Een paar kilometer voorbij Maastricht, in België, ligt een paradijsje:
de Voerstreek. Zó mooi, zó groen, zó dromerig dat je er stil van wordt.
Er worden vier talen gesproken: Nederlands, Frans, Duits en Limburgs. En dat geeft spanning. Wat heet, de Voerstreek staat symbool voor de taalstrijd tussen Walen en Vlamingen.
De plaatsnamen en reclameborden zijn tweetalig en de genietende, Nederlandse wandelaar begrijpt er helemaal niets van…
Rivaliteit
Gids Kees Bos, die ons opwacht in ’s-Gravenvoeren, haalt er ook zijn schouders over op. Zelf al jaren woonachtig in België verbaast hij zich nog dagelijks over de rivaliteit tussen zijn Frans- en Nederlandstalige buren. Maar als je zware ziektes hebt overwonnen, leer je te relativeren.
Bos werd geboren in Groningen, trok met zijn ouders, waarvan vader dominee, langs diverse gemeenten en begon in de jaren vijftig zijn opleiding tot jachtvlieger bij de luchtmacht.
Na zijn militaire carrière werd hij piloot bij een burgerluchtvaartmaatschappij op de Antillen wat wreed werd beëindigd toen zijn hart voor de eerste keer haperde. Bos revalideerde, ging golfen, maar vond zichzelf écht terug door te gaan wandelen.
Vooral de Voerstreek stal zijn hart. Hij schreef ’Vervoering in de Voerstreek’ en uit dat boekje laat hij ons vandaag genieten van een prachtig ommetje langs de riviertjes de Noor en Voer, die even verderop gezamenlijk in de Maas uitkomen.
Na koffie te hebben gedronken bij De Zwaan, waar in de 18e eeuw de postkoets tussen Luik en Aken al stopte, gaat hij ons, bijna tachtig jaar oud maar nog vol dynamiek, voor naar het dal van de Noor waar bossen, weilanden en boomgaarden elkaar afwisselen. Het is het enige riviertje dat noord-zuidwaarts van Nederland naar België stroomt.
Op de beboste heuveltoppen, waarboven buizerds op de thermiek zweven op zoek naar een prooi, liggen mooie boerderijen maar ook het landgoed Altenbroek waar zeldzame Wagyu-runderen op de steile weiden grazen.
Ze leveren het peperdure vlees waar vooral Japanners zo gek op zijn.
Noorbeek
We steken de weilanden over via natte, modderige paadjes en ijzeren stegelkes (draaihekjes), om langs glooiende akkers en hoogstamfruitboomgaarden af te dalen naar het pittoreske Noorbeek. Je kunt er in deze tijd de stilte horen…
Het dorp wordt gedomineerd door de 13e-eeuwse mergelstenen kerk. Op het pley ernaast ziet u een grote den. Elke tweede zaterdag na Pasen wordt deze vervangen door een vers exemplaar.
De ongetrouwde mannen halen een nieuwe boom uit het bos en de getrouwde mannen uit het dorp zetten ’m op. Een traditie die stamt uit 1634 toen hier de veepest uitbrak.
De boeren baden tot hun beschermheilige St.-Brigida en toen hun gebeden waren verhoord, is voor de eerste keer zo’n den geplaatst. In het dorp ook meerdere prachtige binnenplaatsen.
Als we Noorbeek verlaten, komen we verderop bij ’t Bakhuis, waar men heerlijk ijs serveert. Weer onderweg lopen we langs meerdere vakwerkhuizen en komen via een ’binnendoortje’ in St. Martensvoeren, waar we het Veltmanshuis passeren.
Genoemd naar pastoor Veltmans, nog altijd een held voor de ’Flaminganten’. We verlaten het dorp langs het gedenkteken van brigadier Lescenier, een van de eerste gesneuvelden van het Belgische leger in de Tweede Wereldoorlog en stijgen flink om de Heerbaan te bereiken, een vroegere Romeinse weg die nu Kattenrot heet.
Onderweg omhoog zien we in het dal de oude treinverbinding tussen Antwerpen en Aken, aangelegd door de Duitsers in de Eerste Wereldoorlog. Via een fraai pad langs de Voer lopen we terug naar ’s-Gravenvoeren.
Zoals steeds onderweg ook hier veel wegkruisen.
Wandelwijzer
±16 km. Start parkeerplaats op de Boomstraat, ’s-Gravenvoeren.
Honden aangelijnd toegestaan. 75% onverhard.
Horeca in ’s-Gravenvoeren, Noorbeek en onderweg.
Joop Duijs bron;telegraaf.be