vorst
velden en boomgaarden koud
de zon heel ver weg
Ingrid Lenaerts
vorst
kermispaard
stad aan zeeEen stad aan zee spreekt
van wind en kou op haar strand
haar hart blijft steeds warm
Ingrid Lenaerts
op een soldatenkerkhofRijen witte kruisen
duizendmaal de onschuld van jonge levens
rustend in weer en wind tussen groen
oorlogsmonument van winter en zomer
herinnert ons voor wie beschouwt
dapperheid of zinneloos geweld
dood en verdriet met onomkeerbare sporen
na jaren afstand en gelatenheid
van de grote oorlog die als een tijger raasde
door deze vlakte
ik voel de weemoed van de tijd
het lijden blijft een open wonde.
Ingrid Lenaerts
gebroken licht
licht weerkaatsend in scherven
gebroken spiegel in het ruige wolkenspel
onderworpen aan macht
totaal willoos in de capriolen van wind
het steekt me de ogen uit
hoe verblindend is de zon op de weg
slechts een moment
als een surrealistiche openbaring
en dan volgt weer donker de dreiging
het gehuil van de wind
als woorden voor een klaagzang.
Ingrid Lenaerts
stormWat je ziet op zee het is al voorbij
de wind baast over het water
blaast torenhoog golven over de dijk
sleept zijn staart na vol gekke kronkels
verjaagt man en macht van het strand
zelfs de meeuwen vliegen ter plaatse
als gekken windvogels aan een touw
regen striemt tegen onze kuiten
paraplu's keren hun gespan onderste boven
uit noordwesten de ijskoude dood op zee.
Ingrid Lenaerts
Hortus conclusus
wachten
Wachten op de grote zon
de belofte van vrijheid
die lonkt als een wilde deerne
je dromen uitholt
voor grijnzend kaarslicht
in een bietenkop
het toevluchtshuis
achter prikkeldraad
ik dacht het beeld weg
ver weg uit onze tijden
maar het duikt weer op
zolas een hersenschim
uit de beemden bij mist.
Ingrid Lenaerts
duisternis
ijschaatsenRijdend op de schaats
sierlijk als een hazenwind
zwanen op een meer
ze cirkelen er
draaien spiralen
een kaleidoscoop
Ingrid Lenaerts
wintersprokkel
wassen beeld
morgen
vissersEen ijzige kalmte in hun blik
eerder op oneindig over grenzen heen
het wateropppervlak borrelt bellen
kringen die traag uitdienen
voor de ogen van twee dromende vissers
tot de vis hen verschakt
Ingrid Lenaerts
gele blarenNatte bladeren
lijken vergeeld in sterven
kleven in plassen
doodse stilte prangt
de sfeer kil tot klein verdriet
het park treurt en weet
Ingrid Lenaerts
gele blarenNatte bladeren
lijken vergeeld in sterven
kleven in plassen
doodse stilte prangt
de sfeer kil tot klein verdriet
het park treurt en weet
Ingrid Lenaerts
anna
vervreemding
berkenBerken met hun witte stammen
die hun schors laten pellen
als een kinderspel in de wind
vergroeid met blauwe luchten
bos en hei eeuwig in hun buurt
ze groeien in scholen van drie of vier
naast het ven met zijn rietkragen
Berken roepen in mij de heimat op
stil en overtuigend in het landschap
dat purper bloeit in september
op de schrale gronden van zijn troost.
berken zijn als magiërs van romantiek
voor wie hen gelooft en belijdt
Ingrid Lenaerts
