnen kijken en lopen nerveus heen en weer voor het huis. Slechts één gedachte spookt door ons hoofd: wat gaan onze ouders nu zeggen? Het mooie servies was nog een huwelijkscadeau dat moeder kreeg van haar collega’s in het fabriekje waar ze voor de oorlog heeft gewerkt. Het is - was eigenlijk - het enige waardevolle dat onze ouders bezitten. Gewoonlijk komt ons ma met een tram vroeger naar huis dan pa en Mil gaat al naar de tramhalte om haar op te wachten. Gelukkig is ze alleen.
Ik zie ze samen het tuinpad afkomen en ma haar kop is rood van opwinding. Als ze de puinhoop ziet laat ze zich moedeloos op een stoel neervallen...
Geschreven door Fikske om 14:29 Reageer op dit bericht

Het Koffieservies (deel 3)


‘Oh God, oh God, jongens toch…’ Jammert ze.’Hoe hebben jullie dat in Gods naam gedaan?’ Door mijn tranen heen vertel ik over het geld dat in de kast lag om brood te gaan halen.
’Leugenaar!’ Zegt ze, ‘er is geen geld in huis. Ge hebt zeker weer naar de suikerklontjes gezocht? Snoepen hé altijd maar snoepen!’ En in een opwelling van woede wil ze mij een oorveeg geven maar dat lukt maar half omdat ik nog net kan wegduiken.
Na een tijdje herwint ze haar kalmte, haalt een bezem, veegt alle scherven bijeen en vult er een grote verzinkte waskuip mee.
’Jullie pa zal heel erg kwaad zijn’ zegt ze, ‘je kan een dik pak slaag verwachten, ga al maar naar bed, ik zal proberen hem eerst wat te kalmeren als hij thuis komt.’ Dat is geen slecht idee, en zo vlug als we kunnen kruipen we in ons klein tweepersoonsbed.
Na een poosje horen we zijn zware stap op de sintels van het tuinpad en duiken nog dieper weg onder de lakens. Een ogenblik blijft het stil in de kamer. Dan horen we de sussende stem van ma maar plots, als een donderslag, klinkt er een luide vloek.
‘Waar zijn ze?’ Roept hij. ‘Nu is het genoeg geweest!’
Briesend stormt hij onze kamer binnen en smijt de dekens van ons af. ’Kom eruit!’ Beveelt hij, ‘moeten wij daarvoor zo hard werken? En jullie alles zomaar naar den duvel doen?' Bevend van schrik staan we naast ons bed.
’Vooruit, maak jullie pakjes maar en ga ergens anders wonen. Ik wil jullie hier niet meer zien.’ Als van de hand Gods geslagen blijven we in een hoekje van de kamer staan. Wat nu?
Ik had een bolwassing verwacht, maar dit? Buiten gesmeten worden voor iets dat ik niet expres gedaan heb, dat kan toch niet?
Pa raast maar door, hij is ziedend van woede en werpt onze kleren en schoenen op de bedsprei en knoopt ze tot een bundeltje samen.
’Jullie zijn de nagels van mijn doodskist!’ ‘Ik kan niet verdienen wat jullie allemaal kapot maken.’ ‘Peins niet dat ik jullie nog langer zal eten geven...’
Zijn woede is buiten alle proporties. Mil begint opnieuw te huilen en ma wil tussenbeide komen maar pa duwt haar onzacht opzij.
Heel die scène duurt slechts een paar minuten maar lijkt ons een eeuwigheid. Als orgelpunt zwiert hij ons pakje met kleren de keuken in tot bij de voordeur. Een wrokkig gevoel maakt zich plots van mij meester. Als hij ons niet meer wil, wel dan zullen we maar gaan. Ik bijt op mijn onderlip om niet te huilen en stap resoluut naar de voordeur ‘Kom, Mil, we gaan in ons kamp in het bos wonen.’
Pa schrikt zichtbaar van deze reactie. Hij voelt dat hij te ver is gegaan. Bliksemsnel springt hij me achterna en houdt me tegen.
’Hélaba manneke, waar gade gij naartoe?’ Vraagt hij bijna vriendelijk.
De krop in mijn keel belet me om normaal te spreken.
’Weg...’ Stamel ik, 'weg,' en kan mijn tranen niet langer bedwingen. ’Kom maar binnen nu, ’t is al goed. Vooruit.’ Sust hij.
Hij neemt me onder zachte dwang weer mee in de keuken.
’Nee, nee.., kom we gaan Mil.’Sputter ik nog tegen, terwijl ik eigenlijk blij ben dat we niet weg moeten.
Nu komt ma tussenbeide. ‘Kom, kom, ’t is nu al lang goed geweest!’ moppert ze tegen pa en kijkt hem verwijtend aan.
De kwaadheid van pa smelt als sneeuw voor de zon.. We krijgen nog een kop warme melk voor het slapen gaan en er wordt met geen woord meer over het voorval gesproken.
Van het hele servies is enkel de porseleinen suikerpot ongeschonden overgebleven, omdat hij op het ogenblik van de ramp niet in de kast stond.
De verklaring is eenvoudig: bij gebrek aan echte snoep was suiker voor ons een lekkernij en daarom stopte ma die suikerpot weg in haar slaapkamer.
In 1993 zijn onze beide ouders gestorven. Ik wilde niks van meubels of huishoudgerief. Alléén die suikerpot in doorschijnend porselein heb ik meegenomen.
Hij blijft voor mij een heel dierbaar souvenir.
Geschreven door Fikske om 00:00 Reageer op dit bericht

Meer van De tijd van toen ...

↑ Terug naar de berichten