merel
Een merel blikveldt
schichtig in het natte gras
zoekt een regenworm
Ingrid Lenaerts
merelEen merel blikveldt
schichtig in het natte gras
zoekt een regenworm
Ingrid Lenaerts
aarde
regen
tot in oneindigheidTot in oneindigheid draagt op volle wieken
iets van felle verliefdheid naar een zonnegod
het verlangen naar de maan en de sterren
in het coccon van een reuzenschelp
daar waar Cupido en de zijnen rondom ons fladderen
en ons voortdurend met hun vurige pijltjes raken
zodat wij geinfecteerd blijven met de begeerte
elkaar aan het hof van eeuwige minnen te ontmoeten
Ingrid Lenaerts
hartje zomerHartjezomer puft de graden sinds dagen
het land ligt er zanderig gebarsten bij
dorre aardkluiten met scheuren in de grond
alsof er een offensief uit de aarde wacht
onze boeren rijden het water naar de wei
voor de dorstige dieren staart in de lucht
de man begroeten zij als bracht hij een geschenk
Onze huid kleeft zweterig op onze huid
loom doelloos maakt ons die verdomde hitte
Hartjezomer puft de graden ongemanierd.
Ingrid Lenaerts
weerkaatsingWeerkaatsing van zon in water
Zie ik zijn lachje, mijn ontroering
Zijn ogen lichten op heel even lief
Slierten adem ver van verstand
Een avond vol gelaagde nevel
Mysterie de roep van het lijf
De nacht broedt zijn woorden uit
Verlangen in de bakermat ik
Te koelen tussen lakens regelrecht
Van vuur het oosten laait in hem
Ik brand van verlangen meer en meer
Dat ik honger in tijd extra limiet.
Ingrid Lenaerts
bij een ansichtkaartMet de beste groeten zonovergoten
uit een aards paradijs vol verwachting
laat je me watertanden
of voel ik daar de licht ironie
voor een thuisfronter
In het land van de regen en de natte voeten
je boot vaart weg laat een diep spoor
van het schuimend sop
op een diepblauwe zee
In je schaduw mijmer ik je thuiskomst als een feest.
Ingrid Lenaerts

Buiten zuchtte de vreselijke middaghitte
in de kathedraal zweeg de stilte
door de hoge ramen in de vrome zijbeuk
viel het licht dansend op de beelden
Enkele gelovigen zaten gewoon ingetogen
de weerklank van het bidden onuitgesproken
taal voor een hogere macht in gedachten
die hen in ernst aan de rand van de tijd zette
de godslamp blakerde haar vlam in rode gloed
oplaaiend en verminderend in een koude kegel
door de grote kaleidoscoopvan het rozet de zon
die een kantwerk van koloriet verheerlijkte
alsof de hemel naar men zei dichter kwam
in al zijn prachten parlemoeren sierraden
de gouden engelen op hun praalwagens
de Godheid zelf in zijn kristallijne veelvoud.
Ingrid Lenaerts
rietkragenZelfs de rietkragen
zuchten droogte in de beek
op hoop van regen
Ingrid Lenaerts
gesmolten chocoladeHij aait lieve zoals de poes die zich uitstrekt
op de sofa ligt te soezen in de middagzon
het dier is een beetje behaagziek krols
Lieve gromt tevreden zoals een bruine beer
Honing steelt zijn buik rond blij beer te zijn
met het amechtige gevoel van zwaar gelukspunt
Hij consumeert een beetje lip likkebaart
en noemt haar ma Belle Helène zijn lieve lijfje
Met de diepblauwe ogen zoals water in een baai
van het land in de zon zijn appeltje tegen de dorst
met de zoete woorden van gesmolten chocolade
waarin zij verzinken naar een romige wereld toe
Voor wie het raden wil
veldweg
schoon schip maken
Het gras is verschroeid
een soort steppe met veel dorst
wacht nu op regen
Ingrid Lenaerts
beekbos in de lente
een boot
van de rivier en de bootVan de rivier verglijden wij
de vraag naar altijd water
In het groen vertragen de dagen
ons boven het hoofd als spiegel
Van de boot gewoonweg het plezier
rechtaan rechtuit te varen
doormidden te splitsen de golven
naar de oever ze laten klotsen
Rondom het grote en het kleine leven
huizen als kasteelheren in rok.
Blote dames verrast in hun privacy
knipperlichten voor de zware zinnen
Wat dan met ons ? Wij kijken overboord
het vrije bestaan van een vakantie
de tijden zonder bijna denken zonder zorg
als een zaligheid van het ogenblik
Ingrid Lenaerts
zij belaagt
albi 2Zuiderse morgen
Stad in roze stilte slaapt
straten verdampen.
Ingrid Lenaerts
Albi 1Avond vol sterren
de kathedraalmuur ontvlamt
na de zon schaduw
Ingrid Lenaerts
Heimwee Noorderkrieken in een boomgaard
alsof de tijd me achterhaalt me dwingt
te blijven staan , te kijken naar de vruchten
uitnodigend rijp klaar om geplukt te worden.
Ik zie mijn oma met een rieten mandje
dat ze vol laadt met die rode vruchten
Ze eet krieken en ik volg haar voorbeeld
we oogsten samen verder
Straks zal ik noorderkrieken proeven
heerlijk gestoofd bij de ijsbolletjes die oma tovert
we zitten allemaal onder de rode kriekenkleur
we smakken en schrapen tot de laatste hap
Weer geland in onze warme zomer die schroeit
wordt ik gebeten door een dikke heimwee
vind mezelf wellicht flauw maar hoe ik weer verlang
naar een verlangen dat voor altijd ging.
Ingrid Lenaerts