Het groot geaderd witje is vergeleken bij de andere witjes een ware schoonheid. De soort is in ons land als standvlinder na 1975 niet meer waargenomen. foto Gerrit Jansen
Rups van de koninginnepage.
Vlinders leven niet lang. Niet alleen de volwassen dieren worden door veel vijanden belaagd; voor het rups- en het popstadium is de belangstelling van rovers nog groter.
Augustus is altijd een vlindermaand. Individuen van een aantal soorten voeren dan amoureuze vluchten uit: er wordt overduidelijk aan een laatste generatie gewerkt. Dartelende koolwitjes maken dit de laatste weken het meest duidelijk. Met koolwitjes bedoel ik het groot koolwitje, Pieris brassicae en het klein koolwitje, Pieris rapae, ook wel knollewitje genoemd. Beide soorten zijn bekende verschijningen in praktisch elke tuin. Dat komt niet alleen omdat ze algemeen zijn, maar ook omdat ze een zwervend bestaan leiden.
Jan Brands uit Ewijk kijkt met argusogen naar de witjes. Hij stuurde mij de volgende mail: 'De witjes zijn weer goed aan het fladderen, dus heb ik mijn boerenkool maar eens bekeken en daar kwam ik heel wat verschillende eitjes tegen. Zoals u op de foto kunt zien, hebben de groepjes eieren verschillende kleuren. Zijn ze allemaal van dezelfde soort koolwitje?'
Ik heb Jan verteld dat alle eitjes van het groot koolwitje zijn en waarschijnlijk van meerdere vrouwtjes. Als ze net zijn afgezet, zijn ze geel; al snel worden de eitjes grauw of donkerder van kleur. De eipakketjes op de foto zijn van verschillende data. De vlinder legt de eitjes in groepjes: gemiddeld 45; de maximale productie ligt in een goede zomer boven de duizend eieren. Afhankelijk van de temperatuur komen de rupsjes na drie tot zeven dagen te voorschijn, waarna het grote eten kan beginnen. Dat betekent voor Jan: minder boerenkool. De rupsen van het groot koolwitje zijn minder schadelijk dan de rupsen van de kleine, die eten van veel koolsoorten de bladeren van het hart. De rupsen van de grote prefereren de buitenste koolbladeren. De rupsen van beide soorten verpoppen binnen drie weken. De poppen van de laatste generatie overwinteren. Het groot koolwitje kent drie generaties; de kleine minstens vier! Gezien de grote eiproductie betekent dit in een gunstige zomer heel veel witjes!
Vorige week reed ik een stukje dijk; ik moest mijn snelheid aanpassen om geen witjes tegen de auto te krijgen. Witjes zijn, zeker als ze een amoureuze bui hebben, trage vliegers. Botsingen zijn dan ook moeilijk te voorkomen. Er trokken ook distelvlinders over de dijk: nakomelingen van de trekkers uit het zuiden van Europa die dit voorjaar met honderdduizenden Midden-Europa overspoeld hebben. Distelvlinders botsen zelden tegen een auto, omdat het zulke snelle en wendbare vliegers zijn. Het aantal verkeersslachtoffers onder vlinders wordt volgens mij onderschat. Gezien het formaat van de slachtoffers spreken dergelijke aanrijdingen ook weinig tot de verbeelding. Een paar jaar geleden reed ik van Schaarsbergen naar Hoenderlo achter de Hoge Veluwe door. Het was in de avond, tegen zessen. Tientallen heidevlinders warmden zich op het asfalt op. Ik kreeg er drie tegen de auto. En ik was niet de enige automobilist op de provinciale weg. Ik ben even uitgestapt en een stukje wegberm van hooguit 25 meter afgezocht naar verkeersslachtoffers. Dat leverde 33 dode heidevlinders op!
Vlinders zijn niet sterk, dat is aan hun bouw af te lezen. Aan vijanden ontbreekt het ze bepaald niet. Het is dan ook maar goed dat ze van Moeder Natuur een aantal slimmigheidjes hebben meegekregen om een vlinderleven lang mee te kunnen. Lang hoeft dat leven niet te duren. Bij veel soorten beperkt het volwassen stadium zich tot enkel een amoureuze ontmoeting. De mannetjes sterven na het liefdesavontuur een natuurlijke dood, de vrouwtjes volgen zodra de eieren zijn gelegd.
Niet alleen de vlinders worden door vele vijanden belaagd; voor het rups- en het popstadium is de belangstelling van rovers in het algemeen nog groter. Rupsen en poppen worden veelvuldig door sluipwespen en sluipvliegen geparasiteerd, roofmijten en spinnen zuigen ze uit. Ook ziekteverwekkers zoals bacteriën, schimmels, virussen en protozoën kunnen populaties van vlinders decimeren. Natuurlijk gaat dat niet allemaal zonder slag of stoot. Een aantal vlindersoorten is bijvoorbeeld giftig. Sommige soorten maken zelf gif, andere sparen gif op uit planten die zich chemisch hebben gewapend tegen vraat en ziektekiemen.
De rups van de monarchvlinder – een trekvlinder uit Noord-Amerika – leeft op zijdeplanten. Het afweergif van deze planten wordt in het lichaam van de rups opgeslagen, waardoor het dier oneetbaar wordt voor rovers. Iets dergelijks zien we ook bij de rupsen van het groot koolwitje en het knollewitje. De meeste waardplanten van deze twee vlindersoorten beschikken over mosterdoliën, die met glucose verbindingen aangaan. Deze giftige glucosinolaten slaan de rupsen in hun lichaam op, waardoor zij voor vogels oneetbaar worden. De volwassen vlinders van het knollewitje en het groot koolwitje maken zelf het giftige eiwit pierine. Om geen last van het gif te hebben, transporteren ze het naar delen van het lichaam waar het weinig kwaad kan. Gaat er toch iets mis, dan hebben deze vlinders antistoffen en afbreekstoffen bij de hand. Pierine hoopt zich op in de schubben op de vleugels. Een vogel die een witje pakt, zal weinig plezier aan het hapje beleven. Van één zo'n vlinder gaat hij niet dood, maar hij heeft wel geleerd om voortaan koolwitjes links te laten liggen.
'Brandnetelrupsen' zoals die van de kleine vos en de dagpauwoog wapenen zich met de gifstoffen die in de brandnetelharen zijn opgeslagen. Omdat deze rupsen in groepsverband leven, zijn ze samen extra sterk. Als een vijand zo'n pluk rupsen nadert, begint de hele groep extreem te bewegen: een vorm van bluffen.
De strategie van het bewust gezien worden, komt bij vlinders meer voor. Vorige week vertelde ik al over bluffende olifantsrupsen met 'nepogen'. De nepogen van dagpauwoog en nachtpauwoog schrikken roofvijanden ook af.
Vijf lezers troffen de afgelopen week in hun moestuin rupsen van de koninginnepage aan op het loof van wortels, venkel en dille. Jonge rupsen lijken vanwege het kleurpatroon wel wat op een vogelpoepje. Grote rupsen dragen waarschuwingskleuren: geel, rood en zwart. Het signaal luidt: 'ik ben niet eetbaar'. Komt een predator toch te dichtbij, dan steekt de rups zijn osmaterium uit, een oranje, V-vormig dreigorgaantje dat ook nog eens een onaangename geur verspreid. Helaas zijn al die trucjes om te overleven voor veel dagvlindersoorten niet afdoende. Het gaat nog steeds slecht met onze vlinders. Invasies van trekvlinders, zoals de distelvlinder dit voorjaar, zijn mooi meegenomen, maar zeggen niets over een verbetering van de leefomstandigheden van onze vlinders. Daar hebben we zwermen kleine vossen en dagpauwogen voor nodig: vroeger hele gewone vlinders!
Gerrit Jansen
bron; gelderlander.nl